Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6180

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
05/00428
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI2933, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van de in 4.2 weergegeven feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het Hof aannemelijk, dat voorafgaand aan en ten tijde van de inbreng van de eenmanszaak belanghebbende, zijn echtgenote, hun dochter en haar echtgenoot reeds hadden afgesproken om de exploitatie van de onderneming op korte termijn te laten voortzetten door de dochter en haar echtgenoot.

Het Hof hecht geen geloof aan de tijdens het onderzoek ter zitting door belanghebbende gegeven verklaringen voor de hiervoor onder 4.2 a en e vermelde feiten en omstandigheden.

Het Hof hecht evenmin geloof aan de door de Inspecteur betwiste stelling van belanghebbende, dat de ontbinding van V.O.F. D slechts en alleen het gevolg is geweest van hoog opgelopen meningsverschillen. Weliswaar is in de in 2.4 genoemde overeenkomst en de in 2.6 genoemde akte niet vastgelegd dat de vennootschap onder firma reeds per 1 april 2001 weer zou worden ontbonden, maar het Hof acht op grond van de in 4.2 weergegeven feiten en omstandigheden aannemelijk dat ten tijde van de onderhavige inbreng reeds mondeling overeenstemming was bereikt over de overdracht van de ondernemingen op korte termijn aan de dochter en haar echtgenoot.

Op deze gronden is het Hof van oordeel dat de onderhavige inbreng van de onderneming deel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming aan de dochter en haar echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 523
FutD 2008-0566
Belastingadvies 2008/9.5
V-N 2008/26.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 05/00428

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden voor bezwaar vatbare beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij voor bezwaar vatbare beschikking van 5 februari 2003 heeft de Inspecteur het verzoek van belanghebbende om toepassing van het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) afgewezen. Het door belanghebbende tegen deze beschikking ingediende bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het beroepschrift, met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De belanghebbende heeft, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur schriftelijk gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 2 november 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Met instemming van partijen heeft het onderzoek ter zitting tegelijkertijd plaatsgehad met dat van de zaak met kenmerk 05/00429, betreffende de echtgenote van belanghebbende.

1.5. Belanghebbende en de Inspecteur hebben elk ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. De Inspecteur en belanghebbende hebben voorts, zonder bezwaar van de wederpartij, ter zitting elk een productie overgelegd. Deze producties rekent het Hof tot de stukken van het geding.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden door middel van een vennootschap onder firma een restaurant te A (hierna: het restaurant). Belanghebbende en zijn echtgenote waren eigenaar van het bedrijfspand en de inventaris van het restaurant.

2.2. Op 10 oktober 1997 is een taxatierapport uitgebracht door B B.V., taxateurs, experts, makelaars r.g./o.g. te C ter zake van het bedrijfspand waarin het restaurant werd gedreven. Als doel van de taxatie staat in het rapport omschreven "voorgenomen verkoop".

2.3. Op 16 oktober 1998 heeft de belastingadviseur van belanghebbende en zijn echtgenote een stuk getiteld "Notitie inzake de voortzetting van V.O.F D in B.V.-vorm" opgesteld. In dit stuk staat onder meer het volgende:

"U heeft de wens geuit om op termijn (2 tot 5 jaar) de onderneming te beëindigen. Daarop vooruitlopend wordt overwogen om de onderneming in te brengen in een besloten vennootschap."

en

"Wij achten het in uw geval, op grond van het bovenstaande en op uw voornemen om over enkele jaren de onderneming van de hand te doen (waarbij u mogelijk het pand gaat verhuren aan de exploitant), mede gezien de hoogte van de stille reserve in het pand, raadzaam de V.O.F. in te brengen in een B.V."

en

"Uitgaande van staking/overdracht van de onderneming binnen 5 jaar adviseren wij u de V.O.F. op geruisloze wijze in te brengen in een B.V."

en

"Wanneer besloten wordt tot inbreng van de onderneming in de B.V., zullen wij u een stappenplan doen toekomen aan de hand waarvan de voorgestelde structuur volledig kan worden gerealiseerd.

Wij willen u er wellicht ten overvloede nogmaals op wijzen dat, wanneer u de onderneming langer dan 5 jaar voortzet, het fiscaal gezien aantrekkelijk is de onderneming voorlopig in zijn huidige vorm voort te zetten."

2.4. In de maand december 1998 hebben belanghebbende, zijn echtgenote en hun dochter, mevrouw E een overeenkomst ondertekend betreffende oprichting van een nieuwe vennootschap onder firma. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:

"- Vanaf 1 april 1999 wordt een vennootschap onder firma aangegaan. Vennoten zijn: de op te richten besloten vennootschap van de Heer en Mevrouw X (partij A) en Mevrouw E (partij B).

- De vennootschap onder firma huurt van de besloten vennootschap (i.o.) het onroerend goed F-straat 62 te A voor een bedrag van f 132.000,-- per jaar excl. BTW met indexering.

De bovenwoning dient beschikbaar te blijven voor zelfbewoning door één van de vennoten. De toe te rekenen huur bedraagt f 24.000,-- per jaar.

- De vennootschap onder firma huurt van de besloten vennootschap (i.o.) de inventaris en goodwill voor een prijs van f 50.000,-- per jaar (excl. BTW). De vennootschap onder firma zal zorgdragen voor onderhoud en vervanging van de inventaris.

- De huur van het onroerend goed, de inventaris en goodwill is aangegaan voor een periode van 5 jaar.

- Mevrouw E heeft het recht de overeenkomst te beëindigen per 31 december 1999 (proefperiode).

- De vennootschap onder firma heeft het eerste recht van koop van het onroerend goed.

- De vennootschap onder firma heeft het recht na 5 jaar de inventaris en goodwill te kopen voor een bedrag van f 375.000,--.

- Indien de vennootschap onder firma niet van haar kooprecht gebruik maakt zal de huurovereenkomst worden verlengd voor 5 jaar en wordt de huurprijs vastgesteld op f 50.000,-- per jaar excl. BTW. De vennootschap onder firma is verplicht tot aankoop over te gaan na deze periode voor een bedrag van f 225.000,--.

- (...)

- De bedrijfsactiviteiten zullen worden verricht door Mevrouw E en Mevrouw G. De winstverdeling is vastgesteld op 80% voor Mevrouw E en 20% voor Mevrouw G.

- (...)".

2.5. Op 1 februari 2000 zijn door belanghebbende en zijn echtgenote opgericht H B.V. en Restaurant J B.V.

2.6. In de maand februari 2000 is een akte van vennootschap onder firma getekend. Op grond van deze akte is per 1 februari 2000 opgericht een vennootschap onder firma genaamd V.O.F. D. Vennoten zijn de dochter van belanghebbende en echtgenoot van deze dochter, de heer K, enerzijds en Restaurant J B.V. anderzijds. De winsten en verliezen van deze vennootschap onder firma komen volgens de akte voor 90 percent toe aan de dochter van belanghebbende en de echtgenoot van die dochter en voor 10 percent aan Restaurant J B.V. Verder bepaalt de akte dat wanneer een vennoot ophoudt vennoot te zijn, een slotbalans wordt opgemaakt en het aandeel van iedere vennoot worden bepaald, bij welke bepaling geen rekening wordt gehouden met eventuele goodwill.

2.7. Per 1 april 2001 is de in 2.6 genoemde vennootschap onder firma ontbonden en hebben de dochter van belanghebbende en de echtgenoot van die dochter de exploitatie van de onderneming van de vennootschap onder firma met de daaraan verbonden activa en passiva voortgezet.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht het verzoek om toepassing van de faciliteit van artikel 18 van de Wet IB 1964 heeft afgewezen.

Belanghebbende is van mening, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en - naar het Hof begrijpt - terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur met de opdracht het verzoek toe te wijzen en daarbij nadere voorwaarden te stellen. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat hij zijn standpunt dat het verzoek om toepassing van de faciliteit van artikel 18 van de Wet IB 1964 terecht heeft afgewezen, uitsluitend nog doet steunen op de stelling dat de inbreng van de voorheen door belanghebbende als eenmanszaak gedreven onderneming onderdeel is van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van die onderneming. Hij heeft daarbij verwezen naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 29 augustus 1997, nr. 31 597, BNB 1997/374.

4.2. Ter ondersteuning van zijn in 4.1 genoemde stelling heeft de Inspecteur gewezen op de volgende, door belanghebbende niet weersproken, feiten en omstandigheden:

a. In de notitie inzake voortzetting van V.O.F. D in B.V.-vorm, weergegeven in 2.3, wordt geadviseerd om de onderneming geruisloos in te brengen in een B.V., juist met het oog op de voorgenomen bedrijfsbeëindiging. De notitie vermeldt uitdrukkelijk dat het bij voortzetting van de bedrijfsuitoefening voordeliger is om de onderneming in de inkomstenbelastingsfeer voort te zetten. Voorts eindigt de notitie met de mededeling dat als besloten wordt tot inbreng van de onderneming in een B.V., de adviseur aan belanghebbende een stappenplan zal doen toekomen aan de hand waarvan de voorgestelde structuur volledig kan worden gerealiseerd.

b. In een artikel in het L-Dagblad van 29 augustus 2004, dat is gewijd aan restaurant de D, verklaart de dochter van belanghebbende dat zij en haar echtgenoot de zaak zes jaar voordien hebben overgenomen.

c. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn in 1999 naar M verhuisd en zijn daar in dat jaar een ander restaurant gaan exploiteren.

d. V.O.F.. D is reeds per 1 april 2001 ontbonden, waarna de op 1 februari 2000 opgerichte besloten vennootschappen nog slechts huurinkomsten ontvingen ter zake van het bedrijfspand met dienstwoning, de inventaris en goodwill.

e. In een taxatierapport van het bedrijfspand gedateerd 3 oktober 1997 staat als doel van de taxatie vermeld "voorgenomen verkoop".

4.3. Op grond van de in 4.2 weergegeven feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het Hof aannemelijk, dat voorafgaand aan en ten tijde van de inbreng van de eenmanszaak belanghebbende, zijn echtgenote, hun dochter en haar echtgenoot reeds hadden afgesproken om de exploitatie van de onderneming op korte termijn te laten voortzetten door de dochter en haar echtgenoot.

Het Hof hecht geen geloof aan de tijdens het onderzoek ter zitting door belanghebbende gegeven verklaringen voor de hiervoor onder 4.2 a en e vermelde feiten en omstandigheden.

Het Hof hecht evenmin geloof aan de door de Inspecteur betwiste stelling van belanghebbende, dat de ontbinding van V.O.F. D slechts en alleen het gevolg is geweest van hoog opgelopen meningsverschillen. Weliswaar is in de in 2.4 genoemde overeenkomst en de in 2.6 genoemde akte niet vastgelegd dat de vennootschap onder firma reeds per 1 april 2001 weer zou worden ontbonden, maar het Hof acht op grond van de in 4.2 weergegeven feiten en omstandigheden aannemelijk dat ten tijde van de onderhavige inbreng reeds mondeling overeenstemming was bereikt over de overdracht van de ondernemingen op korte termijn aan de dochter en haar echtgenoot.

Op deze gronden is het Hof van oordeel dat de onderhavige inbreng van de onderneming deel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming aan de dochter en haar echtgenoot.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Diens uitspraak moet in stand blijven.

5. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op: 29 januari 2008 door R.J. Koopman, voorzitter, P. Fortuin en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan door beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.