Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC5425

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
R200701326
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht gewijzigde Wet op de Jeugdzorg ten behoeve van gesloten plaatsing. Onmiddellijke werking. Voor vóór 1 januari 2008 werkende machtiging. Geen instemming jeugdige tenuitvoerlegging in JJI vereist. Evenmin instemming gedragswetenschapper alsnog vereist.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 29b
Wet op de jeugdzorg 29c
Wet op de jeugdzorg 29k
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DvdH

21 februari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer: R200701326

Zaaknummer eerste aanleg: 178911 JE-RK 07-1433

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

thans verblijvende in de justitiële jeugdinrichting De Hunnerberg te Nijmegen,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 19 oktober 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 december 2007, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging uithuisplaatsing in een gesloten justitiële jeugdinrichting alsnog af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 december 2007, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van [appellant] af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant], bijgestaan door zijn advocaat mr. E.C. Weijsenfeld;

- de stichting, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd mevrouw I. Vissers, de zittingsvertegenwoordiger de heer S. van Berkel en mr. Meijers;

- mevrouw [X.] en de heer [Y.], hierna te noemen: de ouders.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de Raad voor de Kinderbescherming niet verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 18 september 2007;

- de beschikking van de rechtbank Breda van 18 april 2007 (172470 JE-RK 07-424);

- de brieven met bijlagen d.dis 4 januari 2008 en 22 januari 2008 van de procureur van [appellant].

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit de affectieve relatie van de ouders is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] [appellant] geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [appellant].

4.2.1. Bij de bestreden beschikking is door de rechtbank Breda de machtiging tot uithuisplaatsing van [appellant] in een justitiële jeugdinrichting verlengd met ingang van 27 oktober 2007 tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten uiterlijk tot 27 april 2008.

4.2.2. De rechtbank heeft – zakelijk weergegeven – haar beslissing als volgt gemotiveerd.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter terechtzitting blijkt dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing in de door de stichting aangegeven voorziening nog steeds aanwezig zijn. De rechtbank overweegt hierbij dat [appellant], voorafgaand aan de gesloten plaatsing, kampte met ernstige gedragsproblemen en wegloopgedrag. Uit het persoonlijk- heidsonderzoek d.d. 9 augustus 2007 blijkt dat [appellant] kampt met een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en problemen op sociaal-emotioneel gebied. Het ambulatorium adviseert om de plaatsing van [appellant] binnen de residentiële instelling te continueren, zodat de behaalde resultaten meer kunnen beklijven en [appellant] verder kan werken aan een positieve ontwikkeling. Hoewel [appellant] een positieve ontwikkeling laat zien, blijkt uit het verblijfsplan dat [appellant] nog veel individuele aandacht nodig heeft. [appellant] kan snel boos worden en heeft dit dan niet meer onder controle. [appellant] geeft zelf aan dat hij niet goed weet hoe hij met zijn boosheid moet omgaan. Ook wordt er gesproken over opvallend impulsief gedrag en een grote behoefte aan structurering van activiteiten. Als deze structuur wegvalt, keert volgens de groepsleiding het drukke gedrag van [appellant] terug. Uit de geformuleerde leerdoelen blijkt eveneens dat [appellant] nog gebaat is bij voortzetting van het verblijf binnen de justitiële jeugdinrichting. Hieruit leidt de rechtbank af dat [appellant] nog onvoldoende basis heeft om op korte termijn terug te keren naar huis. Bovendien is het nog niet duidelijk of een terugkeer naar huis het meest in het belang van [appellant] te achten is. De rechtbank acht het dan ook van belang dat [appellant] zijn behandeling binnen de justitiële jeugdinrichting verder afrondt, alvorens er sprake kan zijn van plaatsing thuis of in een meer open setting. Dat brengt mee dat de rechtbank het verzoek van de stichting toewijst.

4.3.1. In zijn beroepschrift voert [appellant] aan dat de stichting onvoldoende heeft onderbouwd dat er bij [appellant] sprake is van “ernstige gedragsproblemen van de minderjarige” zoals vereist in artikel 1:261 BW. Het oordeel hierover blijft beperkt tot dat van de medewerkers van de stichting en de ontwikkelings¬psychologe. Er is geen psychiater ingeschakeld. Aangezien bij [appellant] ADHD is vastgesteld, kan niet worden uitgegaan van het onderzoek van de psychologe, omdat zij toen niet wist dat [appellant] ADHD had. Daarnaast heeft het medicijngebruik een positief effect gehad op het gedrag van [appellant].

Verder stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan het betoog dat onvoldoende is gezocht naar alternatieven voor gesloten plaatsing. Hierdoor worden de rechten van [appellant] geschonden (artikel 37b, artikel 9 en artikel 20 IVRK). [appellant] is van mening dat opsluiten niet meer nodig is en hij heeft aangeboden zich vrijwillig te laten plaatsen in een besloten inrichting of een andere geschikte instelling.

In het indicatiebesluit van de stichting is opgenomen dat [appellant] behandeling nodig heeft. Deze behandeling is nog niet gestart. Wanneer deze van start gaat is onduidelijk. Het doel van de gesloten plaatsing wordt dan ook niet verwezenlijkt. Als de voorzieningen waarvoor vrijheidsberoving wordt bevolen niet bestaan, levert dit strijd op met artikel 5 EVRM, aldus [appellant].

4.4. De stichting voert in haar verweerschrift aan dat niet vereist is dat een psychiater zich uitspreekt over de ernst van de problematiek. De stichting erkent dat in het psychologisch onderzoek de diagnose ADHD niet wordt gesteld, maar de stichting is daarbij van mening dat ook zonder de psychologische kwalificatie ‘ADHD’ de gedragsproblemen van [appellant] als ernstig te kwalificeren zijn. Als voorbeelden noemt de stichting dat [appellant] problemen heeft om gezag van anderen te accepteren, [appellant] spijbelde veel, hij vertoonde zowel op school als in het gezin onacceptabel gedrag, hij heeft onvoldoende sociaal inzicht, hij heeft moeite met de regulatie van gedrag en emoties en de ontwikkeling van [appellant]’s geweten is problematisch te noemen. Daarnaast is uit psychologisch onderzoek gebleken dat [appellant] impulsief handelt, in zeer hoge mate geneigd is agressie te tonen, een lage mate van zelfvertrouwen heeft en een beperkte frustratietolerantie heeft.

De stichting stelt dat een verzoek tot plaatsing in een justitiële jeugdinrichting slechts wordt ingediend indien de gedrags- problematiek van dien aard is dat alternatieve plaatsingen niet langer voldoen. De stichting is het met [appellant] eens dat het niet in zijn belang is om langer dan noodzakelijk geplaatst te zijn zonder behandeld te worden. De conclusie dat [appellant] meer baat zal hebben bij een besloten behandeling lijkt terecht. Voorwaarde hiervoor is dat er sprake is van een bestendige gedragsverandering. De stichting is van mening dat [appellant] deze verandering thans nog niet heeft bereik, temeer omdat hij ten tijde van zijn plaatsing op Vreekwijk heeft laten zien nog niet in staat te zijn om te gaan met gezag en bepaalde vrijheden.

Verder voert de stichting aan dat zolang aan het wettelijke vereiste – de aanwezigheid van ernstige gedragsproblemen – is voldaan, voldoende grondslag bestaat voor het verblijf in een justitiële jeugdinrichting. De rechtbank Haarlem heeft bepaald dat noch een beroep op het IVRK, noch een beroep op het EVRM kan leiden tot een verplichting van de Staat om een kind een behandelplek aan te bieden (9-11-2006). Uit de jurisprudentie kan volgens de stichting worden afgeleid dat er slechts onder bijkomende bijzondere omstandigheden – die door [appellant] niet worden aangevoerd – sprake kan zijn van strijd met de verschillende verdragsbepalingen.

De ernstige gedragsproblematiek die bij [appellant] speelt en de positieve ontwikkeling die [appellant] thans in de justitiële jeugdinrichting doormaakt, geven voldoende aanleiding om de bestreden beschikking te bekrachtigen, aldus de stichting.

4.5. Ter zitting heeft [appellant] in aanvulling op het beroepschrift nog aangevoerd dat hij niet instemt met plaatsing in een justitiële jeugdinrichting (JJI). Deze instemming is naar de mening van [appellant] inmiddels vereist op grond van de per 1 januari 2008 in werking getreden Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugdzorg) (hierna: wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg).

4.6. Het hof overweegt het volgende.

Overgangsrecht, onmiddellijke werking

4.6.1. De vraag die eerst moet worden beantwoord is of de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg onmiddellijke werking heeft.

Artikel VII van die wet bevat bepalingen van overgangsrecht. Uit deze bepalingen moet naar het oordeel van het hof worden afgeleid, dat de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg onmiddellijke werking heeft. Een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 1:261 lid 5 BW, verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg, wordt immers op grond van artikel VII lid 2 van die wet geconverteerd in een machtiging als bedoeld in artikel 29b Wjz.

Deze onmiddellijke werking houdt naar het oordeel van het hof in, dat bij (her-)beoordeling ex nunc van de hiervoor bedoelde machtiging, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, de situatie met ingang van 1 januari 2008 getoetst moet worden aan de criteria van artikel 29b lid 3 Wjz, te weten: is er sprake van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

4.6.2. Vervolgens is het de vraag of de onmiddellijke werking ook met zich brengt, dat - alsnog - instemming van de jeugdige (en degene die het gezag over hem uitoefent) als bedoeld in artikel 29k lid 2 Wjz nodig is voor tenuitvoerlegging in een JJI van een geconverteerde machtiging zoals hiervoor bedoeld en dus zoals de onderhavige ter discussie staande machtiging.

Het hof is – anders dan de vertegenwoordiger van de stichting en de advocaat van [appellant] – van oordeel dat zulks niet volgt uit artikel VII lid 3 wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg. Daaruit kan hoogstens afgeleid worden dat instemming vereist is voor tenuitvoerlegging in een JJI van een machtiging die volgt op een geconverteerde machtiging zoals hiervoor bedoeld.

De onmiddellijke werking houdt naar het oordeel van het hof evenmin in, dat -alsnog- de instemming van een gedrags- wetenschapper (artikel 29b lid 5 Wjz) vereist is voor de verlening van een machtiging als bedoeld in artikel 29b lid 1 Wjz.

Zou hier anders over worden gedacht, dan zou dat betekenen dat de vereisten die op grond van de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg aan een verzoek tot verlening van een machtiging ex artikel 29b Wjz worden gesteld, met terugwerkende kracht reeds vóór de inwerkingtreding van de wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg zouden gelden. Dat kan naar het oordeel van het hof simpelweg niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

Inhoudelijke beoordeling

4.7.1. Op basis van met name het zich bij de stukken bevindende Psychodiagnostisch Onderzoek (hierna: PO) van het Ambulatorium van augustus 2007 moet worden geoordeeld dat zowel tot 1 januari 2008 is voldaan aan het criterium van artikel 1:261 lid 3 BW (ernstige gedragsproblemen) als met ingang van 1 januari 2008 aan het hiervoor vermelde criterium van artikel 29b lid 3 Wjz.

Afgezien van het hiervoor overwogene met betrekking tot de in casu niet benodigde instemming van een gedragsweten- schapper is het hof van oordeel dat het feit dat er geen psychiater is betrokken bij het PO niet betekent dat er geen onder- bouwing is voor de ernstige gedragsproblemen en de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen, zoals door [appellant] is gesteld. Deze problemen zijn naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd met het door de ontwikkelingspsycholoog verrichte PO, waarin overigens melding wordt gemaakt van het feit dat er veel aanwijzingen zijn voor ADHD. Dat dit laatste (toen) niet door een psychiater is gediagnosticeerd, doet aan de geconstateerde problemen als hiervoor bedoeld niet af.

4.7.2. Vastgesteld moet evenwel worden dat [appellant] reeds sinds 27 april 2007 (sinds 1 mei 2007 op civielrechtelijke titel) in JJI (opvanginrichting) De Hunnerberg verblijft en dat een behandelplek voor hem nog meer dan een jaar op zich zal laten wachten; er is geen enkel concreet vooruitzicht op behandeling in Den Hey-Acker, waarvoor de stichting opteert.

Uit het vervolg plan van aanpak van de stichting is te destilleren dat [appellant] zich sinds zijn opname in De Hunnerberg inzet voor een positieve wending in zijn ontwikkeling en dat hij zijn negatieve gevoelens beter kan controleren. Zijn schoolresultaten zijn bevredigend. Ter zitting hebben de ouders van [appellant] gesteld nu een eigen kamer voor hem beschikbaar te hebben en zij hebben toegezegd [appellant] – met hulp – de benodigde structuur te kunnen en willen bieden.

Een afweging van deze omstandigheden brengt het hof tot de conclusie dat de vrijheidsbenemende maatregel van plaatsing van [appellant] in de opvanginrichting JJI De Hunnerberg zonder enig concreet zicht op de noodzakelijk geachte behandeling niet langer verdedigbaar en aanvaardbaar is.

Dit betekent dat het hof de machtiging uithuisplaatsing met ingang van 1 maart 2008 zal beëindigen. In de tijd gelegen tussen de uitspraak en de beëindiging worden de ouders en de stichting geacht de nodige maatregelen en hulpverlening te organiseren ten behoeve van de thuiskomst van [appellant]. Het hof wil hierbij wel benadrukken dat goede hulp voor en begeleiding van [appellant] en het gezin absoluut noodzakelijk wordt geacht, omdat wel vaststaat dat [appellant] gezien zijn problematiek nog veel sturing nodig heeft onder meer bij het leren omgaan met agressie en frustraties, bij het reguleren van zijn emoties en het ontwikkelen van copingvaardigheden.

4.7.3. De bestreden beschikking zal derhalve met ingang van 1 maart 2008 worden vernietigd.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 19 oktober 2007 tot 21 februari 2008;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 19 oktober 2007 met ingang van 1 maart 2008;

en opnieuw rechtdoende:

beëindigt de machtiging uithuisplaatsing van [appellant] per 1 maart 2008;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.