Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6005

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
R200700905
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van de stukken is het hof gebleken dat de man een WW-uitkering ontvangt van € 391,20 netto per vier weken, omgerekend € 423,80 netto per maand [..], exclusief vakantiegeld, op basis van een beschikbaarheid van de man van slechts 20 uur per week. Naar het oordeel van het hof heeft de man, gelet op de -herhaalde en nadrukkelijke- betwisting van de vrouw, onvoldoende aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt waarom hij slechts een WW-uitkering op basis van een 20-urige werkweek ontvangt. Daarnaast acht het hof de stelling van de man, dat de inkomsten uit zijn onderneming ‘Demiclean’ niet voldoende zijn om een inkomen te verwerven van € 1.200,- netto per maand, volstrekt onvoldoende onderbouwd, waardoor, bij gebreke van een deugdelijk feitelijk fundament, zelfs niet aan de “substantiëringsplicht” is voldaan. De man heeft alleen een BTW-aangifte over het derde kwartaal van 2007 overgelegd, terwijl het op zijn weg had gelegen om, gelet op de aard van het door de vrouw gevoerde verweer, op zijn minst de overige beschikbare BTW-aangiften en aanslagen over 2007, alsook de door de accountant van Demiclean opgestelde bedrijfsprognose in het geding te brengen. Hoewel zijdens de man ter zitting in hoger beroep alsnog is aangeboden zijn stellingen met bewijsstukken te onderbouwen, gaat het hof aan dit aanbod voorbij nu het aanbod tardief is. Gelet op de betwisting van de vrouw zowel in eerste aanleg als in haar verweerschrift in hoger beroep, had het naar het oordeel van het hof op de weg van de man gelegen om reeds in een eerder stadium van de procedure rechtens relevante bescheiden over te leggen ter onderbouwing van zijn stellingen.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat de man, terwijl hij ook in hoger beroep hiertoe ruimschoots in de gelegenheid is gesteld, onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. Dientengevolge is het voor het hof niet mogelijk om een gefundeerd oordeel te geven over de financiële mogelijkheden van de man tot betaling van een kinder- bijdrage, hetgeen voor rekening en risico van de man dient te komen. Voor zover de man stelt dat hij geen draagkracht heeft om de geldende kinderalimentatie van thans € 188,- te voldoen, gaat het hof hieraan aldus als onvoldoende onderbouwd voorbij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

EB

14 februari 2008

Sector Civiel recht

Rekestnummer R200700905

Zaaknummer eerste aanleg 151084 / FA RK 06-4683

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

procureur: mr. T.P.M. Kouwenaar,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur: mr. P.A. Schippers.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 juni 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2007, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de daarin vastgestelde kinderalimentatie en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie te bepalen op € 130,00 per maand, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 september 2007, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel dit hem te ontzeggen, met veroordeling van de man in de kosten.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. T.P.M. Kouwenaar;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. P.A. Schippers.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 mei 2007;

- een brief met bijlagen van de procureur van de man d.d. 18 december 2007.

Bij brief van 14 januari 2008 heeft de advocaat van de man het hof verzocht om alsnog financiële stukken zijdens de man in te mogen dienen. Bij faxbericht van 16 januari 2008 heeft de advocaat van de vrouw op voornoemde brief gereageerd en verzocht het verzoek van de man af te wijzen. Het hof heeft bij brief van 17 januari 2008 de advocaat van de man medegedeeld dat zijn verzoek niet wordt gehonoreerd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 29 april 2005 te ’s-Hertogenbosch met elkaar gehuwd. Bij de thans bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen hen (onder meer) de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 9 november 2007.

4.2. Uit partijen is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] [Dochter] geboren.

4.3. De vrouw heeft in eerste aanleg onder meer een vaststelling verzocht van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] van € 250,- per maand. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer en voor zover hier van belang bepaald, dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 188,- per maand.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij komt hiervan in hoger beroep.

Ingangsdatum kinderalimentatie

4.5. De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de door de man te betalen kinderalimentatie is in hoger beroep niet in geschil, zodat deze vaststaat.

Behoefte

4.6. De behoefte van [dochter] aan de vastgestelde bijdrage is in hoger beroep niet in geschil, zodat deze vaststaat.

Draagkracht

4.7. De man stelt dat hij nimmer het door de rechtbank in aanmerking genomen salaris van € 1.200,- netto per maand heeft verdiend, omdat de dienstbetrekking bij TNT met ingang van mei 2007 niet is doorgegaan wegens een reorganisatie. Volgens de man heeft hij thans naast zijn WW-uitkering, die gebaseerd is op een 20-urige werkweek, inkomsten uit zijn glazenwassersbedrijf genaamd ‘Demiclean’. Deze inkomsten tezamen bedragen echter geen € 1.200,- netto per maand, aldus de man.

Zowel in haar verweerschrift als ter zitting heeft de vrouw hiertegen verweer gevoerd. Volgens de vrouw heeft de man nagelaten zijn stellingen met de nodige bescheiden te onderbouwen.

4.8. Op grond van de stukken is het hof gebleken dat de man een WW-uitkering ontvangt van € 391,20 netto per vier weken, omgerekend € 423,80 netto per maand (blijkens de betaalspecificatie WW van 19 november 2007), exclusief vakantiegeld, op basis van een beschikbaarheid van de man van slechts 20 uur per week. Naar het oordeel van het hof heeft de man, gelet op de -herhaalde en nadrukkelijke- betwisting van de vrouw, onvoldoende aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt waarom hij slechts een WW-uitkering op basis van een 20-urige werkweek ontvangt. Daarnaast acht het hof de stelling van de man, dat de inkomsten uit zijn onderneming ‘Demiclean’ niet voldoende zijn om een inkomen te verwerven van € 1.200,- netto per maand, volstrekt onvoldoende onderbouwd, waardoor, bij gebreke van een deugdelijk feitelijk fundament, zelfs niet aan de “substantiëringsplicht” is voldaan. De man heeft alleen een BTW-aangifte over het derde kwartaal van 2007 overgelegd, terwijl het op zijn weg had gelegen om, gelet op de aard van het door de vrouw gevoerde verweer, op zijn minst de overige beschikbare BTW-aangiften en aanslagen over 2007, alsook de door de accountant van Demiclean opgestelde bedrijfsprognose in het geding te brengen.

Hoewel zijdens de man ter zitting in hoger beroep alsnog is aangeboden zijn stellingen met bewijsstukken te onderbouwen, gaat het hof aan dit aanbod voorbij nu het aanbod tardief is. Gelet op de betwisting van de vrouw zowel in eerste aanleg als in haar verweerschrift in hoger beroep, had het naar het oordeel van het hof op de weg van de man gelegen om reeds in een eerder stadium van de procedure rechtens relevante bescheiden over te leggen ter onderbouwing van zijn stellingen.

4.9. Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat de man, terwijl hij ook in hoger beroep hiertoe ruimschoots in de gelegenheid is gesteld, onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. Dientengevolge is het voor het hof niet mogelijk om een gefundeerd oordeel te geven over de financiële mogelijkheden van de man tot betaling van een kinder- bijdrage, hetgeen voor rekening en risico van de man dient te komen. Voor zover de man stelt dat hij geen draagkracht heeft om de geldende kinderalimentatie van thans € 188,- te voldoen, gaat het hof hieraan aldus als onvoldoende onderbouwd voorbij.

4.10. De bestreden beschikking van de rechtbank dient derhalve te worden bekrachtigd.

Proceskosten.

4.11. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 juni 2007, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Philips, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.