Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6011

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
R200701319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moeder niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de verlenging van de machtigingen uithuisplaatsing. Geen belang wegens verstrijken termijn van die machtigingen. Emotionele genoegdoening jegens de stichting levert geen belang op. Financiële genoegdoening zou voldoende belang kunnen opleveren, maar daartoe is onvoldoende gesteld, zo dit al uit de stellingen van de moeder kan worden begrepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

IWMD

14 februari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701319

Zaaknummer eerste aanleg 177517 JE RK 07-1230

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de moeder,

procureur mr. B.Th.H. Boomsma,

t e g e n

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde,

hierna: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 10 september 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 december 2007, heeft de moeder verzocht voornoemde beschikking te vernietigen voor zover daarbij de machtigingen tot uithuisplaatsing werden verlengd.

2.2. Er is geen verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mevrouw mr. V. Nederlof;

- mevrouw Y.C.J. Smeets namens de raad;

- mevrouw G. van Versendaal namens Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de stichting);

- de heer [Y.] (hierna: de vader), bijgestaan door mr. E.A.A. Charry.

2.4. De minderjarige [dochter A.] is in de gelegenheid gesteld haar mening aan het hof kenbaar te maken. Zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief van de stichting d.d. 20 december 2007;

- de stukken van de stichting, ingekomen ter griffie op 21 december 2007;

- de evaluaties hulpverleningsplan van Kompaan betreffende [dochter A.], [zoon D.], [dochter B.] en [dochter C.], ingekomen ter griffie op 21 december 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1.1. Uit de relatie tussen de moeder en de vader zijn zeven kinderen geboren, onder wie [dochter A.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], [zoon D.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], [dochter C.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], [dochter B.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats] en [zoon E.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

4.1.2. Bij beschikking van de rechtbank Breda van 11 juli 2007 zijn voornoemde minderjarigen onder toezicht gesteld van de stichting tot 11 september 2007 en is de stichting gemachtigd de minderjarigen uit huis te plaatsen, [dochter A.] in een accommodatie van een zorgaanbieder en de overige minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk het einde van de ondertoezichtstelling.

4.1.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op het daartoe strekkende verzoek van de raad de ondertoezicht- stelling van de minderjarigen verlengd met ingang van 11 september 2007 tot 11 juli 2008 en de machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd met ingang van 11 september 2007 tot uiterlijk 11 februari 2008, zulks ter effectuering van de indicatiebesluiten.

De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover daarbij de machtigingen tot uithuisplaatsing zijn verlengd en komt hiervan in beroep.

4.2.1. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hof is door en namens de moeder, onder verwijzing naar HR 31 januari 2003, NJ 2003, 271 en HR 6 februari 2004, NJ 2004, 250, gesteld dat zij, naast het belang van het doen eindigen van de uithuisplaatsing van de minderjarigen, ook belang heeft bij een inhoudelijke uitspraak van het hof, omdat vaststelling door het hof dat de machtigingen ten onrechte zijn verstrekt van belang is voor de vraag of genoeg¬doening van de stichting mag worden gevergd én het oordeel van het hof van belang is voor nieuwe beslissingen inzake het verlenen dan wel verlengen van de machtigingen.

4.2.2. Het hof is van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep, nu de termijn van de bij de bestreden beschikking uitgesproken maatregel inmiddels is verstreken (zie laatstelijk HR 30 november 2007, LJN BB5547 en HR 14 december 2007, LJN BB7173). Het door de moeder gestelde belang bij een inhoudelijke uitspraak van het hof ondanks het verstreken zijn van de geldigheidsduur van de machtigingen in verband met mogelijke genoegdoening van de stichting levert naar het oordeel van het hof in deze geen zelfstandig belang op. Voor zover de moeder met genoegdoening doelt op emotionele genoegdoening overweegt het hof dat een zuiver emotioneel belang naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad geen belang kan creëren. In het geval de moeder met genoegdoening financiële vergoeding beoogt, overweegt het hof dat een financieel belang onder omstandig¬heden mogelijk voldoende zelfstandig belang zou kunnen opleveren. Het hof is echter van oordeel dat de moeder, voor zover dit al uit haar stellingen moet worden begrepen, haar stellingen niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. Voorts overweegt het hof dat het door de moeder gestelde belang bij een inhoudelijke uitspraak van het hof in verband met de eventuele opvolgende beslissingen van de rechtbank naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad evenmin een belang oplevert dat meebrengt dat de moeder in haar beroep ontvankelijk is. Ten slotte ziet het hof geen aanleiding voor een overweging ten overvloede en is ook overigens niet gesteld noch gebleken dat het hoger beroep nog enig ander in rechte te honoreren doel dient.

4.2.3. Gelet op het vorenstaande zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Breda van 10 september 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Everaars-Katerberg en Vlaardingerbroek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.