Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC5448

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
R200700952-103.009.232_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoewel partijen over de hoogte van de gemeenschapsschulden van mening blijven verschillen, staat voldoende vast dat de man op 10 augustus 2004 bij de ABN AMRO Bank N.V. een nieuw flexibel krediet tot een bedrag van € 35.000,-- gesloten heeft, met welk krediet hij de in het convenant genoemde schulden, waaronder die aan Volvo Finance tot een bedrag van € 6.429,35 en het ‘oude’ krediet, zij het dat hij een aantal schulden tot een hoger bedrag dan in het convenant vermeld en tevens een niet in het convenant vermelde (tweede) schuld aan Comfort Card heeft betaald. De vrouw betwist het bestaan van de tweede schuld aan Comfort Card en de noodzaak tot betaling van hogere bedragen dan in het convenant vermeld.

Uit het voorgaande volgt dat niet duidelijk is geworden tot welk bedrag het hiervoor vermelde krediet is aangewend voor de aflossing van de uit het huwelijk van partijen stammende schulden en tot welk bedrag met de uit dat krediet voortvloeiende betalingsverplichting van € 500,-- per maand rekening dient te worden gehouden, indien de man aan deze verplichting zou voldoen, hetgeen niet het geval is [..] Daarnaast is gebleken dat de man en zijn huidige partner inmiddels een schuldenlast van ongeveer € 70.000,-- hebben opgebouwd, dat de man niet voldoet aan zijn betalingsverplichting uit hoofde van het hier reeds vermelde nieuwe flexibel krediet en dat de man de hulp van zijn broer heeft ingeroepen om financieel orde op zaken te stellen, waarbij het de bedoeling is dat die broer met alle schuldeisers een betalingsregeling treft. Het hof gaat ervan uit dat in die regeling ook de betalingsverplichting uit hoofde van het flexibel krediet bij ABN AMRO Bank N.V. wordt opgenomen.

Nu de man vooralsnog niet aflost op de schuld uit hoofde van het nieuwe flexibel krediet bij ABN-AMRO N.V. en niet duidelijk is op welke wijze van de man en zijn huidige partner de overige schulden gaan aflossen, kan het hof daarmee thans geen rekening houden en derhalve dient de beschikking, waarvan beroep, te worden bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BSU

28 februari 2008

Sector Civiel recht

Rekestnummer R200700952/103.009.232_01

Zaaknummer eerste aanleg 173012 FA RK 07-1311

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: de man,

procureur: mr. A.C.M van Gool,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de vrouw,

procureur: mr. G.P.M. Sanders.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 12 juni 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 10 september 2007, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zo nodig onder aanvulling van de gronden, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw recht doende, de door de man met ingang van 1 mei 2007 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen vast te stellen op nihil, althans op zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 oktober 2007, heeft de vrouw verzocht het hoger beroep als ongegrond af te wijzen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 29 mei 2007;

- de brieven d.d. 14 en 15 januari 2008 met bijlagen van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 15 januari 2008 met dezelfde bijlagen van de procureur van de man.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 1 november 1999 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] een tweeling geboren, te weten: [dochter A.] en [dochter B.].

4.2. Bij beschikking van voormelde rechtbank van 11 augustus 2004 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Daarbij is geen door de man ten behoeve van de kinderen van partijen te betalen onderhoudsbijdrage vastgesteld.

4.3. Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank bij beschikking van 9 juni 2005 de door de man met ingang van 8 april 2005 ten behoeve van de beide kinderen te betalen onderhoudsbijdrage vastgesteld op € 135,-- per kind per maand. De man heeft destijds tegen dat verzoek geen verweer gevoerd.

4.4. Bij op 27 maart 2007 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de man verzocht die bijdrage met ingang van 1 oktober 2006 nader vast te stellen op nihil. De vrouw heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd, waarna de rechtbank het verzoek van de man bij de beschikking, waarvan beroep, heeft afgewezen.

4.5. De man heeft tegen deze beschikking twee grieven voorgedragen, die beide betrekking hebben op zijn draagkracht. Ter zitting heeft hij grief I ingetrokken.

In grief II beklaagt de man zich er over dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de aflossing op de schuld van de man uit hoofde van het flexibel krediet nr. [kredietnummer] bij ABN AMRO Bank N.V.

4.6. Het hof overweegt als volgt.

4.7. De behoefte van de kinderen aan een onderhoudsbijdrage staat niet ter discussie.

De man heeft de door de rechtbank in de bestreden beschikking onder 3.7 tot en met 3.9. vermelde gegevens met betrekking tot zijn inkomen en de daartegenover staande uitgaven in hoger beroep niet betwist, zodat ook het hof van die bedragen uitgaat. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met het door de man opgevoerde bedrag van € 70,-- aan kosten verbonden aan de omgangsregeling. Daartegen richtte zich grief I, die de man ter zitting heeft ingetrokken.

4.8. Partijen hebben de gevolgen van de echtscheiding destijds door middel van een convenant geregeld. Daarbij is aan de man een aantal baten toegedeeld onder de verplichting de in dat convenant nader omschreven schulden voor zijn rekening te nemen. Tot die schulden behoorde een flexibel krediet onder nummer [kredietnummer] met een hoofdsom van circa

€ 9.529,38 bij ABN AMRO Bank N.V.

Op 10 augustus 2004 heeft de man bij diezelfde bank onder nummer [kredietnummer] een nieuw flexibel krediet tot een bedrag van € 35.000,-- gesloten, waarmee het krediet met nummer [kredietnummer] is afgelost.

De discussie in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met de betalingsverplichting van de man uit hoofde van dit krediet. De man is van mening dat met deze lening met ingang van 1 mei 2007 rekening dient te worden gehouden tot een bedrag van € 500,-- per maand. De vrouw daarentegen stelt zich op het standpunt dat met die betalingsverplichting in het geheel geen rekening dient te worden gehouden.

4.9. Gebleken is dat de man in de periode na augustus 2004, toen hij het ‘oude’ flexibel krediet uit het ’nieuwe’ krediet had afgelost, tot het toegestane maximum van € 15.000,-- geld is blijven opnemen van het ‘oude’ flexibel krediet met nummer [kredietnummer]. Tot mei 2006 heeft de man terzake van dit krediet een bedrag van € 317,65 per maand betaald, waarbij hij in de veronderstelling verkeerde dat hij door middel van deze betaling op het nieuwe flexibel krediet van nummer [kredietnummer] afloste.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geen rekening gehouden met de betalingsverplichting ten bedrage van

€ 317,65 uit hoofde van het ‘oude’ flexibel krediet met nummer [kredietnummer]. De man kan zich hiermee verenigen.

4.10. Naar het oordeel van het hof zou met het ‘nieuwe’ flexibel krediet bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening gehouden kunnen worden indien hij maandelijks een bedrag terzake rente en aflossing aan de ABN AMRO Bank N.V. zou voldoen, voorzover dit bedrag zou kunnen worden toegerekend aan de aflossing van huwelijkse schulden vanuit dit flexibel krediet, waaronder het ‘oude’krediet. De man heeft tijdens de zitting bij het hof echter erkend dat hij tot dan toe zelf feitelijk niets heeft afgelost op het flexibel krediet met nummer [kredietnummer].

4.11. Partijen zijn het in hoger beroep bovendien niet eens over het totaalbedrag van de gemeenschappelijke schulden die vanuit het ‘nieuwe’ krediet zijn afgelost. De in het convenant vermelde schulden, welke aan de man zijn toegescheiden, komen neer op een bedrag van in totaal € 30.666,37.

De vrouw heeft erop gewezen de met betrekking tot de in het convenant vermelde schuld bij Volvo Finance het bedrag van de schuld en het nummer van het krediet abusievelijk zijn omgewisseld en dat die schuld stond geregistreerd onder nummer [nummer] en neerkwam op € 6.429,35. De man heeft dat niet betwist. De vrouw heeft verder aangevoerd dat er tevens rekening mee dient te worden gehouden dat tegenover de aan de man toebedeelde schulden onder meer een aan de man toebedeelde Volvo V40 met een waarde van ongeveer € 5.100,-- staat, zodat voor wat betreft de huwelijkse schulden dient te worden uitgegaan van een bedrag van ongeveer € 22.000,--.

De man heeft daarentegen aangevoerd dat in het convenant de schulden uit de huwelijkse periode voor een bedrag van

€ 31.564,-- staat vermeld, maar dat ten onrechte slechts één van de beide schulden aan Comfort Card is vermeld en dat daarbij nog geen rekening is gehouden met de schuld aan KPN en die aan de belastingdienst, hetgeen de vrouw op haar beurt heeft betwist.

4.12. Hoewel partijen over de hoogte van de gemeenschapsschulden van mening blijven verschillen, staat voldoende vast dat de man op 10 augustus 2004 bij de ABN AMRO Bank N.V. een nieuw flexibel krediet tot een bedrag van € 35.000,-- gesloten heeft, met welk krediet hij de in het convenant genoemde schulden, waaronder die aan Volvo Finance tot een bedrag van € 6.429,35 en het ‘oude’ krediet, zij het dat hij een aantal schulden tot een hoger bedrag dan in het convenant vermeld en tevens een niet in het convenant vermelde (tweede) schuld aan Comfort Card heeft betaald.

De vrouw betwist het bestaan van de tweede schuld aan Comfort Card en de noodzaak tot betaling van hogere bedragen dan in het convenant vermeld.

4.13. Uit het voorgaande volgt dat niet duidelijk is geworden tot welk bedrag het hiervoor vermelde krediet is aangewend voor de aflossing van de uit het huwelijk van partijen stammende schulden en tot welk bedrag met de uit dat krediet voortvloeiende betalingsverplichting van € 500,-- per maand rekening dient te worden gehouden, indien de man aan deze verplichting zou voldoen, hetgeen niet het geval is (zie hierna onder 4.15).

4.14. Voorts is gebleken dat de man per 17 december 2007 van werkgever is veranderd, waarbij hij –naar de man ter zitting van het hof heeft verklaard- ongeveer € 6.000,-- bruto per jaar meer gaat verdienen dan in zijn vorige dienstbetrekking. De advocaat van de man heeft weliswaar bij zijn brief d.d. 14 januari 2008 een specificatie van het huidige salaris van de man overgelegd, maar deze specificatie vermeldt slechts het inkomen van de man over de periode van 17 tot en met 31 december 2007 en biedt dus onvoldoende aanknopingspunten om het juiste inkomen van de man te kunnen becijferen.

4.15. Daarnaast is gebleken dat de man en zijn huidige partner inmiddels een schuldenlast van ongeveer € 70.000,-- hebben opgebouwd, dat de man niet voldoet aan zijn betalingsverplichting uit hoofde van het hier reeds vermelde nieuwe flexibel krediet en dat de man de hulp van zijn broer heeft ingeroepen om financieel orde op zaken te stellen, waarbij het de bedoeling is dat die broer met alle schuldeisers een betalingsregeling treft. Het hof gaat ervan uit dat in die regeling ook de betalingsverplichting uit hoofde van het flexibel krediet bij ABN AMRO Bank N.V. wordt opgenomen.

4.16. Nu de man vooralsnog niet aflost op de schuld uit hoofde van het nieuwe flexibel krediet bij ABN-AMRO N.V. en niet duidelijk is op welke wijze van de man en zijn huidige partner de overige schulden gaan aflossen, kan het hof daarmee thans geen rekening houden en derhalve dient de beschikking, waarvan beroep, te worden bekrachtigd.

4.17. Het hof gaat ervan uit dat partijen in staat zijn met elkaar in overleg te treden over de hoogte van de in aanmerking te nemen huwelijkse schulden en over de door de man ten behoeve van de beide kinderen van partijen te betalen onderhoudsbijdrage, zodra duidelijkheid bestaat over de hoogte van het in aanmerking te nemen inkomen van de man en over het bedrag waarmee de man en zijn huidige partner de inmiddels opgebouwde schuldenlast zullen gaan aflossen.

Indien partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken kan de man daarin aanleiding vinden zich opnieuw met een wijzigingsverzoek tot de rechter te wenden.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking, waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Vlaardingerbroek, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.