Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6015

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
R200701390
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel VII Wjz bepaalt dat de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg onmiddellijke werking heeft.

Deze onmiddellijke werking houdt in, dat bij (her-)beoordeling van een machtiging de situatie met ingang van 1 januari 2008 getoetst moet worden aan de criteria van artikel 29b lid 3 Wjz.

De onmiddellijke werking brengt niet met zich dat - alsnog - instemming van de jeugdige (en degene die het gezag over hem uitoefent) als bedoeld in artikel 29k lid 2 Wjz nodig is voor tenuitvoerlegging in een JJI van een geconverteerde machtiging. Zulks volgt niet uit artikel VII lid 3 wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg.

De onmiddellijke werking houdt evenmin in, dat -alsnog- de instemming van een gedragswetenschapper (artikel 29b lid 5 Wjz) vereist is voor de verlenging van een machtiging als bedoeld in artikel 29b lid 1 Wjz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

19 februari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701390

Zaaknummer eerste aanleg 123632 / OT RK 07-1504

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

thans verblijvende in de justitiële jeugdinrichting Het Keerpunt te Cadier en Keer,

appellant,

hierna te noemen: [appellant]

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te Roermond, locatie Sittard,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Maastricht van 10 december 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 20 december 2007, heeft [appellant] verzocht, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking, al dan niet met terugwerkende kracht tot aan de datum van de genomen beschikking te vernietigen met veroordeling van de stichting in de kosten van deze procedure.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 januari 2008, heeft de stichting verzocht, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 februari 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant], bijgestaan door mr. I.F.H. Nelissen, advocaat;

- mevrouw N.M.W. Baltussen en de heer A. Callemeijn, namens de stichting;

- mevrouw [Y.], de moeder.

Zowel de heer [Z.], de vader, als de Raad voor de Kinderbescherming, zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van het hof verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de producties, overgelegd bij het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 6 december 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het huwelijk van de ouders is op [geboortejaar] te [geboorteplaats], de thans nog minderjarige [appellant] geboren. De vader heeft in 2006 het gezin verlaten waarna de moeder de opvoeding van [appellant] alleen heeft voortgezet. De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag belast.

[appellant] verblijft vanaf 15 juni 2007 in de justitiële jeugdinrichting Het Keerpunt te Cadier en Keer.

4.2. De kinderrechter heeft bij de bestreden beschikking de ondertoezichtstelling van [appellant] verlengd met ingang van 22 december 2007 voor een termijn van één jaar. Voorts heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging tot plaatsing van [appellant] in een justitiële jeugdinrichting (JJI) met ingang van 22 december 2007 voor de termijn van twee maanden verlengd. De kinderrechter heeft het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de resterende termijn aangehouden.

4.3. De kinderrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat er nog steeds sprake is van ernstige gedragsproblemen, reden waarom [appellant] destijds in een JJI is geplaatst. Deze problemen hebben aanleiding gegeven tot het besluit om aan [appellant] een behandeling te bieden als voorzien in het indicatiebesluit.

Deze behandeling dient volgens de kinderrechter binnen de normaal beveiligde setting van een JJI aan te vangen, zeker gezien het feit dat [appellant] behandeling ter discussie heeft gesteld. Aangezien het de kinderrechter is gebleken dat het indicatiebesluit dat recht geeft op behandeling dateert van 15 augustus 2007 en de behandeling op het moment van de mondelinge behandeling bij de kinderrechter op 6 december 2007 niet is aangevangen heeft de kinderrechter het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing toegewezen voor een termijn van twee maanden onder aanhouding van de beslissing voor de resterende termijn.

Indien de behandeling alsdan niet blijkt te zijn aangevangen kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot het oordeel dat de machtiging uithuisplaatsing in een JJI toch dient te worden verleend voor de resterende termijn. Het feit dat de moeder aan suikerziekte lijdt acht de kinderrechter niet van doorslaggevende betekenis voor de vraag of [appellant] weer thuis geplaatst kan worden. Van belang is slechts bij welke maatregel de minderjarige het meest gebaat is.

4.4. In zijn beroepschrift heeft [appellant] onder meer het volgende naar voren gebracht. [appellant] kan zich niet verenigen met de door de kinderrechter verleende machtiging tot plaatsing in een JJI. Hij betwist dat er sprake zou zijn van ernstige gedragsproblemen. Hiertoe voert hij aan dat hij ingevolge een strafrechtelijke veroordeling gedurende zes maanden zijn straf heeft uitgezeten zonder een enkele keer verlof te hebben genoten. Aansluitend is zijn verblijf in Het Keerpunt “verlengd” door middel van de machtiging uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting. [appellant] wil laten zien dat hij veranderd is tijdens die zes maanden. Hij heeft zich aan de regels gehouden en weet dat hij gezag moet aanvaarden en zich niet meer agressief moet gedragen. [appellant] ervaart de civielrechtelijke plaatsing als verlenging van zijn straf. Bovendien dient op grond van artikel 17 EVRM een plaatsing in een JJI zo kort mogelijk te duren om de rechten van het kind niet verder te beperken dan strikt noodzakelijk.

[appellant] bewist dat hij zich aan een behandeling zou willen onttrekken. Vóór de plaatsing heeft hij altijd meegewerkt aan de door de jeugdreclassering gegeven begeleiding. [appellant] is bovendien geen gevaar voor zichzelf en behoeft geen zwervend bestaan te leiden; hij heeft immers onderdak bij zijn moeder.

[appellant] meent dat de behandeling ook bij de moeder thuis kan plaatsvinden; de gezinsvoogd kan dan toezicht houden en waar nodig hulp en steun bieden.

Het recht op behandeling bestaat op grond van het indicatiebesluit sinds 15 augustus 2007. De behandeling is echter nog niet aangevangen. Er zou op korte termijn nog geen behandelplaats voor [appellant] beschikbaar zijn.

Tot slot wijst [appellant] op een krantenartikel waarin wordt beschreven dat een inspectierapport heeft aangetoond dat de behandeling van jongeren in de JJI Het Keerpunt tekort schiet.

4.5. De stichting voert in haar verweerschrift aan dat het in het belang van [appellant] is dat de plaatsing in Het Keerpunt wordt gecontinueerd. Er is wel degelijk sprake van een forse gedragsstoornis en een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling. Er zijn zich bij [appellant] antisociale en narcistische trekken aan het ontwikkelen. [appellant] heeft geen probleembesef en bestaat er tevens het risico dat hij zal weglopen. Het Keerpunt heeft aangegeven dat, in afwachting van de behandeling, men nu reeds gestart is met behandeling in de vorm van een beloningssysteem.

4.6. Ter zitting heeft de advocaat van [appellant] benadrukt dat [appellant] in hoger beroep is gekomen tegen de bestreden beschikking in verband met de verlenging van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Hij voelt zich gestraft ondanks het feit dat zijn strafrechtelijke plaatsing reeds is afgelopen; hij heeft sinds juni 2007 geen verlof gehad. [appellant] voegt daaraan toe dat er geen sprake is van wegloopgedrag. Hij wil graag thuisgeplaatst worden om van daaruit behandeld te worden.

Ter zitting is naar voren gekomen dat [appellant] zeer recent is geplaatst in een behandelgroep in Het Keerpunt. Dit betreft een groep van in totaal acht personen. [appellant] heeft inmiddels ervaren dat het rustiger is op deze groep. Aangezien het een recente plaatsing betreft is nog niet te zeggen hoe de behandeling verloopt. [appellant] heeft aangegeven het gevoel te hebben dat de behandeling zal helpen.

4.7. De stichting heeft ter zitting gepersisteerd bij de noodzaak van de behandeling van [appellant] zoals zij in haar verweerschrift heeft beschreven. De moeder heeft ter zitting benadrukt dat zij thuis geen problemen heeft met [appellant], hij goed naar haar luistert en het haar wens is dat [appellant] weer thuis komt wonen. Ook hoopt zij dat [appellant] met verlof kan.

4.8. De advocaat van [appellant] betwist dat er is voldaan aan het vereiste van een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper die [appellant] kort van tevoren heeft bezocht. Bovendien stemt [appellant] niet in met zijn verblijf in de JJI.

Deze instemmingen zijn naar de mening van [appellant] inmiddels vereist op grond van de per 1 januari 2008 in werking getreden. Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugdzorg) (hierna: Wjz gesloten jeugdzorg).

4.9. Het hof overweegt het volgende.

Overgangsrecht, onmiddellijke werking

4.9.1. De vraag die eerst moet worden beantwoord is of de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg onmiddellijke werking heeft. Artikel VII van deze wet bevat bepalingen van overgangsrecht. Uit deze bepalingen moet naar het oordeel van het hof worden afgeleid, dat de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg onmiddellijke werking heeft. Een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 1:261 lid 5 BW, verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg, wordt immers op grond van artikel VII lid 2 van deze wet geconverteerd in een machtiging als bedoeld in artikel 29b Wjz.

Deze onmiddellijke werking houdt naar het oordeel van het hof in, dat bij

(her-)beoordeling ex nunc van de hiervoor bedoelde machtiging de situatie met ingang van 1 januari 2008 getoetst moet worden aan de criteria van artikel 29b lid 3 Wjz, te weten: is er sprake van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

4.9.2 Vervolgens is het de vraag of de onmiddellijke werking ook met zich brengt, dat - alsnog - instemming van de jeugdige (en degene die het gezag over hem uitoefent) als bedoeld in artikel 29k lid 2 Wjz nodig is voor tenuitvoerlegging in een JJI van een geconverteerde machtiging zoals hiervoor bedoeld en dus zoals de onderhavige ter discussie staande machtiging.

Het hof is - anders dan de advocaat van [appellant] betoogt - van oordeel dat zulks niet volgt uit artikel VII lid 3 wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg. Daaruit kan hoogstens afgeleid worden dat instemming vereist is voor tenuitvoerlegging in een JJI van een machtiging die volgt op een geconverteerde machtiging zoals hiervoor bedoeld.

De onmiddellijke werking houdt naar het oordeel van het hof evenmin in, dat -alsnog- de instemming van een gedragswetenschapper (artikel 29b lid 5 Wjz) vereist is voor de verlenging van een machtiging als bedoeld in artikel 29b lid 1 Wjz.

Zou hier anders over worden gedacht, dan zou dat betekenen dat de vereisten die op grond van de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg aan een verzoek tot verlening van een machtiging ex artikel 29b Wjz worden gesteld, met terugwerkende kracht reeds vóór de inwerkingtreding van de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg zouden gelden. Dat kan naar het oordeel van het hof niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

Inhoudelijke beoordeling

4.9.3. Het hof vindt het begrijpelijk dat de gesloten plaatsing [appellant] zwaar valt en dat hij het liefst bij zijn moeder thuis woont. Het hof is echter voldoende gebleken dat [appellant] ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid belemmeren en die maken dat de opneming in het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [appellant] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Het hof heeft het bovenstaande mede gebaseerd op het diagnostisch beeld opgenomen in het evaluatieverslag van de stichting van 12 oktober 2007 alsmede het indicatiebesluit van 19 november 2007. Uit een forensisch psychologisch onderzoek is immers gebleken dat er bij [appellant] sprake is van een flinke gedragsstoornis en een scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling waarbij antisociale en narcistische trekken zich aan het ontwikkelen zijn.

Dit in combinatie met cognitief (vooral verbaal) zwakke vaardigheden, die hem het onbenoembare doen omzetten in onacceptabel gedrag. Verder heeft [appellant] volgens de stichting twee gezichten. Enerzijds de houding van [appellant] in de buitenwereld, waarbij hij zich wil meten aan anderen, anderzijds zijn houding in het bijzijn van de moeder, waarbij hij niet de waarheid vertelt en zich lief gedraagt, omdat hij niet wil dat de moeder hem zal afwijzen.

De stelling van [appellant] en zijn moeder dat [appellant] vanuit thuis begeleid kan worden is naar het oordeel van het hof voldoende weerlegd door de stichting. De in het verleden door een jeugdreclasseerder verleende begeleiding in het kader van ITB Criem is immers niet afdoende gebleken.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b lid 3 Wjz, zodat de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [appellant] in een JJI terecht heeft verlengd.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 10 december 2007, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Zinnen, Bijleveld-van der Slikke en Raab en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.