Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6186

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
97/20489
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De stelling van de belanghebbende dat hij in zijn procespositie is geschaad, omdat hij niet vrijelijk zou kunnen beschikken over alle stukken wordt door het Hof verworpen. De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld, dat de belanghebbende door het openbaar ministerie en de FIOD een volledig inzage- en kopierecht is verleend met betrekking tot de in het kader van strafrechtelijke onderzoeken in beslag genomen stukken. Dit laatste wordt bevestigd door de brieven van de officier van justitie van 20 september 1996, 20 juli 1998 en 16 juni 1999 en van de FIOD van 31 juli 2000. Dat de belanghebbende niet (altijd) bereid was om van dit inzage- en kopierecht gebruik te maken, omdat hij zich daarbij onvoldoende vrij voelde, dient voor zijn rekening te blijven, nu omtrent enige belemmering om daadwerkelijk inzage te krijgen dan wel te kunnen kopiëren niets aannemelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/556
V-N 2008/29.1.1
FutD 2008-0595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/20489

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer mr. X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen te Q van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van de belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan de belanghebbende na te noemen met verhoging opgelegde navorderingsaanslag en het daarbij genomen kwijtscheldingsbesluit.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 27 september 1996 onder aanslagnummer 000.00.000.H17 aan de belanghebbende over het jaar 1991 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 2.965.758 met 100% verhoging, van welke verhoging de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. De belanghebbende heeft tegen voormelde navorderingsaanslag bezwaar aangetekend.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 2 mei 1997 de belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar verklaard. Tegen die uitspraak is de belanghebbende tijdig en regelmatig in beroep gekomen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de belanghebbende een recht geheven van fl. 80,= (€ 36,30). De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft met een conclusie van dupliek daarop gereageerd.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 juni 1999 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de belanghebbende en de Inspecteur.

Met instemming van partijen is de zaak gelijktijdig behandeld met de zaken bij het Hof bekend onder kenmerk: 97/20484, 97/20485, 97/20486, 97/20487, 97/20488, 97/20490, 97/20492, 97/20494, 97/20496, 97/20497, 97/20498 en 97/20499.

Voorafgaand aan de zitting hebben partijen stukken doen toekomen aan het Hof en (door toedoen van de griffier) aan de wederpartij. Partijen hebben verklaard tegen overlegging van deze stukken geen bezwaar te hebben. Het Hof rekent deze stukken tot de stukken van het geding.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de belanghebbende en de Inspecteur ieder een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij.

1.5. Naar aanleiding van het tijdens de mondelinge behandeling door het Hof tot de belanghebbende gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14, eerste lid, aanhef en onderdeel 2?, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: WARB) overeenkomstige toepassing heeft gevonden.

1.6. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 juni 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de belanghebbende alsmede de Inspecteur.

Bij aanvang van deze mondelinge behandeling heeft de voorzitter medegedeeld, dat de samenstelling van de Kamer was gewijzigd. Tijdens de eerste mondelinge behandeling was de Kamer samengesteld uit mr. J.A. Meijer, mr. G.J. van Muijen en mr. M.E. van Hilten en tijdens de tweede mondelinge behandeling uit mr. J.A. Meijer, mr. M.E. van Hilten en mr. drs. P. Fortuin. Partijen hebben verklaard geen bezwaar tegen deze wijziging te hebben.

Met instemming van partijen is de zaak gelijktijdig behandeld met de zaak bij het Hof bekend onder kenmerk: 97/20484.

1.7. Naar aanleiding van het tijdens de tweede mondelinge behandeling door het Hof tot de belanghebbende gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken heeft de belanghebbende niet gereageerd. De belanghebbende heeft de tijdens de mondelinge behandeling aan hem gerichte verzoeken om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken onbenut gelaten evenals de mogelijkheid om nader bewijs te leveren.

1.8. De derde mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 maart 2005 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de belanghebbende alsmede de Inspecteur.

Bij aanvang van deze mondelinge behandeling heeft de voorzitter medegedeeld, dat de samenstelling van de Kamer was gewijzigd. Tijdens de tweede mondelinge behandeling was de Kamer samengesteld uit mr. J.A. Meijer, mr. M.E. van Hilten en mr. drs. P. Fortuin en tijdens de derde mondelinge behandeling uit mr. drs. P. Fortuin, mr. A. Bijlsma en mr. G.D. van Norden. Partijen hebben verklaard geen bezwaar tegen deze wijziging te hebben.

Met instemming van partijen is de zaak gelijktijdig behandeld met de zaak bij het Hof bekend onder kenmerk: 97/20484.

1.8. Naar aanleiding van het tijdens de derde mondelinge behandeling door het Hof tot de belanghebbende gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken heeft de belanghebbende niet gereageerd. De belanghebbende heeft de tijdens de mondelinge behandeling aan hem gerichte verzoeken om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken onbenut gelaten evenals de mogelijkheid om nader bewijs te leveren.

1.9. Bij brief van 18 mei 2005 heeft de griffier de belanghebbende het volgende bericht:

'De tijdens de mondelinge behandeling van 17 maart 2005 aan u gegeven termijn van 8 weken voor het verstrekken van inlichtingen is ongebruikt verstreken. Zoals tijdens die mondelinge behandeling is medegedeeld zal nog éénmaal een mondelinge behandeling van de zaak worden gehouden. Partijen worden erop gewezen, zoals tijdens de mondelinge behandeling van 17 maart 2005 is medegedeeld, dat de komende mondelinge behandeling dient ter afronding van de procedure. Indien partijen derhalve nog bewijs wensen te voeren, waaronder het horen van getuigen, zal daartoe slechts gelegenheid worden geboden op die komende mondelinge behandeling. Partijen worden verzocht na de ontvangst van de oproeping voor de komende mondelinge behandeling, doch uiterlijk tien dagen vóór de mondelinge behandeling, de wederpartij en het hof te informeren over het op die mondelinge behandeling aan te voeren (nieuwe) bewijs.

De volgende mondelinge behandeling zal zo snel als mogelijk plaatsvinden; de oproepingen zult u te zijner tijd ontvangen.'.

1.10. De vierde mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 september 2005 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de Inspecteur.

De belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij de belanghebbende bij op 20 juli 2005 aangetekend met handtekening retour onder nummer 3SRRRL1350261 naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, tijdig heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de mondelinge behandeling.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak bij het Hof bekend onder kenmerk: 97/20484.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding en het verhandelde tijdens de eerste drie mondelinge behandelingen, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, en op grond van de geloofwaardige verklaringen van de Inspecteur tijdens de vierde mondelinge behandeling de volgende feiten vast:

2.1. De belanghebbende is geboren op 24 juni 1956. De belanghebbende was werkzaam als advocaat in de vorm van een eenmanszaak van 1 augustus 1986 tot september 1990. Nadien heeft hij de advocatenpraktijk ingebracht in A B.V. De aandelen van deze B.V. zijn in handen van A Beheer B.V.. De belanghebbende was directeurenigaandeelhouder in deze B.V..

2.2. De belanghebbende heeft aangifte gedaan over het jaar 1991 naar een belastbaar inkomen van fl. 61.180,75.

2.3. Aan de belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1991 opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 107.020. De correctie betreft een correctie van het privé-gebruik van een door de werkgever te beschikking gestelde auto.

2.4. Naar de belanghebbende zijn verscheidene strafrechtelijke onderzoeken gedaan. Tevens is door de Inspecteur een onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting 1990 tot en met 1994 en de vermogensbelasting 1990 tot en met 1995. Hiervan is een rapport d.d. 5 juli 1996 opgemaakt, dat begin juli 1996 aan de belanghebbende is gezonden. Tevens is een rapport d.d. 5 juli 1996 opgemaakt naar aanleiding van een boekenonderzoek door de Inspecteur naar de aanvaardbaarheid van de aangiften de vennootschapsbelasting 1991 tot en met 1993 bij Stichting B, N en O advocaten. Inzake een boekenonderzoek door de Inspecteur naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting 1991 tot en met 1994 bij A B.V. is ook een rapport d.d. 5 juli 1996 opgemaakt. Beide laatste rapporten zijn op 5 juli 1996 aan desbetreffende belastingplichtigen gezonden.

2.5. Met een dagtekening van 27 september 1996 is aan de belanghebbende een navorderingsaanslag met verhoging opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 2.965.758,=. Dit inkomen is door de Inspecteur berekend als volgt (in guldens):

Belastbaar inkomen aanslag107.020Correctie1. Ontvangsten op privé-bankrekeningen936.4502. Storting derdengelden op bankrekening B.V.60.0003. Storting tegenwaarde Zwitserse francs op privé-bankrekening87.6474. Contante stortingen, gecrediteerd in rekening-courant B.V.205.4805. Stortingen op Zwitserse bankrekening 0000 --1.528.3446. Rente Zwitserse bankrekening -/-1.3717. Rente Zwitserse bankrekening9.4068. Storting op Zwitserse bankrekening ------------10.0009. Rente op Zwitserse bankrekening 0000 --17.53210. Rente in aflossing lening C5.250Totaal correcties2.858.738Nader vastgesteld belastbaar inkomen:2.965.758

Van de verhoging verleent de Inspecteur geen kwijtschelding.

2.6. De belanghebbende heeft bij brief van 8 oktober 1996 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. Na overleg met de curator heeft de Inspecteur uitstel voor het motiveren van het bezwaar gegeven tot 25 oktober 1996. In een volgende brief van 24 oktober 1996 heeft de Inspecteur op verzoek van de curator verder uitstel verleend tot 8 november 1996. Hierbij heeft de Inspecteur erop gewezen dat het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard indien het bezwaar niet (tijdig) zou worden gemotiveerd. Op volgende verzoeken om uitstel van de curator heeft de Inspecteur bij brief van 13 november 1996 verder uitstel verleend tot 18 november 1996. Hierbij heeft de Inspecteur wederom erop gewezen dat het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard indien het bezwaar niet (tijdig) zou worden gemotiveerd.

2.7. Op 17 november 1996 om 23.35 uur faxt de belanghebbende zeven pagina's naar de Inspecteur. Omdat daarmee niet de gehele motivering was gefaxt doet de belanghebbende een volgende poging om 23.46 uur. Hierbij worden van 48 pagina's de eerste drie niet gefaxt en van het totale aantal van 48 pagina's slechts tot en met pagina 36. De 13 bijlagen ontbreken bij deze fax. Op maandag 18 november 1996 wordt het gehele stuk met bijlagen door de curator persoonlijk overhandigd. Deze heeft de motivering op 18 november 1996 ondertekend.

2.8. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 2 mei 1997 verklaart de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat de motivering niet (tijdig) is ingediend.

2.9. In het arrest van de strafkamer van de Hoge Raad van 13 november 2001, nr. 03391/00, LJN: AD4466 is met betrekking tot de belanghebbende, onder meer, het volgende overwogen:

'3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet heeft geantwoord op een in hoger beroep gevoerd verweer inhoudende dat in deze zaak niet kan worden gesproken van het doen van een bij de Belastingwet voorziene aangifte, althans dat de bewezenverklaring op dat punt ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.1. Bij inleidende dagvaarding is, voorzover voor het middel van belang, aan de verdachte tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 11 januari 1994, in elk geval in of omstreeks de maand januari 1994, in de gemeente D, in elk geval in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 1991, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de verdachte opzettelijk, op dat bij de Inspecteur der belastingen te D ingeleverde kopie aangiftebiljet over het jaar 1991, een te laag belastbaar inkomen opgegeven, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven."

3.2.2. Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat "hij op 11 januari 1994 in de gemeente D, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 1991, onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk, op dat bij de Inspecteur der belastingen te D ingeleverde kopie-aangiftebiljet over het jaar 1991, een te laag belastbaar inkomen opgegeven, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven."

(...)

4.4. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte in de in de bewezenverklaring genoemde aangifte in ieder geval een bedrag van f. 346.282,00 aan inkomsten ten onrechte niet heeft vermeld. Dat bedrag bestaat uit a) door de verdachte in contanten op een geldlening ontvangen rente ten bedrage van f.5250,-;

b) door de verdachte contant opgenomen, dan wel op zijn privérekening gestorte gelden afkomstig uit een faillissement, waarin hij curator was een en ander ten bedrage van f.315.465,-; c) rente die is bijgeschreven op een ten name van de verdachte staande Zwitserse bankrekening, ten bedrage van f.25.567,-.

4.5. Gelet op de aard van die posten en de hoogte van de bedragen heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat de door hem gedane aangifte op onderdelen onjuist was. Het Hof heeft het bewezenverklaarde opzet dus uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. (...)'.

2.10. Het onder 2.9 bedoelde arrest is gewezen op het arrest van de strafkamer van het Hof 's-Hertogenbosch van 21 juni 2000, parketnummer 20.003104.99. In de aanvulling bewijsmiddelen op dit arrest is opgenomen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard:

'Dit is de door mij ingediende kopie van het aangiftebiljet van de inkomstenbelasting over het jaar 1991. Ik herken mijn handtekening op die aangifte.

In die aangifte is niet verwerkt de genoten rente op de geldlening aan C, evenmin de genoten rente op mijn Zwitserse bankrekening en stortingen welke afkomstig waren van de derdenrekening.

De fl. 54.384,88, welk geld door mij is gestort op de rekening van E BV namens F, G, H en J BV, kliënten van het kantoor, heb ik daadwerkelijk ontvangen. Zij hebben mij op of omstreeks die datum kontant betaald.'.

2.11. In de onder 2.10 vermelde aanvulling bewijsmiddelen is voorts op blz. 12 en 13 opgenomen, voor zover te dezen relevant:

'als de op 29 oktober 1996 afgelegde verklaring van K aan de verbalisanten voornoemd:

Mr. L is als natuurlijk persoon benoemd als curator in M BV. (...)

Alle baten en lasten die voortvloeien uit de werkzaamheden van de advocatenpraktijk behoren, nadat de praktijk is ingebracht, dan ook toe aan A BV.

Ook de baten en lasten die voortvloeien uit het curatorschap M BV van Mr. L behoren toe aan A BV.

(...)

Vooraleerst wil ik verklaren omtrent de respectieve opname van f 70.000,00 op 6 december 1991 en de opname van f 299.850,00 op 19 december 1991 van de rekening van de Stichting B, welke bedragen niet zijn verantwoord in de boedel van M BV.

Voormelde bedragen waren onderdeel van een betaling groot f 780.000,00 door P in verband met de overname van

activa van het failliet verklaarde bedrijf M BV.

Voormelde f 70.000,00 en een bedrag groot f 239.850,00, als onderdeel van f 299.850,00, zijn gestort op de privé

bankrekening van A.

Tevens zie ik dat een bedrag, verdeeld in diverse bedragen, is overgemaakt naar de zakelijke bankrekening van A B.V. Hiermee zijn openstaande debiteurenvorderingen afgeboekt.

Tevens is een bedrag groot afgerond f 5.615,00 in contanten opgenomen. :

Uit de mij voorhanden zijnde stukken blijkt dat Mr. L in december 1991 f 70.000,00 en f 239.850,00 zich doet toekomen op zijn privé bankrekening. Tevens neemt Mr. L een bedrag op van afgerond f 5.615,00. Voormelde bedragen samen, en wel een bedrag van f 315.465,00, heeft Mr. L, door het bedrag in contanten op te nemen danwel te laten beschrijven op zijn privé bankrekening in december 1991, aan A BV onttrokken, waardoor hij een bedrag groot f. 315.465,-- als middelijke uitdeling zijnde verkapt dividend heeft genoten.'.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de navorderingsaanslag?

II. Dient de bestreden uitspraak te worden vernietigd, omdat de bestreden uitspraak is gedaan door dezelfde ambtenaar als diegene die navorderingsaanslag heeft opgelegd?

III. Dient de bestreden uitspraak te worden vernietigd, omdat de belanghebbende tijdens de bezwaarfase niet is gehoord?

IV. Dient de bestreden uitspraak te worden vernietigd, omdat de belanghebbende tijdens de bezwaarfase geen inzage heeft gekregen van de op de zaak betrekking hebbende stukken?

V. Dient op grond van artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (in de voor de onderscheidende jaren geldende tekst; hierna: AWR) het beroep te worden afgewezen, tenzij blijkt dat, en in hoeverre, de bestreden uitspraak onjuist is?

VI. Indien vraag V bevestigend moet worden beantwoord: Heeft de belanghebbende doen blijken - dat wil zeggen overtuigend aangetoond - dat, en in hoeverre, de uitspraak onjuist is?

VII. Indien vraag V bevestigend en vraag VI ontkennend moet worden beantwoord: Heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag redelijk en niet willekeurig berekend?

VIII. Indien vraag V ontkennend bevestigend moet worden beantwoord: Heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte opgelegd en heeft de Inspecteur terecht een verhoging opgelegd en het juiste kwijtscheldingsbesluit genomen?

De belanghebbende beantwoordt vragen I, II, III, IV en VI bevestigend en de overige vragen ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de tijdens de mondelinge behandelingen overgelegde stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Partijen hebben daaraan tijdens de mondelinge behandelingen van de zaak nog het volgende, kort weergegeven, toegevoegd (waarbij B staat voor de belanghebbende en I voor Inspecteur):

Mondelinge behandeling 23 juni 1999

Hof: De zaak wordt gelijktijdig behandeld met de zaken bij het Hof bekend onder 97/20484, 97/20485, 97/20486, 97/20487, 97/20488, 97/20490, 97/20492, 97/20494, 97/20496, 97/20497, 97/20498 en 97/20499. Voor zover het de boete betreft in het openbaar. Er zijn drie strafzaken: R, faillissementsfraude en artikel 68 AWR. De strafkamer van het Hof heeft in de R-zaak vorige week uitspraak gedaan?

B: Er is hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de Rechtbank.

I: In de artikel 68 AWR-zaak is vonnis gewezen. Hiertegen is hoger beroep ingesteld. Het vonnis d.d. 31 maart 1999 wordt overgelegd.

B: Hiertegen bestaat geen bezwaar.

Hof: Uit dit vonnis blijkt dat L in persoon veroordeeld wordt voor artikel 225 Sr, dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is voor wat betreft de artikel 68 AWR-zaak. De straf is 4 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Moet de boete over 1991 niet vervallen?

I: Mijns inziens niet, niet-ontvankelijkverklaring geeft geen samenloop.

Hof: Hoe staat het met de invordering?

I: B.V.: fl. 35.000 betaald; fl. 19.000 verrekend en fl. 7,8 mln staat open. De belanghebbende: fl. 8,2 mln schuld, waarvan fl. 13.000 betaald, fl. 68.000 verrekend en fl. 8,1 mln openstaat. De belanghebbende en de B.V. zijn failliet. Wat de inning betreft zitten wij hier voor des keizers baard.

Hof: Wat is er gebeurd met de omzetbelastingzaken?

I: De naheffingsaanslagen zijn opgelegd, er is bezwaar gemaakt en er is uitspraak gedaan, maar geen beroep ingesteld. Het betreft ± fl. 3 mln inclusief boetes en rente.

I: De pleitnota van de belanghebbende heb ik per fax ontvangen. Ik heb geen bezwaar tegen overlegging van de bijlagen. Ik neem kennis van de brieven van de curator van 2 juni 1999, 22 juni 1999 en 23 juni 1999. Ik heb geen bezwaar tegen overlegging. Ik heb geen bezwaar tegen overlegging van de brieven van de belanghebbende van 21 juni 1999 en 22 juni 1999 met bijlagen.

B: Ik ken de brief van 22 juni 1999 van de curator, maar die van 23 juni 1999 niet. Die zal ik van hem krijgen. Die stukken kunnen tot de gedingstukken worden gerekend. De brief van de Inspecteur van 18 juni 1999 met bijlagen kunnen tot de gedingstukken worden gerekend.

Hof: Inzake de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. De termijn voor de motivering liep tot 18 november. Op 17 november komen 36 bladzijden binnen. Op 18 november ontvangt de Inspecteur een volledig exemplaar van de curator. Een half jaar later besluit de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof is voorlopig van oordeel dat het bezwaar niet niet-ontvankelijk is.

I: De vermogensbelasting is niet gemotiveerd.

Hof: Het bezwaar tegen de aanslag vermogensbelasting 1993 is wél gemotiveerd. De jaren 1994 en 1995 zijn anders. Wat betreft de omkering van de bewijslast wordt gesteld dat de belanghebbende vragen niet heeft beantwoord. De belanghebbende stelt de stukken niet te hebben. Het Hof krijgt het beeld dat de belanghebbende wel volledig inzagerecht en kopierecht had, zij het onder toezicht.

B: Dat is hetgeen de officier van justitie stelt. Ik heb daar gezeten met ambtenaren in mijn nek die steeds vragen stelden. Dat was een verkapt verhoor. De controleverslagen zaten er niet bij. Uit het feit dat bij de curator geen vorderingen zijn ingediend kan toch worden afgeleid dat alles betaald is?

Hof: Waar is de brief van de officier van justitie van 20 september 1996?

I: Die leg ik over.

B: Geen bezwaar tegen overlegging.

B: Ik moet toch het dossier van F in kunnen zien? Dat is afgewezen in verband met onderzoeksbelang. Met betrekking tot het horen merk ik op, dat daaraan niet is voldaan.

Hof: Naar ons voorlopige oordeel moet u serieus rekening houden met omkering van de bewijslast. U had voldoende toegang tot de stukken en u heeft niets gedaan. Let wel, het betreft hier een voorlopig oordeel.

B: Ik heb wel iets gedaan, maar dat werkte niet.

Hof: Er zijn ook vragen waarop u zonder stukken wel antwoord had kunnen geven en ook dat heeft u niet gedaan. U had toegang tot de stukken en daaraan doet niet af dat de voorwaarden daarvoor u niet aanstonden. Inspecteur, het Hof heeft niet de uitstelbrief van 23 september 1996 die wordt genoemd in de uitspraak inzake de vennootschapsbelasting 1991.

I: Deze leg ik over.

B: Geen bezwaar tegen overlegging.

Hof: Het aangegeven vermogen in vermogensbelasting 1991 is fl. 418.000. Daartegen is wel een gemotiveerd bezwaar ingediend. Is een vermindering verleend?

I: Nee, dat had moeten gebeuren, maar is niet gebeurd.

Hof: Door de belastingschulden verdampt toch de hele correctie?

I: Zodra de aanslagen onherroepelijk komen vast te staan zal dat zo zijn.

Hof: Voor 1994 geldt hetzelfde. Aanslag over 1995 is conform de aangifte opgelegd, desondanks is er toch bezwaar ingediend. Zullen wij de vermogensbelasting 1991 en 1992 terugbrengen naar de aangifte onder de toezegging van de Inspecteur dat deze, indien de uitkomst over 1991 en 1992 daartoe aanleiding geeft, nog een verdere vermindering zal verlenen?

I: Akkoord.

B: Akkoord. Ik claim dienaangaande geen vergoeding van proceskosten.

Hof: Belanghebbende, op blz. 1 van het beroepschrift lijkt u te stellen dat de Inspecteur niet bevoegd is.

B: De ambtenaar die de navorderingsaanslag heeft opgelegd mag niet tevens uitspraak op bezwaar doen. Ik wilde dat nog nader uitzoeken.

Hof: Dat leidt niet tot vernietiging.

B: Er heeft nu niet iemand met een frisse blik naar de zaak gekeken.

I: Er is steeds overleg geweest met twee collega's. Bovendien had de curator daartegen geen bezwaar.

Hof: Ook het niet horen leidt niet tot vernietiging van de aanslag. Bovendien heeft de Hoge Raad voor de WARB uitdrukkelijk beslist dat wij de zaak niet mogen terugwijzen. Nu meer inhoudelijk: voor 1991 zijn er al 38 geschilpunten. Deze variëren van fl. 50.000 tot fl. 150.000 per geschilpunt. Het Hof wil dan ook 1992-1994 in de ijskast plaatsen en vooralsnog alleen 1991 behandelen. F zit in 1991 en dat is een grote correctie. Ook indien de bewijslast zou worden omgekeerd moet de belanghebbende in staat worden gesteld bewijs te leveren. Het zeuren om stukken moet afgelopen zijn, dat moet geregeld worden.

I: Het getuigenaanbod van S vervalt, nu zijn verklaring is overgelegd. In reactie op de pleitnota van de belanghebbende: de termijn begint niet te lopen op 8 november.

Hof: U kent reeds ons voorlopige oordeel. De belanghebbende krijgt de gelegenheid alsnog bewijs te leveren. De belanghebbende moet reageren voor inkomsten- en vennootschapsbelasting 1991 tezamen. Daarna komt 1992 aan de orde en als dat af is 1993.

I: Dit verbaast mij. De belanghebbende probeert de hele tijd uitstel te krijgen en dat wordt door het Hof verleend.

Hof: Tot nu toe hebben beide partijen zich vastgebeten in de formele kant. De materiële kant van de zaak is zwaar onderbelicht gebleven. De belanghebbende voert bijvoorbeeld verweer tegen de correctie F. De controleambtenaar rept daar niet over en merkt het bedrag als inkomen aan. De Inspecteur baseert zich geheel op de omkering van de bewijslast omdat vragen niet zijn beantwoord of de administratie ondeugdelijk is.

I: De belanghebbende heeft tot op de dag van vandaag geen vragen beantwoord. Het uitstel verbaast mij. De administratie is volstrekt ondeugdelijk op essentiële punten, bijvoorbeeld R. Wat zeggen stukken uit de administratie dan nog? Zie bijvoorbeeld T: zij heeft fl. 100.000 minder teruggekregen dan zij aan de belanghebbende heeft betaald.

Hof: Voor de kwestie inzake T is misschien wel fl. 800.000 bijgeteld, terwijl de verklaring zegt dat er fl. 100.000 aan is overgehouden.

I: Dit roept dan weer de vraag waarvan de terugbetaling is geschied. De ene vraag roept de andere op. De belanghebbende heeft nooit inzage in de stukken willen hebben. Hij heeft al jaren de gelegenheid gehad de stukken in te zien.

B: De Inspecteur heeft snel uitspraak op bezwaar gedaan. Ik heb toch niet jaren de tijd gekregen?

I: De belanghebbende heeft de door mij gestelde vragen niet beantwoord, hij heeft daar geen moeite voor gedaan. Hij wendt zich niet eens tot de officier van justitie.

B: De Inspecteur heeft geen oog voor de realiteit. Ik had duizenden dossiers. Ik had bovendien wel wat anders aan mijn hoofd.

Hof: Als er geld van F is dan doet de belanghebbende dat toch niet voor niets?

B: Er zijn toch declaraties? Ook voor T zijn er declaraties. Ik ben aangepakt door drie rechtszaken.

Hof: Het cijfermatige gegoochel is niet goed te volgen. U dreigt slachtoffer te worden van uw eigen rookgordijn.

B: Ik had geen rookgordijn. F bleef risico lopen dat de Inspecteur aanslagen op zou gaan leggen. Hij heeft met de Inspecteur een compromis bereikt om fl. 35.000 te betalen. Er is niet gegoocheld inzake F.

Hof: Ergens moet toch de schuld aan F op de balans verschijnen?

I: F zegt dat de 5 ton niet van hem zijn. De transactie van 500.000 DM zegt mij niets. F heeft dat keer op keer verklaard. Ik weet niet van wie het geld is. En als ik dat niet weet tel ik het bij. De bewijslast ligt bij de belanghebbende. Hij heeft rente niet verantwoord en andere bedragen niet aangegeven. Daarmee heeft hij onjuiste aangifte gedaan.

Hof: De uitspraak die wij gaan doen moet wel stand houden. Daarom zal het Hof de belanghebbende in de gelegenheid stellen nader bewijs te leveren. Als er sprake is van witwassen dan vloeit niet alles aan de belanghebbende toe, maar heeft hij waarschijnlijk een goede provisie genoten. Het is niet uitgesloten dat een groot aantal correcties stand houdt. Maar is de aanslag in de huidige vorm niet een overkill? En u, belanghebbende, hoe ziet u de einduitkomst?

B: Ik was niet wit. In 1991 ben ik vrij gelaten uit de gevangenis in Frankrijk. Sindsdien woon ik in Nederland.

Hof: Staan er schulden op de balans?

B: Ja.

I: Die balans had de belanghebbende allang aan mij kunnen overleggen.

Hof: Als F helemaal schoon is door een compromis dan had hij daarmee gewoon aangifte kunnen doen.

I: Blz. 3 van bijlage O: V zegt daar dat tonnen kwijt zijn die niet te traceren zijn.

Hof: Is de bestuurdersaansprakelijkheid ingeroepen?

I: Faillissement loopt nog. Curator heeft gezegd dat hij er wel over dacht.

Hof: De Ontvanger kan dat toch ook?

I: Niet bij faillissement.

Hof: Van de aanslagen gaat misschien iets af, maar waarschijnlijk geen grote bedragen.

B: Ieder bedrag zal ik in de toekomst moeten terugverdienen. Ik geef geen commentaar op de vraag of ik nog meer heb.

Hof: U zult levenslang nog aan de fiscus moeten betalen.

B: Dat zal zo zijn.

Hof: Tenzij u de fiscus iets kunt bieden.

B: Daarop heb ik geen commentaar. Ik heb niets aan te bieden. Als ik ergens nog iets had dan waren zij daar allang achter gekomen. Ik vind het erg dat er zoveel is misgegaan. Ik blijf doorvechten. Ik bijt mij erin vast.

Hof: Die strijdlustige houding zien wij niet terug in de stukken.

B: Zoals u daarstraks heeft gezegd heb ik mij ook vastgebeten in de formele aspecten. Om mij te verdedigen moet ik daartoe wel de gelegenheid krijgen. Ik ben bijvoorbeeld vrijgesproken voor de leaseauto. De processtukken brachten op dat punt uiteindelijk de oplossing.

I: Ik heb mij niet alleen op de formele aspecten vastgebeten. Mijn zeer uitgebreide brief van maart 1997 is een resultaat van twee weken overleg met de accountant.

Hof: Is het getuigenaanbod van blz. 41 'eerste reactie' door F en W gericht aan het Hof?

B: Ja, Ik weet dat W regelmatig in Nederland is en dat, als hij opgeroepen wordt, hij dan komt.

Hof: Wij weten nog niet of wij de getuigen zullen oproepen.

B: Ik zal hem vragen te komen.

Hof: Het Hof heeft zich beraden op het bezwaar van de Inspecteur dat de belanghebbende nog gelegenheid zou krijgen bewijs te leveren. Het verzoek van de belanghebbende om deze gelegenheid te krijgen is niet alleen van processuele aard. Hij wil die gelegenheid ook krijgen om aan te tonen dat de aanslagen te hoog zijn. Stel dat het verhaal van F waar is, dan dreigt dubbele heffing. En met betrekking tot het Zwitserland-verhaal geldt dat tegenover een opname een storting kan staan. Of er overtuigend kan worden aangetoond dat de opnamebriefjes dezelfde zijn als de stortingsbriefjes is de vraag.

I: En wat gebeurt als de belanghebbende de stukken niet wil inzien?

Hof: Dat blijft niet zonder consequenties voor de belanghebbende. Ook de Inspecteur heeft er belang bij dat de belanghebbende over de stukken kan beschikken. U kunt daarin bemiddelen bij de officier van justitie.

I: Dat is juist. In een andere zaak kreeg de belanghebbende kort na ons advies inzage.

B: Dat betrof inzage in 13 ordners in de zaak M.

I: Mijn indruk is dat de belanghebbende meer heeft. Hoe kan hij anders weten hoe, wanneer en tot welke bedragen is gestort en opgenomen enz?

Hof: De belanghebbende krijgt tot 1 september 1999 de tijd om voor alle resterende aanslagen nader bewijs te leveren. Hij moet post voor post aangeven waarom die correctie ten onrechte is geschied. Voor 1991 zijn dat al 39 posten. De belanghebbende heeft al inzage- en kopierecht. Het is niet ideaal, maar daar kan het Hof niets aan doen. De reactie van de belanghebbende gaat voor antwoord naar de Inspecteur. Daarna komt een nieuwe zitting en daar kan de belanghebbende getuigen meebrengen, zoals F, W en andere getuigen. Van die getuigen wordt u verzocht bij brief aan het Hof opgave te doen.

B: Op uw vraag deel ik u mede geen bezwaar meer te hebben tegen de overlegging van de conclusie van dupliek.

Mondelinge behandeling 14 juni 2002

Hof: Tijdens de eerste mondelinge behandeling was de Kamer samengesteld uit mr. J.A. Meijer, mr. G.J. van Muijen en mr. M.E. van Hilten en tijdens de tweede mondelinge behandeling uit mr. J.A. Meijer, mr. M.E. van Hilten en mr. drs. P. Fortuin. De zaak wordt gelijktijdig behandeld met 97/20484.

Partijen: verklaren geen bezwaar tegen deze wijziging te hebben.

B: Ik heb F meegenomen als getuige.

Hof: Wilt u F meer laten verklaren dan uit de stukken al blijkt?

B: F kan verklaren dat alle geleende gelden zijn terugbetaald.

Hof: Dat is voor 1991 niet relevant, maar alleen voor latere jaren.

I: Ik bestrijd de terugbetaling niet.

Hof: Het Hof wil zich concentreren op de Zwitserse rekening. Hoe is het verloop van die rekening? Daarvoor is een complete analyse van de rekening van F nodig.

B: De heer F is dan niet nodig als getuige.

Hof: Over de Zwitserse rekeningen zegt de Inspecteur dat er 2,048 mln is gestort en 2,430 mln opgenomen. De Inspecteur ziet een gat van 3 ton. Zie ook blz. 19 en 20 van de nadere motivering van de belanghebbende.

B: Voor het jaar 1991 stond er een bedrag op de rekening.

Hof: De eerste stortingen van F zijn op 15 april 1991, ook al is de rekening in 1990 geopend. Zie bijlage 4 van de bijlagen bij de nadere motivering.

B: Dat zijn alleen de Spaanse peseta's.

Hof: Aan deze rekening hingen ook Duitse marken, Hollandse guldens en deposito's.

B: Wat ik niet heb kan ik niet laten zien.

Hof: U moet dat wel uitzoeken. Dat kunt u voor de volgende zitting dan uitzoeken. Dan een volgende kwestie: In de nadere reactie schrijft de Inspecteur dat hij de storting wel gelooft, maar dat hij vragen heeft bij de overige stortingen van 53.624.000 peseta's.

B: Er zijn niet meer peseta's binnengekomen dan op die rekening staan.

Hof: De Inspecteur wijst op een gat. Daar moet u een verklaring voor geven. De verschillende stortingen en opnames hebben allemaal verschillende namen. De Spaanse rekening zou geen rente opleveren, maar ergens staat 13%. Is dat een deposito?

B: Ik heb peseta's gehad, daar heb ik door middel van een deposito wat mee gespeeld. Het kan zijn dat vanuit het deposito geld op de moederrekening is gekomen.

Hof: Het Hof wil geen dagafschriften. Het Hof wil een sluitend en systematisch overzicht. Daaruit kan blijken wat de kasopnames moeten zijn geweest. Ook dat moet u aanleveren voor de volgende zitting. Belanghebbende moet voorts ingaan op de nadere reactie van de Inspecteur op blz. 4 en 5 met betrekking tot het bedrag ad fl. 111.480; zie ook de blz. 6 en 7.

B: Wat mogelijk is dat op één dag op en neer wordt gegaan naar Genéve en dat op dezelfde dag is gestort en opgenomen.

I: Het is algemeen bekend dat bij de boekingen er altijd enige dagen overheen gaan. De opnamedatum is 23 mei en het is geboekt op 22 mei. Dat is gebruikelijk en geeft de bank één dag extra. Het blijft de vraag of het om hetzelfde geld gaat. De belanghebbende boekt nu ook anders dan de werkelijkheid was. De belanghebbende verwijst naar eerdere stortingsstukken die een eerdere datum hebben. Dat kan niet kloppen. Het kunnen niet terugbetalingen van het F-geld zijn. Zie blz. 7 van reactie: ik betwist dat.

B: Ik heb F in die jaren regelmatig consult gegeven.

Hof: Dat mag u nog nader uitleggen. Geld komt pas op 15 april terug terwijl de tegenboekingen van januari zijn. De Inspecteur heeft op blz. 8 van zijn nadere reactie gevraagd inzake de stelling dat bepaalde stortingen afkomstig zijn van diverse bronnen. Daar moet de belanghebbende ook op reageren. De enige opnames lijken op 25 en 26 april en op 23 mei te zijn. De belanghebbende moet een staffeltje geven van alle opnames op die data en van de data van de afboekingen met betrekking tot de bestedingen in Nederland (zie daartoe produktie 4 van de belanghebbende).

Inspecteur, op blz. 12 van het nadere geschrift neemt u de correctie van F ten dele terug, namelijk fl. 474.000. Op blz. 11 noemt u fl. 557.750. Is het verschil omzetbelasting?

I: Dat klopt.

Hof: Bijlage E, blz. 4 bevat specificaties. Eén na onderste regel op die specificatie: 69.064 Zwitserse francs opname. Op blz. 9 van het controlerapport ten aanzien van de heer L zelf geeft als bedrag 69.150 Zwitserse francs. Het zou kunnen dat die storting met de opname aansluit.

I: Daarvoor moet ik de stukken nakijken.

Hof: In strafrechtelijke zaak heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof bevestigd. De beslissing ziet alleen op de rente vanuit Zwitserland.

I: Ik geloof niet dat dat juist is, zie blz. 8 van de nadere bewijsmiddelen. R speelt ook.

Hof: Kan het arrest van het Hof van 21 juni 2000 en het arrest van de Hoge Raad van november 2001 tot de stukken gerekend worden?

Partijen: Akkoord.

I: Het gaat ook om de rente AA. In de nadeelberekening ziet u achteraan een bedrag van fl. 25.760, rente AA fl. 5.000, en R fl. 315.000. Dit betreft alleen het Spaanse tegoed, meer wisten wij toen niet.

Hof: In de stukken die wij over 1991 hebben komt helemaal geen rente voor. Rente Van den AA niet in geschil?

B: Ik weet het zo niet. De Zwitserse rente wordt door mij wel betwist.

Hof: Er zijn later overeenkomsten gemaakt waarin u leningen hebt gesloten met F. Dan komt u rente toe.

I: De belanghebbende zegt in strafzaak dat de rekening van hemzelf is. Ik betwist niet dat rente dan aftrekbaar is bij F. De belanghebbende verklaart in strafzaak zelf dat rente Van den AA door hem is genoten, evenals de rente op de Zwitserse bankrekening en de stortingen afkomstig van de derdenrekening.

B: Correctie Zwitserse rente ad fl. 25.567 en rente AA ad fl. 5.250 betwist ik niet meer.

Hof: Inzake R-kwestie is strafrechtelijk bewezen verklaard dat u inzake R-kwestie gelden aan de boedel hebt onttrokken. Naar het voorlopige oordeel van het Hof heeft de belanghebbende een onjuiste aangifte gedaan, zowel voor de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting, met omkering en verzwaring van de bewijslast ten gevolge.

B: Het is een groot bedrag dat ik niet heb aangegeven, maar gezien de correctie van de Inspecteur maar 10% daarvan.

Hof: Gezet tegenover de aangifte is het een absoluut en relatief groot bedrag. U had ± fl. 61.000 aangegeven. Hoe denkt u nu over de zaak?

B: Voor R enz. ben ik aanvankelijk veroordeeld tot vier jaren. De Raad van Toezicht heeft mij voorgoed geschrapt als advocaat. Hof van Discipline heeft mijn verzet ongegrond verklaard. Ik ben geschrapt als advocaat. Ik weet niet of dat uiteindelijk voorgoed is. Ik heb 18 maanden onvoorwaardelijk boven mijn hoofd hangen.

I: Dat is volgens mij meer, zie het onlangs gewezen arrest.

B: Dan weet u dat beter dan ik.

Hof: Wat is er gebeurd met de B.V.'s?

B: Beheer wacht op faillissement. Als er geld in zit dan gaat dat naar de curator. Dan lopen er ook nog ontnemingsvorderingen voor R enz. Voor één van die vorderingen dient het hoger beroep op 18 april a.s..

Hof: Blz. 31 en 32 van de nadere motivering: fl. 10.000 gestort op andere Zwitserse rekening. Is dat als omzet advocatenkantoor geboekt?

B: Dat weet ik nu niet.

I: Op blz. 12 bovenaan heb ik daarover geschreven. Uit bijlage C bij het vertoogschrift op blz. 15 blijkt dat wij dat bedrag hebben gecorrigeerd.

Hof: Eerst moeten wij weten onder welke noemer dat bedrag is gecorrigeerd. Van de belanghebbende verwachten wij antwoord op de hiervoor gestelde vragen. Tevens moet de belanghebbende het volgende aanleveren:

1) Compleet overzicht van de Zwitserse bankrekening. Hiervan de overboekingen, stortingen en opnamen en de rente, ook van de gekoppelde rekeningen. Hieruit moet blijken wat per saldo netto is opgenomen en het moet duidelijk worden of er genoeg uit Zwitserland kwam voor het geld dat in Nederland is uitgegeven. Het gaat hierbij om de bedragen en tijdstippen. Hiertoe dient u de bewijsstukken te overleggen.

2) Inspecteur dient duidelijkheid te verschaffen over de kwestie inzake de eerder genoemde Franse francs 69.000. Misschien verklaart dat het door de Inspecteur geconstateerde gat.

De belanghebbende krijgt twee maanden de tijd en daarna kan de Inspecteur reageren.

Mondelinge behandeling 17 maart 2005

Hof: Bij aanvang deelt de voorzitter mede, dat de samenstelling van de Kamer is gewijzigd. Tijdens de tweede mondelinge behandeling was de Kamer samengesteld uit mr. J.A. Meijer, mr. M.E. van Hilten en mr. drs. P. Fortuin en tijdens de derde mondelinge behandeling uit mr. drs. P. Fortuin, mr. A. Bijlsma en mr. G.D. van Norden. De zaak wordt gelijktijdig behandeld met 97/20484.

Partijen: Verklaren geen bezwaar te hebben tegen deze wijziging.

Hof: De laatste zitting is uitgemond in een aantal vragen. De belanghebbende had twee maanden de tijd om te reageren. Er is nooit gereageerd.

B: Ik heb een gevangenisstraf van 27 maanden uitgezeten. Situatie is zo gewijzigd, dat het mij zo veel moeite kost om door de molen heen te komen. Ik heb pas december 2004 een afschrift van leningovereenkomst ING gehad.

Hof: De detentie is nu afgelopen. Wat wilt u nu nog? Wilt u nog een keer schriftelijk reageren.?

B: De griffier heeft mij medegedeeld dat er geen proces-verbaal is gemaakt van de vorige zitting. Ik weet niet precies meer wat ik moet doen. Heer F kan alle vragen beantwoorden over zijn gelden. Andere getuigen kan ik niet vinden. Een getuige is overleden. Andere kan ik niet lokaliseren.

Hof: De WARB voorziet niet in een proces-verbaal van de zitting. Wilt u F weer laten verklaren dat hij al zijn geld heeft teruggekregen?

B: Ja en dat de rekeningen allemaal betaald zijn. Al zijn geld heeft hij teruggekregen. Niets is blijven hangen.

Hof: De Inspecteur heeft niet betwist dat betalingen zijn terugbetaald.

I: De correctie F zal ik laten vallen.

Hof: Volgens onze aantekeningen was F de vorige keer beschikbaar als getuige. Er heeft geen getuigenverhoor plaatsgevonden gezien de stellingname van de Inspecteur.

Hof: De belanghebbende wil nog nader de tijd om bewijs te leveren. Eerste zitting al aan de orde hoe het zit met invordering. Hoe staat het met de invordering?

I: Slecht. Bij de vennootschap lukt het al helemaal niet. De heffing staat los van invordering.

Hof: Aan het dossier zitten toch wel wat haken en ogen. Bijvoorbeeld de boete.

I: Ik heb daar niks over toe te voegen. Stukken spreken voor zich. Die bevestigen wat wij tot nu toe hebben gedaan.

Hof: Voorvraag is of boete zoals die nu is opgelegd, zo opgelegd had moeten worden. De zaak is erg ongelukkig gelopen, waarvoor excuses. Het Hof is bereid de belanghebbende een termijn te geven alsnog te reageren op schriftelijke reactie van Inspecteur. Daarbij zijn de specifieke vragen van de vorige zitting relevant. Termijn zal beperkt zijn. Het Hof wil u een termijn van 8 weken gunnen om een schriftelijke reactie in te dienen. Hierop kan de Inspecteur zijn reactie geven. Daarna zal laatste zitting plaatsvinden.

I: Dat is precies hetzelfde als op de vorige zitting is afgesproken. Ik heb daar echt bezwaar tegen. Ik wil dat dit aangetekend wordt.

Hof: Die beslissing is aan het Hof.

B: Ik wil graag weten wat de vragen zijn.

Hof: U krijgt de gelegenheid om bewijs te leveren. Het feuille van vorige keer lopen wij door. Aandacht was gericht op Zwitserse bankrekening.

- U heeft de vraag gekregen om het verloop aan te geven van de Zwitserse rekening.

- Storting 53 miljoen peseta's.

- Stortingen van heer F 15 april en tegenboeking januari 1991.

- Verklaring van fl. 111 .480,= storting 23 mei 1991 pagina 19 en 20 van uw eigen reactie. Bedrag van fl. 2.048.000,= ontvangen. Cashopnames en overboekingen fl. 2.330.000,=. Gat van fl. 300.000,= moet verklaard worden.

- Er schijnt ergens in de stukken een bedrag van 13% te staan, terwijl de Spaanse rekening geen rente oplevert. De vraag aan u is waar 13% rente vandaan kwam. U heeft verklaard dat dat best geld kan zijn dat van een deposito van de moederrekening is gekomen.

- Kwestie reactie Inspecteur op pagina 7 inzake F. Dat kan denk ik alleen nog indirect van belang zijn. Betalingen van of aan F. Inspecteur zegt dat het ging om betalingen aan F. Vorige keer werd niet duidelijk waar het nou precies om ging.

- Blz. 8 reactie Inspecteur. Scala van allerlei stortingen. In dat kader is geconcludeerd dat duidelijk moet worden dat dat daadwerkelijk de opnames zijn geweest. ING-lening fl. 500.000,= enzovoort zit daar ook in.

- Uit stortingen blijkt ook dat 25 en 26 april en 23 mei de enige opnames zouden zijn. Wat is er met dat geld gebeurd en wat zijn uw bestedingen geweest in Nederland?

Uit die informatie zou een totaalbeeld kunnen voortvloeien hoe het is gelopen. Wat u met geld heeft gedaan. Hoeveel u over heeft gehouden voor besteding. De bijbehorende tijdstippen. Dat is wat aan de orde is geweest. U heeft uw eigen stukken en reactie Inspecteur 2001. Daar moet u het beeld van geven binnen 8 weken.

Wij ontvangen dat en zenden het door. Dan volgt een reactie van de Inspecteur. Wij zullen nog een keer zitting houden. Dan wordt de zaak afgesloten.

Hof: Dan hebben we nog de opvolgende jaren. Wij wijzen u erop aandacht te geven aan invordering. Als we volgende jaren gaan behandelen, stelt u die dan aan de orde.

I: Wij laten ons niet leiden door vraag of we iets wel of niet moeten doorzetten aan de hand van invordering. Ik zit hier ook niet voor mijn plezier. Het zijn allemaal al lang oninbare posten geworden. Ik zit hier omdat de heer L wil procederen.

B: Ik betaal € 100,= per maand.

Hof: Het zou bevredigend zijn, als we daar iets van zouden kunnen zien.

I: Ik ga geen interne stukken met Ministerie overleggen. Als ik zoiets zou vragen zou de staatssecretaris van Financiën me zeer verbaasd aan kijken, op zijn zachtst uitgedrukt. Ik ga geen stukken van de Staatssecretaris overleggen.

Hof: Berust u nou niet meteen in het aan u opgelegde beleid.

B: Ik wil best naar andere oplossing kijken. Aanslagen tot een bepaald bedrag accepteren. Kijken wat ingevorderd kan worden. Ik kan een baan vinden.

I: Ik wil daar op reageren. Ik heb gisteren een voorstel tot minnelijke regeling gehad van heer L. Ik had geen zin om daar op te reageren. De heer L is in 2003 opnieuw opgepakt voor fiscale fraude. Dat ging om sigarettensmokkel. Zijn fiscale houding is niet verbeterd. Ik had geen zin om nu op een voorstel in te gaan.

B: Dat is geen belastingfraude. Ik ben veroordeeld voor lidmaatschap van een vereniging die sigaretten smokkelt.

Hof: De belanghebbende reageert binnen 8 weken, dan sturen wij zijn reactie door.

Mondelinge behandeling 15 september 2005

Hof: De behandeling vindt in het openbaar plaats voor zover het verhoging betreft. Excuses dat het Hof vandaag later is begonnen. Dat komt doordat de heer L vanochtend een stapel stukken heeft overgelegd bij de infobalie, waarna hij spoorloos is verdwenen. Wij hebben navraag gedaan bij de griffie of belanghebbende op enigerlei wijze contact heeft proberen te leggen. Dat is niet gebeurd. De griffier heeft tevens naar de belanghebbende gebeld, maar is er niet in geslaagd met de belanghebbende contact te krijgen. De belanghebbende is overigens wel correct door de griffier opgeroepen. De zitting kan derhalve wel doorgang vinden. De zaak wordt gelijktijdig behandeld met 97/20484.

I: Ik ben belanghebbende inderdaad vanochtend tegengekomen bij binnenkomst. Hij verliet op dat moment het Paleis van Justitie.

Hof: Wat vindt u van de vandaag door de belanghebbende bij de infobalie overgelegde stukken?

I: Ik wens geen kennis te nemen van deze stukken gelet op de gehele gang van zaken in deze reeds lang lopende procedure. De belanghebbende heeft alle mogelijkheid gehad eerder bewijs te leveren en hij heeft alle gestelde termijnen overschreden. Ik wil niet dat deze stukken tot het dossier gaan behoren.

Hof: Dat kan het Hof zich voorstellen. De stukken worden terzijde gelegd en behoren niet tot de gedingstukken. Wat betreft de verhoging: bent u niet bereid die te laten vervallen?

I: De 100%-verhoging kan - het totaalbedrag in ogenschouw nemende - voor wat betreft de IB vervallen.

Hof: Ook speelt overigens nog de omstandigheid dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn terzake van de verhoging. Heeft het strafrechtelijke beslag plaatsgevonden begin 1995?

I: De eerste actie was inbeslagneming in januari 1995, dat klopt.

Ambtshalve verminderingen hebben nog niet plaatsgevonden.

Hof: Dat moet u ook niet meer doen. Het Hof zal dit opschrijven.

In een brief schrijft u dat u voor wat betreft fl. 970.594 (storting Zwitserse bankrekening) een nadere verklaring wil. Hoe komt u aan dit bedrag?

I: Dit moet in het controlerapport zijn vermeld.

Hof: Pag. 20 IB-rapport, vermindering moet zijn fl. 557.750. fl. 557.750 x 18,5/118,5 is f1. 87.074; fl. 557.750 minus fl. 87.074 is fl. 470.676;

I: Dat klopt.

Hof: pag. 20 IB-controlerapport: fl. 60.000 (zie 4b la, pag. 8

controlerapport). Dit is een correctie in de IB met betrekking tot winstuitdeling, dat zie ik echter niet terug in de VPB. Hoe komt dat? Van opname gelden van derden is wel sprake alleen dit is niet

fl. 60.000.

I: Mijn eerste reactie is dat dit ten onrechte in de VPB niet is

meegenomen. Ik kan de bedragen op dit moment niet zo terugvinden.

Hof: Dat is inderdaad vreemd nu dit op het eerste gezicht niet is meegenomen.

I: fl. 60.000 (winstuitdeling rekening derdengelden); deze correctie laat ik vallen.

Hof: En het bedrag van f1. 970.594? Wat moet daarmee gebeuren?

I: Met het bedrag van f1. 970.594 heb ik heel wat meer moeite. De belanghebbende zou makkelijk moeten kunnen uitleggen waar dit vandaag komt, maar tot nu toe heeft hij hier geen uitleg over gegeven.

Hof: Het bedrag van f1. 970.594 betreft stortingen op Zwitserse bankrekeningen. Hetgeen u nu noemt betreft geldopnames. Kijkt u op pagina 19 van het verweer van de belanghebbende. Betalingen 22-7 tot en met 30-6 resulteren niet in het door u genoemde bedrag.

I: Ik kan dit punt niet zomaar weggeven.

Hof: Stelt u dat sprake is van omkering bewijslast gelet op de gebrekkige administratie? De heer L weerspreekt dit.

I: Ik heb deze stelling voor 1991 niet nodig. De belanghebbende heeft niet de vereiste aangifte gedaan. Ik laat deze stelling daarom varen.

Hof: Het Hof zal in beide zaken schriftelijk uitspraak doen.

3.4. Conclusies van partijen

De belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de navorderingsaanslag zonder verhoging naar een belastbaar inkomen van fl. 137.837. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vermindering van de navorderingsaanslag naar één met een belastbaar inkomen van fl. 2.348.008 en het laten vervallen van de verhoging.

4. Overwegingen omtrent het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1. Blijkens de onder 1.10 vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging op 28 juli 2005 uitgereikt. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de mondelinge behandeling te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Op grond van het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de mondelinge behandeling van 15 september 2005 te verschijnen op regelmatige wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Vooraf

4.2. De belanghebbende heeft vlak voor de aanvang van de vierde mondelinge behandeling stukken afgegeven aan de infobalie van het Paleis van Justitie te 's-Hertogenbosch. Kennelijk heeft hij - mede gelet op door de Inspecteur tijdens de vierde mondelinge behandeling afgelegde verklaring - daarna spoorslags het Paleis van Justitie verlaten. De Inspecteur heeft gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de overlegging van de stukken. Gelet op de omstandigheid dat de belanghebbende meermalen door het Hof in de gelegenheid is gesteld stukken te overleggen en bewijs te leveren en de belanghebbende van deze gelegenheden tot twee keer toe geen gebruik heeft gemaakt en mede gelet op de onder 1.9 vermelde brief van de griffier aan de belanghebbende, waarin onder meer is vermeld dat hij tot tien dagen voor de vierde mondelinge behandeling stukken kon insturen, is het Hof van oordeel dat het belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt dan het belang dat de belanghebbende heeft bij alsnog kunnen overleggen van de stukken. De vorenbedoelde stukken worden niet tot de gedingstukken gerekend.

Vraag I

4.3. Gelet op het bepaalde in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Inspecteur de bevoegdheid een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren indien dit niet (tijdig) is gemotiveerd. Naar het oordeel van het Hof heeft de belanghebbende vóór het verstrijken van de door de Inspecteur gestelde termijn serieus getracht de door hem opgestelde motivering van het bezwaar geheel per fax te doen toekomen. Kennelijk is dit door technische problemen met de fax niet geheel gelukt, nu gelet op de overhandiging van de motivering van het bezwaar met bijlagen door de curator op de daarop volgende dag de enige reden in het niet tijdig aanleveren van de volledige motivering gelegen was in het falen van het faxapparaat. Voorts voldoet volgens de Inspecteur de overhandigde motivering als een motivering van het bezwaarschrift. Onder deze omstandigheden mocht de Inspecteur in het onderhavige geval redelijkerwijs geen gebruik maken van zijn bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

4.4. Vraag I moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag II

4.5. De stelling van de belanghebbende dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, omdat de ambtenaar die de navorderingsaanslag heeft opgelegd tevens uitspraak op bezwaar heeft gedaan faalt, daargelaten de juistheid van deze stelling. Artikel 10:3 van de Awb is eerst per 1 januari 1998 in werking getreden, Stb. 1997, 581. Nu de uitspraak op bezwaar op 2 mei 1997 is gedagtekend noopte geen wettelijke regel tot het doen van de uitspraak op bezwaar door een ander dan degene die tevens de navorderingsaanslag heeft opgelegd.

4.6. Vraag II dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag III

4.7. Het Hof kan en zal in het midden laten of de belanghebbende ten onrechte niet is gehoord tijdens de bezwaarfase, omdat zelfs indien de belanghebbende ten onrechte niet is gehoord, zoals de belanghebbende stelt, doch de Inspecteur gemotiveerd betwist, daaraan niet het gevolg kan worden verbonden dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. Immers, op onderhavige procedure is de WARB van toepassing. Volgens vaste jurisprudentie onder deze wet kan het niet horen niet leiden tot een terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur (arrest van de Hoge Raad van 25 maart 1998, nr. 33 199, onder meer gepubliceerd in BNB 1998/157 en van 16 december 1998, nr. 33 395, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/225).

4.8. Vraag III dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag IV

4.9. De stelling van de belanghebbende dat hij tijdens de bezwaarfase geen inzage zou hebben gekregen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 7:4 van de Awb, welke stelling door de Inspecteur gemotiveerd is betwist, kan en zal het Hof in het midden laten, omdat indien deze stelling juist zou zijn daaraan niet het gevolg kan worden verbonden dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. Hiervoor verwijst het Hof naar de onder 4.7 vermelde jurisprudentie. Bovendien overweegt het Hof dat het Hof de belanghebbende tijdens de procedure meermalen in de gelegenheid heeft gesteld de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien, ook indien en voor zover deze nog onder het openbaar ministerie zouden berusten. Van deze tijdens de tweede en derde mondelinge behandelingen geboden mogelijkheden heeft de belanghebbende geen gebruik gemaakt.

4.10. Vraag IV dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag V

4.11. Het Hof stelt met betrekking tot de beantwoording van vraag V voorop, dat ingevolge artikel V van de Wet van 29 oktober 1998, Stb. 1998, 621 voor het onderhavige jaar artikel 29 van de AWR van toepassing is in de voor dat jaar geldende tekst, nu het bezwaar en het beroep tegen de navorderingsaanslag zijn ingediend voor de inwerkingtreding van die wet.

4.12. De belanghebbende heeft tijdens de tweede mondelinge behandeling uitdrukkelijk verklaard niet meer te betwisten dat hij rente heeft genoten tot een bedrag van fl. 25.567 op Zwitserse bankrekeningen en een bedrag aan rente van fl. 5.250 inzake de lening aan C. Hieruit volgt, dat de belanghebbende in ieder geval een bedrag van in totaal fl. 30.817 ten onrechte niet in de aangifte over het onderhavige jaar heeft aangegeven. In verhouding tot het wel in de aangifte aangegeven bedrag van fl. 61.180,75 is het ten onrechte niet aangegeven bedrag relatief groot. Gelet hierop en op het feit dat het ten onrechte niet aangegeven bedrag absoluut ook groot is moet de conclusie worden getrokken dat de belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Uit artikel 29 van de AWR volgt dan dat het beroep dient te worden afgewezen, tenzij blijkt - dat wil zeggen overtuigend wordt aangetoond - dat, en in hoeverre, de bestreden uitspraak onjuist is.

4.13. Vraag V dient bevestigend te worden beantwoord.

Vraag VI

4.14. Het Hof is van oordeel, dat de belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd in de van hem afkomstige stukken niet heeft doen blijken - dat wil zeggen overtuigend aangetoond - dat, en in hoeverre, de uitspraak onjuist is. Hieruit volgt, dat het beroep in beginsel zou dienen te worden afgewezen en de navorderingsaanslag in stand zou moeten blijven.

4.15. De Inspecteur heeft evenwel tijdens de vierde mondelinge behandeling verklaard, dat hij, gelet op het feit dat de nagevorderde belasting reeds zeer grote bedragen betreft die - naar het Hof begrijpt - niet ingevorderd zullen kunnen worden, geen bezwaar heeft tegen het laten vervallen van de verhoging. Voorts heeft de Inspecteur gedurende de procedure nader geconcludeerd tot verlaging van het nader vastgestelde belastbaar inkomen. In zijn brief van 6 juli 2001 heeft de Inspecteur geconcludeerd tot een vermindering van het belastbaar inkomen met fl. 474.681 tot een nader vast te stellen belastbaar inkomen van fl. 2.491.077. Tijdens de vierde mondelinge behandeling heeft de Inspecteur de vermindering nader berekend op fl. 470.676 in plaats van fl. 474.681. Voorts heeft de Inspecteur tijdens de vierde mondelinge behandeling geconcludeerd tot het laten vervallen van het onder 2.5 als correctie 2 vermelde bedrag van fl. 60.000. Aldus concludeert de Inspecteur tot een nader vast te stellen belastbaar inkomen van fl. 2.435.082. Hierbij overweegt het Hof, dat uit het onder 2.4 vermelde rapport inzake de belanghebbende en uit het onder 2.5 vermelde blijkt dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag een correctie 'inclusief omzetbelasting' ad fl. 1.528.344 heeft aangebracht. In zijn brief van 6 juli 2001 berekent de Inspecteur de correctie nader op fl. 970.594, zodat de Inspecteur - naar het Hof begrijpt - de navorderingsaanslag met fl. 557.750 wil verminderen.

4.16. Vraag VI dient ontkennend te worden beantwoord, met dien verstande dat de Inspecteur zelf concludeert tot een nader vast te stellen belastbaar inkomen van - naar het Hof verstaat - fl. 2.348.008.

Vraag VII

4.17. De toepassing van artikel 29 AWR neemt niet weg dat de Inspecteur de opgelegde navorderingsaanslag niet naar willekeur mag vaststellen en deze moet baseren op een redelijke schatting van het belastbaar inkomen. Gelet op het onder 2.4 vermelde rapport, de door de Inspecteur tijdens de procedure overgelegde stukken en zijn toelichtingen tijdens de mondelinge behandelingen is het Hof van oordeel, dat het door de Inspecteur voorgestane belastbaar inkomen van fl. 2.348.008 niet onredelijk is of willekeurig is berekend.

4.18. Vraag VII moet bevestigend worden beantwoord, in die zin dat de verhoging vervalt en het belastbaar inkomen nader vastgesteld dient te worden op fl. 2.348.008.

Vraag VIII

4.19. Nu vraag V bevestigend en vraag VI ontkennend moet worden beantwoord, behoeft vraag VIII geen beantwoording meer.

Slot

4.20. De stelling van de belanghebbende dat hij in zijn procespositie is geschaad, omdat hij niet vrijelijk zou kunnen beschikken over alle stukken wordt door het Hof verworpen. De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld, dat de belanghebbende door het openbaar ministerie en de FIOD een volledig inzage- en kopierecht is verleend met betrekking tot de in het kader van strafrechtelijke onderzoeken in beslag genomen stukken. Dit laatste wordt bevestigd door de brieven van de officier van justitie van 20 september 1996, 20 juli 1998 en 16 juni 1999 en van de FIOD van 31 juli 2000. Dat de belanghebbende niet (altijd) bereid was om van dit inzage- en kopierecht gebruik te maken, omdat hij zich daarbij onvoldoende vrij voelde, dient voor zijn rekening te blijven, nu omtrent enige belemmering om daadwerkelijk inzage te krijgen dan wel te kunnen kopiëren niets aannemelijk is geworden.

Slotsom

4.21. Het gelijk is gedeeltelijk aan de zijde van de belanghebbende. De bestreden uitspraak dient te worden vernietigd.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door de belanghebbende gemaakte proceskosten in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, in goede justitie op een bedrag aan reis- en verletkosten van de belanghebbende zelf van in totaal € 300.

5.2. Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de WARB, aan de belanghebbende het door hem voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= (€ 36,30) te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als volgt:

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de navorderingsaanslag tot één naar een belastbaar inkomen van fl. 2.348.008 (€ 1.065.479,58) zonder verhoging onder handhaving van de overige elementen;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de belanghebbende tot een bedrag van € 300 onder aanwijzing van Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

- gelast dat de Inspecteur aan de belanghebbende het gestorte griffierecht ad € € 36,30 vergoedt.

Aldus vastgesteld op: 31 januari 2008 door P. Fortuin, voorzitter, A. Bijlsma, en G.D. van Norden in tegenwoordigheid A.R. Veldt, griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.