Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC5443

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
R200700844-103.009.124_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de behoeftevaststelling van de vrouw is mede bepalend de welstand waarin partijen leefden gedurende hun huwelijk. Een goede maatstaf hiervoor is in het algemeen het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens huwelijk. Gesteld noch gebleken is dat deze maatstaf in casu niet voldoet. Op het netto besteedbaar inkomen dienen ten behoeve van de bepaling van de behoefte van de vrouw in mindering te worden gebracht de kosten die ten tijde van het huwelijk voor de kinderen van partijen werden gemaakt.

Zoals hiervoor is overwogen, gaat het hof uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk van partijen van € 3.046,-- netto per maand. Op voornoemd netto besteedbaar inkomen dienen de hiervoor berekende kosten van de kinderen van in totaal € 680,-- per maand in mindering te worden gebracht. Uitgaande van de helft van het resterende bedrag van € 2.366,--, vermeerderd met een opslag van 20% wegens de hogere kosten van het niet langer voeren van een gezamenlijke huishouding, bedraagt de netto behoefte van de vrouw € 1.419,60. Hier dient het netto besteedbaar inkomen van de vrouw afgetrokken te worden.

De man stelt dat de vrouw, die thans 24 uur per week werkzaam is, in staat moet worden geacht om 36 uur per week te werken en mitsdien een volledig salaris te genereren. Het hof overweegt dat de vrouw sinds de geboorte van de kinderen niet meer dan 24 uur per week heeft gewerkt. Bovendien heeft zij de zorg voor de kinderen die nu 6 jaar oud zijn. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw een hoger inkomen kan verwerven.

Uitgaande van een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.357,-- per maand bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud in ieder geval het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 50,-- bruto per maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BL

28 februari 2008

Sector Civiel recht

Rekestnummers R200700844-103.009.124_01

Zaaknummer eerste aanleg 165418 FA RK 06-4210

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats], feitelijk verblijvende in de penitentiaire inrichting te [verblijfplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. B.Th.H. Boomsma,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 8 mei 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 augustus 2007, heeft de man verzocht voornoemde beschikking te vernietigen en te bepalen dat:

primair:

- het huwelijk van partijen niet duurzaam is ontwricht;

subsidiair:

- de kinderen worden toevertrouwd aan de man;

- de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de man dient te voldoen een bedrag van € 185,-- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;

meer subsidiair:

- de behoefte van de kinderen vast te stellen op een bedrag van € 250,-- per maand en van de vrouw op nihil;

- te bepalen dat het door de man aan de vrouw te betalen bedrag voor de verzorging en opvoeding van de kinderen wordt vastgesteld op nihil;

- te bepalen dat het door de man aan de vrouw te betalen bedrag als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud wordt vastgesteld op nihil, althans met betrekking tot het vorenstaande zodanig te beschikken als hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 september 2007, heeft de vrouw verzocht de man in zijn appel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het appel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.3. Bij beschikking van 8 november 2007 heeft het hof beslist op een verzoek van de man tot het treffen van voorlopige voorzieningen (R200701077).

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2007.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. C.G.A. Mattheussens;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. M.M.M. Heesmans;

- mevrouw M. van Dooren namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 april 2007;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man van 30 november 2007;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw van 30 november 2007;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw van 3 december 2007;

- de brief van de procureur van de vrouw van 6 december 2007;

- het faxbericht van de advocaat van de man van 4 januari 2008;

-de brief van de advocaat van de vrouw van 14 januari 2008.

De brief met bijlage van de advocaat van de man van 15 januari 2008 is retour gezonden nu het hof niet om toezending van nadere stukken had verzocht en nu de advocaat van de vrouw daartegen bezwaar heeft gemaakt bij brief van 17 januari 2008. Aan het verzoek als verwoord in de nadere brief van de advocaat van de man van 24 januari 2008 om alsnog de toegezonden stukken bij de beoordeling te betrekken, heeft het hof geen gevolg gegeven.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 9 april 1999 met elkaar gehuwd. De tussen hen gewezen echt¬scheidingsbeschikking van 8 mei 2007 van de rechtbank Breda is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 15 augustus 2007.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [zoon A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar];

- [zoon B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar],

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4.3.1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat het verzoek van de vrouw tot echtscheiding wordt toegewezen en dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben.

4.3.2. Ter zitting van het hof heeft de man zijn grieven tegen de beslissingen over de echtscheiding en het hoofdverblijf van de kinderen en daarmee samenhangend zijn voorwaardelijke zevende grief inhoudende de vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen kinderbijdrage ingetrokken, zodat deze grieven geen bespreking meer behoeven.

Tegen de beslissingen van de rechtbank omtrent het huurderschap van de echtelijke woning, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en de kostencompensatie heeft de man geen grieven aangevoerd.

In zoverre zal het beroep van de man tegen de beschikking waarvan beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tevens bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 287,-- per maand per kind met ingang vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (15 augustus 2007) en als uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 50,-- per maand met ingang van de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.3.4. De man heeft wijziging gevraagd van deze bijdragen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

Ingangsdatum wijziging

4.5. De door de rechtbank bepaalde ingangsdatum is tussen partijen niet in geschil.

Behoefte

Behoefte kinderen

4.6. De man betwist dat de behoefte van de kinderen € 345,-- per maand per kind bedraagt. De man stelt dat uitgegaan dient te worden van het netto gezinsinkomen van partijen tijdens huwelijk.

4.7.1. Het hof overweegt als volgt.

Voor de bepaling van de behoefte sluit het hof aan bij hetgeen daarover is opgeno¬men in het Rapport van de werkgroep Alimentatienormen van de NVvR. Ingevolge dat Trema-rapport dient de behoefte van een kind aan een onderhoudsbijdrage te worden bepaald aan de hand van het netto besteedbaar inkomen (en niet het netto inkomen van partijen zonder vakantiegeld, zoals door de man is gesteld) van het gezin tijdens het huwelijk of de relatie. De hieraan ten grondslag liggende gedach¬te is dat kinderen in beginsel in financiële zin niet slechter af behoren te zijn na en door het uiteengaan van hun ouders. Daarbij is mede bepalend wat, ook op basis van fiscale voordelen, aan gelden beschikbaar was ter besteding in het gezin.

4.7.2. Nu de echtscheiding in 2007 is uitgesproken en ingeschreven, geldt als maatstaf het inkomen van beide partijen in 2007. Het hof becijfert op grond van de beschikbare gegevens het fis¬caal jaarloon 2007 van de man op circa €29.500,--. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen (na aftrek van de inkomens¬afhankelijke werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering) op € 1.689,-- per maand, in fiscaal opzicht rekening houdend met de heffingskorting en de arbeidskorting.

4.7.3. De vrouw had in 2007 een netto besteedbaar inkomen van € 1.357,-- per maand. De berekening op zich door de rechtbank van dit bedrag is door de man niet betwist.

4.7.4. Vorenstaande levert een gezamenlijk besteedbaar inkomen van € 3.046,-- netto per maand. Uitgaande van dit gezamenlijk inkomen per maand en rekening houdend met de Trema-tabel ‘eigen aandeel kosten kinderen’ 2007 becijfert het hof de behoefte van de kinderen op een bedrag van € 680,-- per maand, ofwel € 340,-- per maand per kind.

De derde grief van de man slaagt derhalve in zoverre.

Behoefte vrouw

4.8.1. Het hof overweegt als volgt.

Voor de behoeftevaststelling van de vrouw is mede bepalend de welstand waarin partijen leefden gedurende hun huwelijk. Een goede maatstaf hiervoor is in het algemeen het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens huwelijk. Gesteld noch gebleken is dat deze maatstaf in casu niet voldoet. Op het netto besteedbaar inkomen dienen ten behoeve van de bepaling van de behoefte van de vrouw in mindering te worden gebracht de kosten die ten tijde van het huwelijk voor de kinderen van partijen werden gemaakt.

4.8.2. Zoals hiervoor is overwogen, gaat het hof uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk van partijen van € 3.046,-- netto per maand. Op voornoemd netto besteedbaar inkomen dienen de hiervoor berekende kosten van de kinderen van in totaal € 680,-- per maand in mindering te worden gebracht. Uitgaande van de helft van het resterende bedrag van € 2.366,--, vermeerderd met een opslag van 20% wegens de hogere kosten van het niet langer voeren van een gezamenlijke huishouding, bedraagt de netto behoefte van de vrouw € 1.419,60. Hier dient het netto besteedbaar inkomen van de vrouw afgetrokken te worden.

De man stelt dat de vrouw, die thans 24 uur per week werkzaam is, in staat moet worden geacht om 36 uur per week te werken en mitsdien een volledig salaris te genereren. Het hof overweegt dat de vrouw sinds de geboorte van de kinderen niet meer dan 24 uur per week heeft gewerkt. Bovendien heeft zij de zorg voor de kinderen die nu 6 jaar oud zijn. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw een hoger inkomen kan verwerven.

Uitgaande van een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.357,-- per maand bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud in ieder geval het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 50,-- bruto per maand.

De vierde grief van de man faalt derhalve.

Draagkracht

4.9. Nu het hof de stelling van de man inhoudende dat de vrouw in staat is meer te werken niet volgt en de door de rechtbank meegenomen financiële gegevens van de vrouw voor het overige niet worden betwist, gaat het hof tot 15 oktober 2007 uit van de door de rechtbank vastgestelde beschikbare draagkracht voor kinderbijdrage van de vrouw van € 116,-- per maand. Gebleken is in appel dat de vrouw met ingang van 15 oktober 2007 een woning huurt voor een hoger bedrag (€ 557,-- per maand) dan het bedrag dat de rechtbank in aanmerking heeft genomen (€ 400,-- per maand). Dit heeft tot gevolg dat de vrouw met ingang van 15 oktober 2007 geen draagkracht meer heeft.

De vijfde grief van de man faalt derhalve.

4.10.1. In zijn zesde grief stelt de man dat zijn draagkracht ontoereikend is om ten titel van de kinderalimentatie aan de vrouw te betalen een bedrag van € 287,-- per maand per kind en aan de vrouw een bedrag van € 50,-- per maand.

4.10.2. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de navolgende gegevens. Voor zover die gegevens door de vrouw in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

a. Inkomen van de man

Het hof gaat op grond van de beschikbare gegevens uit van een fiscaal jaarloon van de man over 2007 van om en nabij € 29.500,-- (inclusief werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering). Dit inkomen resulteert in een netto besteedbaar

inkomen van € 1.839,-- per maand, inclusief een bedrag van € 150,- inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage. Hierbij is in fiscaal opzicht rekening gehouden met de heffingskorting en de arbeidskorting.

b. Lasten van de man

1. Wwb-Normbedrag, exclusief de ondergrens huurtoeslag component voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud;

2. Woonlasten tot 1 december 2007 € 426,64 en met ingang van 1 december 2007 € 467,98 per maand aan huur, verminderd met € 64,-- huurtoeslag;

3. Premie zorgverzekering: ter zitting zijn partijen overeengekomen dat kan worden uitgegaan van een premie van € 107,-- per maand verminderd met € 9,-- zorgtoeslag per maand, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 98,-- per maand aan ziektekosten plus inkomensafhankelijke bijdrage werkgever ad circa € 150,-- per maand;

4. Kosten omgangsregeling € 77,50 per maand. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat kan worden uitgegaan van

€ 50,-- per maand aan om¬gangskosten en € 27,50 per maand aan reiskosten. Met deze kosten zal rekening worden gehouden tot 1 december 2007, nu de man in december gedetineerd is en ten gevolge daarvan de omgang niet meer plaats kan vinden;

5. Aflossing en rente op schulden en leningen. Het hof houdt op basis van hetgeen partijen ter zitting zijn overeengekomen rekening met de aflossing aan Primeline/Laserservices van € 10,-- per maand. Het hof is met betrek¬king tot de rente en aflossing op de leningen aan Interbank ten bedrage van € 140,98 per maand (hoofdsom circa € 13.200,--) en € 253,03 per maand (hoofdsom circa € 25.500,--) van oordeel dat deze beide meegenomen dienen te worden – ondanks het feit dat het doorlopend krediet met con¬tractnummer 715611011 door de vrouw wordt betwist – nu deze schulden ten tijde van het huwelijk zijn aangegaan en de man ter zitting heeft aangegeven deze schulden op zich te nemen. Met betrekking tot de schuld aan Necker¬mann van € 24,-- per maand (hoofdsom circa € 650,--) heeft de man voldoende gemotiveerd aangegeven dat deze schuld betrekking heeft op de aanschaf van een televisie staande het huwelijk.

6. Partijen zijn overeengekomen dat tot 1 november 2007 rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 112,31 per maand inzake premie aanvullend pensioen.

7. Het hof houdt met instemming van partijen eveneens rekening met het beursplan ten behoeve van de kinderen van

€ 26,09 per maand.

8. Premie begrafenisverzekering € 5,15 per maand.

c. Het hof houdt geen rekening met de navolgende posten.

De man stelt dat ten gevolge van het feit dat de vrouw staande huwelijk haar betalingsverplichting ter zake de gezamenlijke kosten van de huishouding niet heeft voldaan, er achterstanden in betaling zijn ontstaan tot een totaalbedrag van

€ 2.497,89. De man vindt het redelijk dat daarmee in de draagkrachtberekening rekening wordt gehouden in die zin dat gedurende een jaar in de berekening rekening wordt gehouden met een aflossingsbedrag van € 208,15 per maand. Het hof heeft geconstateerd dat de betalingsachterstand is ontstaan na ingangsdatum van de echtscheiding en de verplichting tot betaling van de kinderbijdrage. Met deze kosten zal het hof dan ook geen rekening houden.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat geen rekening dient te worden gehouden met de aflossing aan ANWB Visa ad

€ 32,06 per maand nu de man steeds weer gelden opneemt. De man heeft de post verwervingskosten auto ingetrokken.

4.10.3. Ter zitting van het hof is gebleken dat de man zich in voorlopige hechtenis bevindt. De strafzaak zal mogelijk invloed hebben op zijn inkomsten en draagkracht, doch de situatie is te ongewis om daar op dit moment op vooruit te lopen.

4.10.4. Op grond van bovenstaande inkomsten en lasten is de man naar het oordeel van het hof over de periode van 15 augustus 2007 tot 1 december 2007 niet in staat om enige onderhoudsbijdrage te voldoen.

Per 1 december 2007 is de man in staat tot betaling van € 20,-- per kind per maand ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De man dient zijn draagkracht geheel aan te wenden ten behoeve van de kinderen nu de vrouw per 1 december 2007 niet over draagkracht beschikt. Daarnaast heeft de man geen draagkracht tot betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw.

4.11. Gelet op het feit dat de vrouw de door de man op grond van de beschikking waarvan beroep betaalde kinderbijdrage zal hebben besteed, zal het hof bepalen dat de vrouw eventueel tot de datum van deze beschikking teveel betaalde kinderbijdrage niet aan de man hoeft terug te betalen. Het hof ziet geen aanleiding eenzelfde bepaling op te nemen voor eventueel door de vrouw ontvangen partneralimentatie. Deze alimentatie dient zij derhalve wel terug te betalen.

Proceskosten.

4.12. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Breda van 8 mei 2007 voor zover deze betrekking heeft op het uitspreken van de echtscheiding, de bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw, de beslissing met betrekking tot het huurderschap van de echtelijke woning, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en compen¬satie van de proceskosten;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 8 mei 2007 uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de kinderen en de bijdrage voor levensonderhoud van de vrouw;

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [zoon A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], en;

- [zoon B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar];

zal voldoen een bedrag van € 20,-- per kind per maand met ingang van 1 december 2007, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat deze bijdrage voor het eerst per 1 januari 2009 geïndexeerd zal worden;

bepaalt dat eventueel door de vrouw op grond van de beschikking waarvan beroep teveel ontvangen kinderbijdrage tot aan de datum van deze beschikking niet door haar aan de man behoeft te worden terugbetaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie;

wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie over de periode van 15 augustus 2007 tot 1 december 2007;

wijst af het overigens meer of anders verzochte;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.