Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6057

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
07-03-2008
Zaaknummer
R200701202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 350 lid 3 sub e Fw

Partijen zijn de uit de schuldsaneringsregeling voorvloeiende verplichtingen niet naar behoren nagekomen en hebben hun schuldeisers benadeeld.

Het oordeel van de rechtbank dat de schuldsanering dient te worden beëindigd is daarom juist. Niettemin kan het vonnis van de rechtbank niet in stand blijven, omdat volgens de schuldsaneringsregeling zoals die geldt sinds 1 januari 2008 geen faillissement van rechtswege volgt bij tussentijdse beëindiging, nu er geen voor uitdeling aan schuldeisers beschikbare baten voorhanden blijken te zijn.

Beslissing hof: vernietiging vonnis rechtbank en, opnieuw rechtdoende, met de vaststelling ook door het hof dat appellanten hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zijn nagekomen en de schuldeisers hebben benadeeld, beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van appellanten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RS

15 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701202

Zaak nummers eerste aanleg 06/283 R en 06/284 R

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X.], en [Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellanten],

procureur mr. J.E. Lenglet,

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 30 oktober 2007, waarvan de inhoud bij [appellanten] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij het beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 november 2007, hebben [appellanten] verzocht voormeld vonnis te vernietigen met zodanige beslissing als het hof juist acht.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 januari 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellanten], bijgestaan door hun advocaat mr. I.M. van den Heuvel,

- de heer A. Brekelmans, waarnemend bewindvoerder, hierna te noemen: bewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief met bijlagen van A.L. van der Flier ingekomen ter griffie op 14 november 2007;

- een faxbericht van 4 januari 2008 van de advocaat van [appellanten].

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnissen van 27 maart 2006 is ten aanzien van [appellanten] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

4.2.1. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op voet van artikel 350 lid 3 sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 16 augustus 2007 beëindigd, nu [appellanten] toerekenbaar tekort zijn geschoten in één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

4.2.2. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellanten] hun sollicitatieplicht niet zijn nagekomen. Zij hebben moedwillig hun arbeids- en sollicitatieplicht verzaakt. De rechtbank beroept zich daarbij met name op een tweetal brieven van de [gemeentenaam] en de correspondentie van de bewindvoerder met [appellanten].

Volgens de rechtbank staat vast dat, gelet op het ter zitting verhandelde en de in het dossier bevindende stukken, [appellanten] tijdens het intakegesprek met de bewindvoerder bewust hebben gezwegen over de nabetaling van het ziekengeld van het UWV. Pas na onderzoek is de bewindvoerder gebleken dat de procedure tegen het UWV reeds voor aanvang van de schuldsaneringsregeling was beëindigd en dat de nabetaling zo’n twee à drie weken voor aanvang van de schuldsaneringsregeling op de bankrekening van [appellanten] is bijgeschreven. Zij hebben de stelling dat het overgemaakte ziekengeld vervolgens is gebruikt ter aflossing van schulden aan familie in Iran niet met stavende bewijzen onderbouwd. Indien de stelling juist zou zijn hebben [appellanten] door zo te handelen de overige schuldeisers benadeeld. Het verzwijgen hiervan tijdens de regeling levert misbruik op als bedoeld in artikel 350 lid 3 Fw.

4.3.1. [appellanten] hebben in het beroepschrift aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat de door de rechtbank aangevoerde feitelijk gronden voor de beslissing hen beiden raken en hen beiden (in gelijke mate) verweten kunnen worden. [Y.] heeft geen rol gespeeld in de door de rechtbank aangesneden kwesties van het ziekengeld en het solliciteren. Tevens zijn [appellanten] gehuwd in Iran in een huwelijks(goederen)regime van een andere inhoud en strekking dan volgens het Nederlandse recht.

De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van opzet of onoprechte bedoelingen van [appellanten].

Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte beslist dat de kwesties van het ziekengeld en het solliciteren tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling dienen te leiden. Inzake het ziekengeld is er geen sprake van misbruik en [appellanten] hebben hun sollicitatieplicht niet moedwillig verzaakt. Tevens heeft de rechtbank niet onderzocht en dienovereenkomstig beslist of er een andere sanctie mogelijk is geweest dan welke de rechtbank heeft uitgesproken, bijvoorbeeld inbreng voor het geheel of een deel van het ziekengeld en formeel voorgeschreven sollicitatieactiviteiten.

4.3.2. Hieraan hebben [appellanten] ter zitting toegevoegd, dat zij aanhouding vragen van de zaak, althans dat zij in de gelegenheid willen worden gesteld alsnog de bewindvoerder en één of meer functionarissen van de [gemeentenaam] als getuigen te horen.

4.4.1. Het hof komt tot de volgende boordeling.

Tijdens het intakegesprek hebben [appellanten] aan de bewindsvoerder meegedeeld dat de procedure tegen het UWV nog liep en dat [appellanten] op dat moment een nabetaling van het ziekengeld op de bankrekening verwachtten. Later bleek dat enkele weken voor de datum van de schuldsaneringsregeling het bedrag feitelijk op de bankrekeningen ontvangen is, naar aanleiding waarvan [appellanten] nader hebben verklaard dat zij dit bedrag van de rekening hebben opgenomen en mee- gegeven aan een derde ter voldoening van schuldeisers in Iran. Het hof acht beide verklaringen met elkaar in tegenspraak.

Het hof is van oordeel dat [appellanten], doordat zij zeer korte tijd voordat zij tot de schuldsaneringsregeling werden toegelaten de reeds van het UWV ontvangen uitkering hebben opgenomen en niet voor de gezamenlijke schuldeisers beschikbaar hebben gehouden en over een en ander jegens de bewindvoerder aanvankelijk hebben gezwegen, hun schuldeisers hebben benadeeld als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub e Fw.

Ten aanzien van de sollicitatieplicht is het hof uit de brief van de [gemeentenaam] genoegzaam gebleken, dat zowel [X.] als [Y.] een onwillige houding hebben getoond ten aanzien van het aangeboden werk. In dat verband wordt opgemerkt dat aan [X.] een dienstverband is aangeboden bij Supertape te [vestigingsplaats] en dat [Y.] in juni 2006 is aangemeld voor het WGP en dat zij niet bereid was het aangeboden werk te accepteren. Uit vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [appellanten] niet naar behoren aan hun inspanningsverplichting hebben voldaan. Het hof ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om derden te horen, nu niet te verwachten is dat bedoelde derden een wezenlijk ander licht op de zaak kunnen doen werpen. Het betreffende verzoek van [appellanten] wordt derhalve afgewezen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de schuldsaneringsregeling terecht is beëindigd, met dien verstande dat de rechtbank bedoeld zal hebben dat [appellanten] hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zijn nagekomen en dat zij hun schuldeisers hebben benadeeld.

Ingevolge de wettelijke regeling inzake de schuldsanering, zoals die geldt sinds 1 januari 2008, verkeren bij tussentijdse beëindiging sanieten van rechtswege in staat van faillissement indien er baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Nu in de schuldsaneringsregeling van [appellanten] geen voor uitdeling aan schuldeisers beschikbare baten voorhanden zijn, zal het hof bepalen dat zij niet van rechtswege in staat van faillissement verkeren zodra dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

4.4.2. Naar aanleiding van de grieven van [appellanten] overweegt het hof nog als volgt.

Welk huwelijks(goederen)regime tussen van [appellanten] van toepassing is, is voor de beoordeling van het onderhavige geval niet van belang, zodat reeds op die grond grief 1 wordt verworpen.

Datzelfde lot treft grief 2 nu in het midden kan blijven of bij [appellanten] bij de hiervoor omschreven handelwijze sprake is geweest van onoprechte bedoelingen.

Grief 3 wordt verworpen omdat het hof, met de rechtbank, zowel het benadelen van schuldeisers als het niet naar behoren nakomen van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zodanig ernstig acht dat geen plaats is voor een andere sanctie dan tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

4.4.3. Omwille van de leesbaarheid zal het vonnis worden vernietigd en zal worden beslist als hierna te melden.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende;

stelt vast dat [appellanten] hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zijn nagekomen en dat zij hun schuldeisers hebben benadeeld;

beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregelingen;

stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op € 902,-, te vermeerderen met de verschotten ten bedrage van

€ 100,- en de gemaakte reiskosten ten bedrage van € 46,98 (alle genoemde bedragen exclusief daarover verschuldigde omzetbelasting);

bepaalt dat de kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties ten laste van de Staat komen;

bepaalt dat [appellanten] niet van rechtswege in staat van faillissement verkeren zodra dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Klerk-Leenen, Gründeman en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.