Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC5638

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
20-000053-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM4398, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM4398
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 289/45 Sr.: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot moord op zijn echtgenote door middel van brandstichting. Verdachtes verklaringen bij de politie acht het hof niet bruikbaar voor het bewijs ten gevolge van de wijze waarop de verdachte door de politie is verhoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 117

Uitspraak

Parketnummer: 20-000053-07

Uitspraak : 4 maart 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 22 december 2006 in de strafzaak met parketnummer 02-811981-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1949,

zonder vaste bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een gedeelte van EUR 12.450,61, zijnde EUR 4.950,61 voor materiële schade en EUR 7.500,- voor immateriële schade, toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en daarbij haar vordering beperkt tot vergoeding van de materiële schade ten belope van EUR 4.950,61.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten belope van EUR 4.950,61, met dienovereenkomstige oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 december 2005 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade (zijn

echtgenote) [naam echtgenote] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, daartoe op meer, althans één plaats(en) in hun/de

woning [adres woning] (open) vuur in aanraking heeft gebracht met (een)

brandbare stof(fen) (benzine), althans brand heeft gesticht in de woning,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 december 2005 te Tilburg opzettelijk brand heeft

gesticht in een woning [adres woning], immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk benzine, althans een brandbare stof, op/over de vloer(bedekking)

en/of kranten gegooid, althans verspreid en/of(een) kaars(en) (in

de nabijheid van die brandbare stof(fen)) aangestoken, in elk geval

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die vloer(bedekking) en/of

die krant(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan het

interieur en/of de inboedel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of

die inboedel en/of belendende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

[naam echtgenote], in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor een ander of anderen te duchten was;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

A1.

Op de zitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat door de wijze waarop de politie het dossier heeft opgebouwd, gehandeld is in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Volgens de raadsman zijn de op papier gestelde verhoren die zich in het dossier bevinden zeer summier weergegeven in vergelijking met de werkelijk gesproken tekst. Zo zouden bepaalde van belang zijnde passages niet of slechts zeer summier op schrift zijn gesteld, zoals het herhaaldelijk hameren door de verhorende verbalisanten op het beweerde ziek zijn van de verdachte. Verder zouden de verhoren in het dossier veel stelliger zijn dan de daadwerkelijk gesproken teksten en zouden de twijfels die de verdachte heeft uitgesproken niet in het proces-verbaal zijn opgenomen.

A2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het dossier bevinden zich diverse processen-verbaal waarin de verhoren van de verdachte op schrift zijn weergegeven. Deze verhoren zijn tevens vastgelegd op DVD. Het hof heeft delen uit deze DVD’s bekeken. Verder zijn alle op DVD opgenomen verhoren woordelijk uitgeschreven.

Ten aanzien van de verhoren van de verdachte is het volgende gebleken.

De verdachte is verspreid over een vijftal dagen twaalfmaal verhoord. Tijdens de verhoren hebben de verbalisanten veelvuldig gebruik gemaakt van suggestieve en sturende vraagstellingen. Zo werd het onderwerp ‘benzine’ ter sprake gebracht door de verdachte op 11 januari 2006. Aan de verdachte werd gevraagd wat hij bij Karwei had gekocht. Het antwoord van de verdachte was dat hij alleen lampjes had gekocht. Vervolgens werd gevraagd of de verdachte zeker wist dat hij geen brandbare middelen had gekocht. De verdachte ontkende en voerde toen aan zeker geen benzine te hebben gekocht. De reactie hierop van de verhorende verbalisanten was dat dit daderkennis was.

Verder is door de verbalisanten herhaaldelijk op een bijkans manipulatieve wijze benadrukt dat de verdachte psychisch ziek zou zijn. Zo hield een van de verbalisanten de verdachte, nadat deze zich vertwijfeld had afgevraagd waarom hij het gedaan zou hebben, voor: “omdat je ziek bent”.

A3.

Het hof acht de hiervoor omschreven wijze van verhoor ongeoorloofd en in strijd met het pressieverbod zoals dit is neergelegd in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Evenwel is naar het oordeel van het hof geen sprake van een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.

Het verweer wordt verworpen.

Vrijspraak

B1.

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

B2.

Het hof overweegt dienaangaande nog het volgende.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, dat het enige directe bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit besloten ligt in zijn verklaringen bij de politie als verdachte op en na 10 januari 2006.

Deze verklaringen acht het hof evenwel niet bruikbaar voor het bewijs van het ten laste gelegde. Zoals hiervoor besproken acht het hof de wijze waarop de verdachte in de onderhavige zaak door de politie is verhoord, ongeoorloofd en in strijd met het pressieverbod van artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit brengt mee dat deze verklaringen moeten worden aangemerkt als niet in vrijheid afgelegd. Nu verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep stellig heeft ontkend, acht het hof de verklaringen bij de politie, voor zover deze als bekennend kunnen worden geduid, onvoldoende betrouwbaar.

Ander bewijsmateriaal waaruit de directe betrokkenheid van de verdachte volgt, heeft het hof niet aangetroffen.

B3.

In haar requisitoir heeft de advocaat-generaal een aantal omstandigheden genoemd op grond waarvan zij bewezen acht dat de verdachte het primair ten laste gelegde, de poging tot moord op [naam echtgenote], heeft begaan.

Verkort weergegeven betreft dit het volgende:

1) de verdachte zou enige tijd voor 12 december 2005 de batterijen uit de brandmelder hebben gehaald;

2) de verdachte zou een alibi voor zichzelf hebben geconstrueerd door op de bewuste avond naar Groningen te rijden met een fiets voor zijn zoon;

3) de verdachte heeft [naam echtgenote] die avond aangespoord om boven te gaan rusten en niet beneden op de bank wat zij normaal deed;

4) de brand is gesticht op de manier van een kenner. De verdachte is zo’n kenner;

5) de verdachte heeft geen aannemelijke verklaring voor wat hij op de bewuste avond

tussen 18.23 uur en 20.06 uur heeft gedaan;

6) de verdachte werd om 20.06 uur gebeld dat zijn huis in brand stond en om 20.45 uur dat zijn vrouw in het ziekenhuis lag. Hij had in tien minuten bij het ziekenhuis kunnen zijn, maar is daar pas een uur later aangekomen.

B4.

Het hof overweegt omtrent het onder 1) vermelde dat uit het aanvullende proces-verbaal van de unit forensisch technisch onderzoek van de politie Midden en West Brabant

nr. PL2066/05-332683 van 23 oktober 2006 blijkt dat door de technische recherche niet is kunnen worden vastgesteld of er tijdens de brand een batterij in de brandmelder aanwezig is geweest. Over dit onderwerp heeft [naam echtgenote] bij de rechter-commissaris op 3 oktober 2007 verklaard dat zij niet weet of de verdachte de batterijen uit de rookmelder heeft gehaald en dat zij zich ook niet kan herinneren dat ze dat eerder wel verklaard zou hebben.

Ten aanzien van het onder 2), onder 5) en onder 6) vermelde zijn naar het oordeel van het hof, weliswaar onduidelijkheden blijven bestaan, nadat de verdachte geconfronteerd is geworden met de bevindingen van het technische politie-onderzoek, maar deze onduidelijkheden leveren geen (rechtstreeks) bewijs op dat het de verdachte is geweest die op de bewuste avond in zijn woning brand heeft gesticht.

Ten aanzien van de onder 3) opgenomen omstandigheid overweegt het hof dat de verdachte op de zitting van de rechtbank van 12 december 2006 heeft verklaard dat hij en [naam echtgenote] er die dag niet over gesproken hadden of [naam echtgenote] op de bank ging slapen of niet, dat ze net een nieuw bankstel hadden en al eerder hadden afgesproken dat daar niet meer op geslapen werd en dat [naam echtgenote] uit zichzelf naar boven ging om te slapen. Deze verklaring kan waar zijn. Zij wordt enkel weersproken door de verklaring van [naam echtgenote] op dit punt.

Tenslotte overweegt het hof ten aanzien van punt 4) dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet meer naar voren is gekomen dan dat de verdachte een cursus brandbestrijding heeft gevolgd. Daaruit is niet af te leiden dat de verdachte over bijzondere kennis met betrekking tot het stichten van een brand beschikt.

B5.

Concluderend is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal aangevoerde omstandigheden, die op zich betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten niet onmogelijk zouden doen zijn, niet voldoende zijn om te komen tot het oordeel dat verdachte de brand heeft gesticht en daarmee het tenlastegelegde feit onder 1 primair of subsidiair zou hebben gepleegd.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] vordert vergoeding van materiële schade ten belope van EUR 4.950,61.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft, kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen.

Beslag

De in beslag genomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen moeten worden teruggegeven aan degene onder wie ze in beslag genomen zijn.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij, [naam benadeelde partij] in haar vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de benadeelde partij, [naam benadeelde partij], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen aan degene onder wie ze in beslag genomen zijn.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. A. de Lange en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.W. Looijmans, griffier,

en op 4 maart 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.