Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6052

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
R200701325-103.009.605-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[minderjarige zoon] verblijft inmiddels ruim drie jaren in het pleeggezin en er bestaat geen redelijk perspectief dat de moeder op korte termijn in staat zal zijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige zoon] zelf ter hand te nemen. Daartoe zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende garanties aanwezig nu de moeder zich steeds wisselend opstelt ten opzichte van de uithuisplaatsing en de hulpverlening. De moeder erkent enerzijds dat [minderjarige zoon] het goed heeft bij de pleegouders en wenst de bestaande omgangsregeling uit te breiden alsook meer betrokken te worden bij de hulpverlening, anderzijds wil zij het perspectief van thuisplaatsing op langere termijn niet opgeven. Hierdoor lijkt [minderjarige zoon] dubbele signalen omtrent zijn thuisplaatsing te ontvangen, hetgeen bij hem tot verwarring leidt. Het hof acht het van belang dat er voor hem thans duidelijkheid komt over zijn toekomstige opvoedingssituatie. [minderjarige zoon] is het meest gebaat bij een gestructureerde en stabiele opvoedingsomgeving, welke omgeving de moeder hem - anders dan de pleegouders - niet in staat is te bieden.

Aangezien er, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, naar het oordeel van het hof thans geen perspectief meer bestaat op thuisplaatsing bestaat er geen gegronde reden voor een nader onderzoek van de mogelijkheden van thuis- plaatsing op langere termijn, zoals de moeder heeft verzocht. Dientengevolge is het door de moeder in haar beroepschrift gedane bewijsaanbod evenmin ter zake doende.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gronden voor ontheffing zoals bedoeld in artikel 1:266 juncto artikel 1:268 lid 2 aanhef en sub a BW aanwezig zijn. Het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, is een heel sterk recht. Dit recht wordt in dit geval terecht ingeperkt nu daarvoor, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, voldoende aanleiding bestond en er geen andere, minder vergaande maatregelen, zoals ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing afdoende zijn gebleken, met name nu de moeder blijft hopen op een thuisplaatsing en deze hoop uitdraagt naar [minderjarige zoon]. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd. Het hof overweegt ten overvloede dat er een goede omgang dient te zijn tussen de moeder en [minderjarige zoon]. Het is van belang dat de moeder haar ouder-rechten ten aanzien van [minderjarige zoon] op dit punt kan blijven uitoefenen. Het hof gaat er van uit dat de vanuit de gespecialiseerde thuiszorg in september 2007 gestarte intensieve pedagogische begeleiding voor moeder wordt voortgezet, zodat de moeder meer en op goede wijze invulling kan geven aan de omgang met [minderjarige zoon].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

MB

6 maart 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701325-103.009.605/01

Zaaknummer eerste aanleg 80532/FA RK 07-820

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de moeder,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Roermond,

geïntimeerde,

hierna: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [minderjarige zoon], wonende te [woonplaats], hierna: [minderjarige zoon];

- de heer [Y.], wonende te [woonplaats]l, Duitsland, hierna: de vader;

- de heer [A.] en mevrouw [B.], beiden wonende te [woonplaats], hierna: de pleegouders;

- de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, hierna: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 5 september 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 3 december 2007, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en de raad in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans de raad het verzoek, inhoudende de ontheffing van de moeder uit het ouderlijk gezag over [minderjarige zoon], te ontzeggen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 december 2007, heeft de stichting, kort samengevat, verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de advocaat van de moeder, mr. S.C. van Heerd;

- mevrouw L. van den Dam, namens de raad;

- de vader;

- de pleegouders;

- mevrouw A. Cladders en mevrouw M. Jansen, namens de stichting.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, in verband met gezondheidsklachten niet ter zitting verschenen. Haar advocaat heeft ter zitting gemeld dat de dokter haar dit heeft afgeraden in verband met haar medische klachten en stress.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de producties, overgelegd bij het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d 5 september 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Hieruit is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] het thans nog minderjarige kind [minderjarige zoon] geboren. De vader heeft [minderjarige zoon] erkend. De moeder oefende tot de datum van de bestreden beschikking het ouderlijk gezag uit over [minderjarige zoon].

4.2. [minderjarige zoon] is bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Roermond van 29 september 2004 onder toezicht gesteld. Tevens is [minderjarige zoon] toen met machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging uithuisplaatsing liep tot 29 september 2007.

Sinds de uithuisplaatsing woont [minderjarige zoon] bij de pleegouders bij wie hij voordien, met name vanaf 2003, ook al regelmatig verbleef (als het niet goed ging met de moeder).

4.3. De raad heeft de rechtbank Roermond verzocht de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over [minderjarige zoon] met benoeming van de stichting tot voogdes.

4.4. De rechtbank Roermond heeft het verzoek van de raad toegewezen en heeft bij de bestreden beschikking de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over [minderjarige zoon], onder gelijktijdige benoeming van de stichting tot voogdes over [minderjarige zoon] nu deze zich bereid heeft verklaard de voogdij op zich te nemen. De moeder kan zich hiermee niet verenigen en zij komt hiertegen in hoger beroep op.

4.5. In haar beroepschrift stelt de moeder, kort gezegd, het volgende.

Ontheffing van het ouderlijk gezag is een zeer vergaande maatregel die de meest vergaande inbreuk maakt op het recht op family life conform artikel 8 EVRM. Uitgangspunt bij het uitspreken van een dergelijk vergaande maatregel dient het belang van de minderjarige te zijn. De moeder meent dat de rechtbank nadrukkelijk had moeten onderzoeken of het recht van [minderjarige zoon] op respectering van het familieleven tussen de moeder en [minderjarige zoon] zich niet verzet tegen een ontheffing.

De moeder bestrijdt de noodzaak van haar ontheffing van het ouderlijk gezag. De belangen van [minderjarige zoon] worden door de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing voldoende beschermd.

De moeder stelt daarnaast dat, nu er door de raad noch door de stichting serieus onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid om op langere termijn te werken aan thuisplaatsing, de rechtbank niet had mogen concluderen dat geen perspectief tot thuisplaatsing aanwezig is. De moeder erkent dat zij op dit moment niet alleen voor [minderjarige zoon] kan zorgen en dat [minderjarige zoon] het goed maakt bij de pleegouders.

De moeder ontkent dat er bij haarzelf sprake is van psychiatrische klachten wisselvallige stemmingen en onvoorspelbaar gedrag en van somatisering van haar lichamelijke klachten alsook dat zij [minderjarige zoon] zou belasten met haar problemen.

Dat de moeder in het verleden een aantal keren niet aanwezig is geweest tijdens een omgangsmoment was het gevolg van een spoedopname in het ziekenhuis in verband met haar longaandoening; zij kon de omgang hierdoor niet tijdig verzetten. Het gaat thans veel beter met de moeder en zij heeft minder last van astma-aanvallen; de afgelopen jaren is er een aanzienlijke verbetering opgetreden in haar gezondheidstoestand, aldus de moeder.

4.6. De stichting heeft in haar verweerschrift onder meer aangevoerd dat er bij moeder sprake is van een met het gezag belaste ouder waar - door ziekte en het niet kunnen verdragen van een afwijkende mening - een gezinsvoogd vervolgens moeilijk mee in gesprek kan komen en blijven. Deze situatie is bedreigend voor de ontwikkeling van [minderjarige zoon]. De moeder mist het vermogen om zich te kunnen verplaatsen in de belevingswereld van [minderjarige zoon]. Zij kan moeilijk inschatten wat het effect van haar handelen en gedragingen is op de gemoedstoestand van [minderjarige zoon].

De gezinsvoogd dient de moeder voortdurend opnieuw dezelfde feiten uit te leggen en te verklaren. Hierdoor is er in de gesprekken tussen de gezinsvoogd en de moeder geen ruimte om het kind centraal te stellen. Ook dit gegeven maakt dat de ontwikkeling van [minderjarige zoon] bedreigd wordt, aldus de stichting.

Nu er geen sprake is van een constructieve hulpverlening voor de moeder op het gebied van de psychiatrische problematiek daar de moeder de aanwezigheid ervan ontkent, is er geen perspectief op verbetering van haar persoonlijke situatie.

Daardoor is er volgens de stichting geen vooruitzicht op het ontstaan van een stabiele opvoedingssituatie bij de moeder. Het is in het belang van [minderjarige zoon] om duidelijkheid te geven over het feit dat er geen perspectief is op een thuisplaatsing bij de moeder.

4.7. Aan de hand van de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen oordeelt het hof als volgt.

4.7.1. Ingevolge artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder worden ontheven van het gezag over zijn kind op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

4.7.2. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de moeder ongeschikt of onmachtig is de plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige zoon] te vervullen en dat het belang van [minderjarige zoon] zich niet tegen een ontheffing verzet.

4.7.3. Uit de overgelegde rapportages van de raad en de stichting is gebleken dat de moeder door gezondheidsproblemen vanaf de geboorte van [minderjarige zoon] nauwelijks in staat was om voor zichzelf en [minderjarige zoon] te zorgen.

Er is nadien geen verbetering geconstateerd in de lichamelijk klachten van de moeder. Zij wordt in haar dagelijks functioneren hierdoor nog steeds belemmerd. Daarbij komt dat de moeder geen inzicht lijkt te hebben in haar problematiek en zij blijft ontkennen dat zij kampt met psychiatrische problemen.

De afgelopen drie jaren is er geen vooruitgang te zien in het contact tussen de moeder en [minderjarige zoon]; de omgang met de moeder is door de stichting, in het belang van [minderjarige zoon], zelfs beperkt.

Verder is gebleken dat de moeder wisselvallig en onbetrouwbaar is in het nakomen van afspraken. De moeder is zeer regelmatig ziek dan wel opgenomen geweest in het ziekenhuis. Aangezien zij hierover niet helder heeft gecommuniceerd met de pleegouders is er regelmatig sprake geweest van teleurstelling bij [minderjarige zoon] ingeval hij tevergeefs op de moeder wachtte bij een omgangsmoment.

Het lijkt erop dat de moeder het vermogen mist om zich te kunnen verplaatsen in de belevingswereld van [minderjarige zoon] en moeilijk kan inschatten welk effect haar handelen en gedragingen hebben op de gemoedstoestand van [minderjarige zoon]. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de moeder zonder navraag te doen bij de gezinsvoogd of pleegouders zich heeft gemeld bij de school van [minderjarige zoon]. De moeder realiseert zich niet dat dit voor [minderjarige zoon] onrust teweegbrengt in zijn dagelijkse structuur.

4.7.4. De vader heeft ter zitting aangegeven dat voor hem het belang van [minderjarige zoon] op de eerste plaats staat. Hij ziet in dat het goed gaat met [minderjarige zoon] in het pleeggezin.

4.7.5. Op grond van artikel 1:268 lid 2 aanhef en sub a BW kan bij verzet van de ouder de ontheffing niet worden uitgesproken, tenzij onder meer na een uithuis-plaatsing van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat de uithuisplaatsing - door de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging van de lichamelijke en geestelijke belangen af te wenden. Uit het beroepschrift en hetgeen door de advocaat namens de moeder ter zitting naar voren is gebracht is gebleken dat de moeder zich verzet tegen de ontheffing.

4.7.6. [minderjarige zoon] verblijft inmiddels ruim drie jaren in het pleeggezin en er bestaat geen redelijk perspectief dat de moeder op korte termijn in staat zal zijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige zoon] zelf ter hand te nemen. Daartoe zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende garanties aanwezig nu de moeder zich steeds wisselend opstelt ten opzichte van de uithuisplaatsing en de hulpverlening. De moeder erkent enerzijds dat [minderjarige zoon] het goed heeft bij de pleegouders en wenst de bestaande omgangsregeling uit te breiden alsook meer betrokken te worden bij de hulpverlening, anderzijds wil zij het perspectief van thuisplaatsing op langere termijn niet opgeven. Hierdoor lijkt [minderjarige zoon] dubbele signalen omtrent zijn thuisplaatsing te ontvangen, hetgeen bij hem tot verwarring leidt. Het hof acht het van belang dat er voor hem thans duidelijkheid komt over zijn toekomstige opvoedingssituatie. [minderjarige zoon] is het meest gebaat bij een gestructureerde en stabiele opvoedingsomgeving, welke omgeving de moeder hem - anders dan de pleegouders - niet in staat is te bieden.

4.7.7. Aangezien er, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, naar het oordeel van het hof thans geen perspectief meer bestaat op thuisplaatsing bestaat er geen gegronde reden voor een nader onderzoek van de mogelijkheden van thuis- plaatsing op langere termijn, zoals de moeder heeft verzocht.

Dientengevolge is het door de moeder in haar beroepschrift gedane bewijsaanbod evenmin ter zake doende.

4.7.8. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gronden voor ontheffing zoals bedoeld in artikel 1:266 juncto artikel 1:268 lid 2 aanhef en sub a BW aanwezig zijn.

Het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, is een heel sterk recht. Dit recht wordt in dit geval terecht ingeperkt nu daarvoor, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, voldoende aanleiding bestond en er geen andere, minder vergaande maatregelen, zoals ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing afdoende zijn gebleken, met name nu de moeder blijft hopen op een thuisplaatsing en deze hoop uitdraagt naar [minderjarige zoon].

De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd.

Het hof overweegt ten overvloede dat er een goede omgang dient te zijn tussen de moeder en [minderjarige zoon]. Het is van belang dat de moeder haar ouder-rechten ten aanzien van [minderjarige zoon] op dit punt kan blijven uitoefenen. Het hof gaat er van uit dat de vanuit de gespecialiseerde thuiszorg in september 2007 gestarte intensieve pedagogische begeleiding voor moeder wordt voortgezet, zodat de moeder meer en op goede wijze invulling kan geven aan de omgang met [minderjarige zoon].

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 5 september 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.