Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6049

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
R200701345-103.009.625-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingeval een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, beveelt de Werkgroep Alimentatienormen aan in die gevallen waarin voor het vrij te laten inkomen niet met de onderhoudsverplichting is rekening gehouden de geldende onderhoudsverplichting voor de duur van de schuldsaneringsregeling op nihil te bepalen. Toepassing van de schuldsaneringsregeling brengt normaliter mee dat de onderhoudsplichtige dient te leven van een inkomen op bijstands- niveau en dat de rest van het inkomen van de onderhoudsplichtige wordt gereserveerd en afgedragen ten behoeve van de schuldeisers.

In de onderhavige zaak is de vrouw bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 20 september 2005 definitief toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Het aan de vrouw vrij te laten bedrag is blijkens de stukken door de bewindvoerder vrijwel steeds bepaald op een bedrag van rond € 950,- per maand. Weliswaar is het vrij te laten bedrag eenmaal bijgesteld naar een hoger bedrag, te weten € 1.110,- per maand, maar niet is betwist dat het vrij te laten inkomen van de vrouw volgens de daarvoor geldende “rekenmethode vtlb” van Recofa is berekend. Evenmin is betwist dat bij de bepaling van het vrij te laten bedrag geen rekening is gehouden met de onderhoudsverplichting van de vrouw jegens [A.] en [B.]. Het hof ziet in de onderhavige zaak dan ook geen aanleiding om af te wijken van voornoemd advies van de Werkgroep Alimentatienormen. Het hof zal mitsdien in afwijking van de rechtbank de door de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van toepassing van de schuldsaneringsregeling, 20 september 2005, voor de duur van die regeling op nihil stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WvR

6 maart 2008

Sector Civiel recht

Rekestnummer R200701345-103.009.625/01

Zaaknummer eerste aanleg 152752/FA RK 06-5272

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[Y.] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. M.W.F. van Wijk

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 26 november 2007, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

- voormelde beschikking in dier voege te wijzigen, dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen nader wordt vastgesteld op nihil, althans op een zodanig lager bedrag als het hof juist zal achten, met ingang van 20 september 2005 (de datum van toelating van de vrouw tot de schuldsaneringsregeling), in ieder geval gedurende de periode dat de schuldsanering op de vrouw van toepassing is;

- te bepalen dat omgang tussen de moeder en de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, waarbij de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 18.00 uur bij de vrouw zullen zijn, waarbij de man de kinderen naar de vrouw zal brengen en de kinderen weer ophaalt,

- uitvoerbaar bij voorraad en met compensatie van de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 januari 2008, heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008. Bij die gelegenheid zijn de vrouw, bijgestaan door mr. J.C.M. Vogelpoel, en de man, bijgestaan door mr. M.W.F. van Wijk gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 8 oktober 1992 te Zeist met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten:

- [A.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [B.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de man.

Bij beschikking van 19 november 2004 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 18 februari 2005 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij voornoemde beschikking is tevens bepaald dat de vrouw aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 34,50 per kind per maand dient te voldoen. Daarnaast is bepaald dat de vrouw gerechtigd is tot omgang met de kinderen gedurende een zaterdag per twee weken van 10.00 uur tot 18.00 uur.

Bij vonnis van 20 september 2005 heeft de rechtbank Utrecht de schuldsaneringsregeling op de vrouw van toepassing verklaard.

4.2. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht de aan haar opgelegde kinderalimentatie met ingang van 20 september 2005, althans met ingang van de datum van indiening van haar verzoek, op nihil te stellen. Daarnaast heeft zij verzocht te bepalen dat zij, al dan niet gefaseerd, recht heeft om omgang met de kinderen te hebben gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 18.00 uur.

De man heeft in eerste aanleg tegen beide verzoeken verweer gevoerd.

4.3. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch haar beschikking van 19 november 2004 aldus gewijzigd dat de daarbij vastgestelde kinderbijdrage met ingang van 1 september 2006 tot het moment waarop de schuldsaneringsregeling niet langer op de vrouw van toepassing is, dan wel tot het moment waarop de vrouw wederom inkomsten uit arbeid geniet, nader wordt bepaald op nihil. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw tot uitbreiding van de omgangsregeling tussen haar en de kinderen afgewezen.

4.4. De vrouw kan zich met voornoemde beschikking niet verenigen en komt hiertegen op. Haar grieven hebben betrekking op de afwijzing van haar verzoek tot uitbreiding van de omgang tussen haar en de kinderen en op de ingangsdatum van de nihilstelling van de door haar te betalen kinderbijdrage.

Omgang

4.5. De vrouw stelt in haar beroepschrift dat het voor haar onmogelijk is om uitvoering te geven aan de thans geldende omgangsregeling. De vrouw woont sinds augustus 2006 in [woonplaats] met haar twee jongste kinderen van vier jaar oud en van zeven maanden oud uit latere relaties. Zij dient om haar twee oudste kinderen te kunnen zien af te reizen naar [plaatsnaam]. Zij is, naar haar zeggen, afhankelijk van het openbaar vervoer en is vanaf haar huis ruim tweeëneenhalf uur onderweg om in [plaatsnaam] te komen. De vrouw brengt voorts naar voren dat zij geen kennissen in [plaatsnaam] heeft en dus nergens in die omgeving terecht kan met de kinderen. Omgang bij de man thuis is volgens haar geen optie, omdat zij zich daar niet op haar gemak voelt. De vrouw is van mening dat de bestaande omgangsregeling haar geen enkele mogelijkheid biedt om een goede band met de kinderen op te bouwen en dat aan deze omgangsregeling, gelet op het voorgaande, geen normale invulling kan worden gegeven.

4.6. De man brengt naar voren dat de vrouw tot op heden nauwelijks uitvoering heeft gegeven aan de bij beschikking van 19 november 2004 vastgestelde omgangsregeling. Volgens hem heeft er slechts eenmaal omgang tussen de vrouw en de kinderen bij de man thuis plaatsgevonden. Partijen hadden in juli 2007 afgesproken dat de kinderen in de zomervakantie drie weken bij de vrouw zouden verblijven. Na een dag heeft de vrouw de man opgebeld met de mededeling dat zij de zorg voor de kinderen niet aankon en heeft zij de man verzocht de kinderen op te komen halen, aldus de man. In december 2007 is er volgens de man opnieuw een poging tot omgang tussen de vrouw en de kinderen gedaan, maar deze omgang verliep evenmin soepel.

4.7. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd aangegeven bereid te zijn om te trachten een regeling te treffen ten aanzien van de omgang tussen de vrouw en de kinderen. Het hof heeft hierop de mondelinge behandeling geschorst. Na hervatting van de zitting hebben partijen het hof medegedeeld dat zij erin zijn geslaagd zijn om overeenstemming te bereiken met betrekking tot de omgang. Zij zijn overeengekomen dat met ingang van 9 februari 2008 de vrouw en de kinderen viermaal om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur omgang met elkaar hebben bij de vrouw thuis, waarbij de man zorg draagt voor het vervoer van de kinderen. Partijen zijn voorts overeengekomen dat met ingang van 5 april 2008 de omgang tussen de vrouw en de kinderen zal plaatsvinden gedurende een weekeinde per maand van vrijdag 19.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de vrouw thuis, waarbij de vrouw zorg draagt voor het vervoer van de kinderen.

Partijen hebben het hof vervolgens verzocht om voornoemde regeling in de beschikking op te nemen, welk verzoek het hof zal inwilligen.

Kinderalimentatie

4.8. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vrouw in de periode van 20 september 2005 tot 1 september 2006 inkomsten uit arbeid heeft genoten en als gevolg daarvan in die periode in staat was om een kinder- bijdrage te voldoen. Volgens de vrouw blijkt uit de verslagen van de bewindvoerder in het kader van de schuldsanerings- regeling dat de vrouw in voornoemde periode geen inkomsten uit arbeid heeft genoten. De vrouw is dan ook van mening dat de kinderbijdrage ook over de periode van 20 september 2005 tot 1 september 2006 op nihil dient te worden gesteld.

4.9. De man brengt naar voren dat voor de draagkracht van de vrouw de hoogte van haar inkomen bepalend is en niet of zij inkomsten uit arbeid heeft genoten.

Uit het door de vrouw overgelegde verslag van de bewindvoerder van 3 mei 2006 blijkt, aldus de man, dat de vrouw vanaf 15 december 2005 een ZW-uitkering ontving van € 1.015,18 netto per maand. In de voorafgaande periode heeft de vrouw volgens de man klaarblijkelijk inkomen uit arbeid genoten. De man is van mening dat de vrouw met voornoemde inkomsten in staat was om de kinderbijdrage te voldoen.

4.10. Het hof overweegt als volgt.

Ingeval een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, beveelt de Werkgroep Alimentatienormen aan in die gevallen waarin voor het vrij te laten inkomen niet met de onderhoudsverplichting is rekening gehouden de geldende onderhoudsverplichting voor de duur van de schuldsaneringsregeling op nihil te bepalen. Toepassing van de schuldsaneringsregeling brengt normaliter mee dat de onderhoudsplichtige dient te leven van een inkomen op bijstands- niveau en dat de rest van het inkomen van de onderhoudsplichtige wordt gereserveerd en afgedragen ten behoeve van de schuldeisers.

In de onderhavige zaak is de vrouw bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 20 september 2005 definitief toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Het aan de vrouw vrij te laten bedrag is blijkens de stukken door de bewindvoerder vrijwel steeds bepaald op een bedrag van rond € 950,- per maand. Weliswaar is het vrij te laten bedrag eenmaal bijgesteld naar een hoger bedrag, te weten € 1.110,- per maand, maar niet is betwist dat het vrij te laten inkomen van de vrouw volgens de daarvoor geldende “rekenmethode vtlb” van Recofa is berekend. Evenmin is betwist dat bij de bepaling van het vrij te laten bedrag geen rekening is gehouden met de onderhoudsverplichting van de vrouw jegens [A.] en [B.]. Het hof ziet in de onderhavige zaak dan ook geen aanleiding om af te wijken van voornoemd advies van de Werkgroep Alimentatienormen. Het hof zal mitsdien in afwijking van de rechtbank de door de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van toepassing van de schuldsaneringsregeling, 20 september 2005, voor de duur van die regeling op nihil stellen.

4.11. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking van de rechtbank gedeeltelijk dient te worden vernietigd.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2007 voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot uitbreiding van de omgang is afgewezen en voor wat betreft de ingangsdatum van de nihilstelling van de door de vrouw te betalen kinderalimentatie;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 november 2004 voor wat betreft de daarbij vastgestelde omgangsregeling aldus, dat de vrouw en de minderjarigen [A.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], en [B.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], gerechtigd zijn tot omgang met elkaar:

- met ingang van 9 februari 2008 viermaal om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vrouw thuis, waarbij de man zorg draagt voor het vervoer van de kinderen;

- met ingang van 5 april 2008 gedurende een weekeinde per maand van vrijdag 19.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de vrouw thuis, waarbij de vrouw zorg draagt voor het vervoer van de kinderen;

bepaalt - met wijziging van de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 november 2004 in zoverre - de ingangsdatum van de nihilstelling van de door de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van voornoemde minderjarigen op 20 september 2005;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 maart 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.