Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC5440

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
23-10-2008
Zaaknummer
R200700439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:435 lid 3 BW bepaalt dat de rechter bij het benoemen van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende volgt, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten.

Het is het hof in de eerste plaats niet gebleken dat de moeder thans een uitdrukkelijke voorkeur heeft voor de benoeming van de dochter als bewindvoerder. Ondanks de mededeling van de dochter ter zitting dat de moeder geestelijk in staat is aan te geven wat ze wil maar dat zij lichamelijk niet in staat is hier uitvoering aan te geven, is het hof niet gebleken dat de moeder op dit moment kan zeggen wat ze wil. Daar komt bij dat de advocaat van de moeder, in elk geval in het kader van het onderhavige appel, alleen de dochter heeft gesproken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de oudste zoon uit het gezin, de heer [zoon A.], op verzoek van de moeder en wijlen de vader de volledige zorg voor de financiën heeft gehad vanaf 2002. Dit had de instemming van de moeder. Nadat haar medische situatie zodanig was verslechterd dat ze was aangewezen op 24-uurs zorg, heeft de dochter de volledige verzorging op zich genomen en heeft zij ook de financiële zorg aan zich getrokken. In dat licht bezien kan aan de notariële volmacht van de moeder aan de dochter d.d. 2 juli 2004, op welke moment de moeder voor haar verzorging reeds geheel afhankelijk was van de dochter, in ieder geval thans niet (meer) de betekenis worden gehecht die de dochter daaraan toegekend wil zien. Met name nu de onderlinge verhoudingen tussen de dochter en de zonen sedert 2004 verder verslechterd zijn, is het belang van de moeder meer gediend met de benoeming van een onafhankelijk bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

21 februari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200700439

Zaaknummer eerste aanleg 168054 BM VER 06-293

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[dochter],

wonende te [woonplaats],

en

[moeder],

wonende te [woonplaats], feitelijk verblijvende te [verblijfplaats],

beiden appellanten,

hierna: de dochter, respectievelijk de moeder,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven.

Als belanghebbenden in deze zaak kunnen worden aangemerkt:

de heer [zoon A.], de heer [zoon B.] en de heer [zoon C.], zonen van de moeder, de heer [bewindvoerder], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de moeder.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond, sector kanton, van 6 februari 2007, waarvan de inhoud bij appellanten bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 mei 2007, hebben appellanten verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, en

- primair het oorspronkelijke verzoekschrift tot instelling van bewind over de goederen van de moeder af te wijzen;

- subsidiair de eerder door de moeder aan de dochter, broer en zwager te kennen gegeven wensen casu quo wil en door de notaris vastgelegde wil, te erkennen en de dochter te benoemen als bewindvoerder, mocht het verzoekschrift tot instelling van bewind over de goederen van de moeder toegewezen worden.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2007, heeft de heer [zoon C.] als belanghebbende verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de dochter, bijgestaan door mr. F.C. de Wit-Facchetti;

- de heer [zoon C.], bijgestaan door mr. L. de Groot;

- de heer [zoon B.]; en

- de heer [zoon A.].

De moeder was wegens gezondheidsredenen niet in staat ter zitting te verschijnen. De bewindvoerder heeft bij schrijven van 14 januari 2008 laten weten niet ter zitting aanwezig te kunnen zijn.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal mondelinge behandeling ter plaatse in eerste aanleg d.d. 22 december 2006;

- de brieven van de bewindvoerder d.dis 20 juli 2007 en 3 augustus 2007 en 14 januari 2008;

- de emailberichten van de dochter waaronder die van d.dis 11 en 13 juni 2007;

- het faxbericht met bijlagen d.d. 14 januari 2008 van de advocaat van de moeder en de dochter.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij inleidend verzoekschrift van 28 april 2006 hebben de heren [zoon B.] en [zoon C.] de rechtbank Roermond, sector kanton, verzocht een meerderjarigenbewind in te stellen over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de moeder.

4.2. Bij beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter te Roermond een bewind voor onbepaalde tijd ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de moeder en heeft daarbij mr. Maarten Dekker, notaris te Rotterdam, tot bewindvoerder benoemd.

Tegen deze benoeming komen appellanten in hoger beroep.

4.3. De kantonrechter heeft overwogen dat uit de stukken, de behandeling ter terechtzitting en het verhoor plus het daarvan opgemaakte proces-verbaal door de kantonrechter te Rotterdam - welke kantonrechter ingevolge beschikking van 20 november 2006 was verzocht om de rechthebbende te horen en daarvan verslag uit te brengen - aannemelijk is geworden dat de rechthebbende als gevolg van haar lichamelijke en/of geestelijke toestand niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat de onenigheid en daarmee het gebrek vertrouwen binnen de familie voldoende reden is om een derde te benoemen tot bewindvoerder, zonder de kwaliteiten van de voorgestelde bewindvoerder in twijfel te trekken.

4.4. Appellanten stellen in hun beroepschrift om principiële redenen in beroep te zijn gegaan tegen deze beschikking; er wordt namelijk voorbij gegaan aan de wil van de moeder. Het is de wens van de moeder, overeenkomstig de door haar verstrekte volmacht, dat de dochter haar zaken behartigt.

De kantonrechter heeft in strijd met artikel 1:435 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) gehandeld door de uitdrukkelijke voorkeur van de moeder niet te volgen.

Appellanten menen dat er geen gegronde redenen zijn die zich verzetten tegen de benoeming van de dochter als bewindvoerder, mede nu de kantonrechter zelf in zijn beslissing aangeeft de kwaliteiten van de voorgestelde bewindvoerder niet in twijfel te trekken.

Ten slotte concluderen appellanten dat de communicatie met de benoemde bewindvoerder stroef verloopt en dat dit nadelige consequenties heeft voor de betalingen van de hulpverleensters van de moeder. De dochter ziet zich genoodzaakt het salaris van de diverse hulpverleensters uit eigen vermogen te voldoen. Appellanten vrezen dat hierdoor op termijn de zorg van de moeder niet goed geregeld wordt.

4.5. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt.

Het is het hof gebleken dat de moeder als gevolg van haar lichamelijke dan wel haar geestelijke toestand duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen, zodat voldaan is aan de voorwaarden van het instellen van een meerderjarigenbewind als genoemd in artikel 1:431 BW.

Haar lichamelijke beperkingen, bestaande uit onder meer een halfzijdige verlamming, een klauwhand alsmede een forse afasie na meerdere herseninfarcten, beheersen het leven van de moeder volledig en het is onwaarschijnlijk dat de moeder hiervan (volledig) zal herstellen. Ook de dochter heeft zulks ter zitting van het hof erkend. Zij verzorgt de moeder bij haar thuis met de inzet van diverse hulpverleners door middel van een persoonsgebonden budget. Het hof oordeelt dan ook dat de kantonrechter terecht is overgegaan tot de instelling van een meerderjarigenbewind. Het primaire verzoek van de dochter en de moeder wordt derhalve afgewezen.

4.6. Artikel 1:435 lid 3 BW bepaalt dat de rechter bij het benoemen van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende volgt, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten.

Het is het hof in de eerste plaats niet gebleken dat de moeder thans een uitdrukkelijke voorkeur heeft voor de benoeming van de dochter als bewindvoerder. Ondanks de mededeling van de dochter ter zitting dat de moeder geestelijk in staat is aan te geven wat ze wil maar dat zij lichamelijk niet in staat is hier uitvoering aan te geven, is het hof niet gebleken dat de moeder op dit moment kan zeggen wat ze wil. Daar komt bij dat de advocaat van de moeder, in elk geval in het kader van het onderhavige appel, alleen de dochter heeft gesproken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de oudste zoon uit het gezin, de heer [zoon A.], op verzoek van de moeder en wijlen de vader de volledige zorg voor de financiën heeft gehad vanaf 2002. Dit had de instemming van de moeder. Nadat haar medische situatie zodanig was verslechterd dat ze was aangewezen op 24-uurs zorg, heeft de dochter de volledige verzorging op zich genomen en heeft zij ook de financiële zorg aan zich getrokken. In dat licht bezien kan aan de notariële volmacht van de moeder aan de dochter d.d. 2 juli 2004, op welke moment de moeder voor haar verzorging reeds geheel afhankelijk was van de dochter, in ieder geval thans niet (meer) de betekenis worden gehecht die de dochter daaraan toegekend wil zien. Met name nu de onderlinge verhoudingen tussen de dochter en de zonen sedert 2004 verder verslechterd zijn, is het belang van de moeder meer gediend met de benoeming van een onafhankelijk bewindvoerder.

In de tweede plaats heeft het hof, net als de rechtbank, geconstateerd dat er tussen de dochter enerzijds en de drie zonen anderzijds geen onderling vertrouwen bestaat. Ter zitting hebben de zonen zich uitdrukkelijk enerzijds verzet tegen de benoeming van de dochter als bewindvoerder. Anderzijds heeft de dochter verklaard niet in te stemmen met de door de zonen [zoon C.] en [zoon C.] voorgestelde benoeming van de zoon, [zoon A.], tot bewindvoerder.

Ondanks het gegeven dat de dochter de persoonlijke verzorging van de moeder met volledige toewijding regelt en erg betrokken is bij het wel en wee van de moeder, oordeelt het hof dat er, mede gelet op de gespannen familieverhoudingen, een onafhankelijk iemand nodig is die de rol van bewindvoerder vervult. Dit om eventuele belangenverstrengeling te voorkomen, mede omdat de moeder in grote mate afhankelijk is van de dochter. Het subsidiaire verzoek van de dochter en de moeder wordt daarom ook afgewezen.

4.7. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een onafhankelijk persoon, in dit geval [bewindvoerder], tot bewindvoerder over het vermogen van de moeder heeft benoemd. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.

4.8. Wellicht ten overvloede overweegt het hof dat, hoewel ter zitting naar is voren gekomen dat de communicatie tussen de bewindvoerder en de dochter thans beter verloopt, het in het belang van de moeder wordt geacht dat de bewindvoerder zijn taken met de nodige voortvarendheid uitvoert.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Roermond, sector kanton, van 6 februari 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Everaars-Katerberg en Schyns en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.