Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC5328

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
20-003238-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meervoudige poging tot moord in Tilburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003238-07

Uitspraak : 14 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 17 augustus 2007 in de strafzaak met parketnummer 02-811366-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht,

waarbij verdachte terzake van "poging tot moord, meermalen gepleegd" en "medeplegen van poging tot moord" werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts werd bij het aangevallen vonnis aan verdachte vier maal de schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot het bedrag van EUR 1.500,-- subsidiair 30 dagen hechtenis en werden de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [benadeelde partij 4] telkens toegewezen tot datzelfde bedrag (de vorderingen van [slachtoffers 1, 2 en 3] werden voorts vermeerderd met de wettelijke rente daarover).

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft:

* in de eerste plaats bepleit dat verdachte met betrekking tot zowel het eerste als het tweede schietincident van de impliciet primair ten laste gelegde "poging tot moord" dient te worden vrijgesproken;

* in de tweede plaats bepleit dat verdachte met betrekking tot het tweede schietincident eveneens van de impliciet subsidiair ten laste gelegde "poging tot doodslag" dient te worden vrijgesproken;

* subsidiair ten aanzien van de op te leggen straf betoogd dat verdachte tot een minder zware straf dient te worden veroordeeld dan door de eerste rechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd; tegen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht bestaat van de zijde van de verdediging geen bezwaar;

* ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen betoogd dat het bedrag, tot welke deze vorderingen zouden moeten worden toegewezen, gematigd dient te worden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 04 april 2007 te Tilburg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten raad [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen,althans éénmaal in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (die zich in een rijdende personenauto (Peugeot, type 106, kenteken [kenteken] bevonden), heeft geschoten, en/of vervolgens meermalen, althans éénmaal in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vaststaande feiten

Het hof stelt het navolgende vast:1

Op 4 april 2007 reden de in de tenlastelegging genoemde [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] samen in een Peugeot 106 met kenteken [kenteken] -welke auto in eigendom toebehoorde aan [benadeelde partij 4] - rond in Tilburg. Op enig moment werden zij ingehaald door een zwarte Volkswagen Polo. Op het moment dat die Volkswagen Polo naast hen reed, werd vanuit het geopende raam aan de passagierszijde door de bijrijder met een vuurwapen twee keer in hun richting geschoten.2 Op het moment dat de Volkswagen Polo naast de Peugeot reed en er werd geschoten, zat er ongeveer één meter tussen de Volkswagen Polo en de Peugeot.3

Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] herkenden [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) als de schutter.4 Ook [slachtoffer 3] heeft de bijrijder van de Volkswagen herkend als zijnde [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte).5

Dat de Peugeot, waarin [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich bevonden, daadwerkelijk door schoten is geraakt, blijkt uit het technisch onderzoek aan die Peugeot , voorzover dit inhoudt als volgt:6

Het voertuig Peugeot, type 106, voorzien van kenteken [kenteken] was aan de linkerzijkant op twee plaatsen beschadigd.

De eerste beschadiging werd aangetroffen in het plaatwerk van de carrosserie, ter hoogte van en rechts naast de deurgreep van het linkerportier. Deze beschadiging bevond zich op circa 80 centimeter vanaf het wegdek en op circa 116 centimeter gemeten vanaf de buitenzijde achterbumper.

De tweede beschadiging werd aangetroffen in het plaatwerk van de carrosserie, ter hoogte van de A-stijl, links naast het portierraam van het linkerportier. Deze beschadiging bevond zich op circa 113 centimeter vanaf het wegdek en op circa 136 centimeter gemeten vanaf de buitenzijde voorbumper.

Deze beschadigingen konden zijn ontstaan door en passen bij het schieten met klein kaliber munitie op deze auto.

Vervolgens is de zwarte Volkswagen Polo weg gereden en zijn voornoemde slachtoffers er achteraan gereden. De Volkswagen Polo is vervolgens gestopt op de Nimrodstraat te Tilburg, op de hoek met de Wildstraat, alwaar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit de Peugeot stapten en op de Volkswagen af liepen. Vervolgens werd er nog een keer geschoten.7

Het hof stelt aldus vast dat sprake is van twee afzonderlijk van elkaar te beoordelen schietincidenten.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de bijrijder was van de Volkswagen Polo en op enig moment, toen hij aan de linkerzijde van de Peugeot reed, waarin zich de slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bevonden, twee keer uit het raam heeft geschoten in de richting van die Peugeot. Voorts heeft hij verklaard dat hij ook bij het tweede schietincident als de schutter betrokken is geweest.8

Bijzondere overweging nopens het bewijs

Ten aanzien van het eerste schietincident

A.1

Ten aanzien van het eerste schietincident is zijdens de verdachte ten verweer betoogd dat hij van de impliciet ten laste gelegde poging tot moord dient te worden vrijgesproken.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet met voorbedachten raad op de rijdende Peugeot heeft geschoten. Immers, verdachte heeft in een moment van een gemoedsopwelling, bestaande in boosheid, geschoten en niet na kalm beraad en rustig overleg.

Verdachte heeft dienaangaande verklaard dat het zwart voor zijn ogen werd en dat hij in een vlaag van blinde woede heeft gehandeld.

A.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Zoals hierboven reeds is vastgesteld, heeft verdachte vanuit het geopende raam van een rijdende Volkswagen Polo met een vuurwapen twee schoten afgevuurd in de richting van een rechts naast hem op korte afstand rijdende Peugeot, waarin zich [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bevonden.

Deze handelwijze roept ten aanzien van elk van de inzittenden van de Peugeot de aanmerkelijke kans in het leven dat die inzittenden door de schoten zouden worden geraakt en als gevolg van de daardoor opgelopen verwondingen zouden overlijden. Het bestaan van deze aanmerkelijke kans wordt ondersteund door de bevindingen van het technisch

onderzoek - zoals uiteengezet onder het kopje "vaststaande feiten" - waaruit is gebleken dat de twee schoten vlakbij het raam van de Peugeot in de carrosserie zijn ingeslagen. Van deze aanmerkelijke kans heeft verdachte, gezien zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep9, wetenschap gehad.

Voorts is het schieten met een vuurwapen in de richting van personen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de levensberoving van die personen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op vorenbedoeld gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties voor deze vaststelling is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep noch anderszins gebleken.

Omstandigheden die het opzet van verdachte uitsluiten, in die zin dat sprake is geweest van het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte van de gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan als gevolg van de gemoedsbeweging waarin verdachte stelt te hebben verkeerd ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen, zijn evenmin aannemelijk geworden.

A.3.

Verdachte heeft aldus willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven zou beroven, zodat tenminste in voorwaardelijke zin zijn opzet daarop gericht was. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte.

A.4.

Met betrekking tot de vraag of verdachte ten aanzien van het eerste schietincident met voorbedachte raad heeft gehandeld, overweegt het hof als volgt.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in deze zaak in de op poging tot moord toegesneden impliciet primair tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

A.5.

Ten aanzien van het eerste schietincident heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg in dat verband onder meer verklaard dat:

- hij het wapen in het zijvak van de deur (het hof begrijpt: van de Volkswagen Polo) had gestopt;

- hij dat wapen heeft gepakt terwijl zij (het hof begrijpt: verdachte en de bestuurder van de Volkswagen Polo) achter de jongens (het hof begrijpt: de slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]) reden en dat hij het wapen al een poosje in zijn jaszak had gedaan;

- hij het wapen uit zijn jaszak heeft gepakt toen [betrokkene] (het hof begrijpt: de bestuurder van de Volkswagen Polo) de Peugeot inhaalde.10

Zoals hierboven reeds is vastgesteld, heeft verdachte vervolgens twee maal geschoten in de richting van de Peugeot.

A.6.

Uit de evenweergegeven verklaring van verdachte kan bezwaarlijk iets anders worden afgeleid dan dat hij, op het moment dat hij nog achter de Peugeot rijdt, uit het zijvakje van de Volkswagen het vuurwapen ter hand neemt en deze in zijn jaszak doet, en dat hij vervolgens, op het moment dat de bestuurder de Volkswagen naast de Peugeot manoeuvreert, het wapen uit zijn jaszak pakt en dat, op het moment dat de Volkswagen naast de Peugeot rijdt, hij de gewraakte schoten afvuurt in de richting van de Peugeot met daarin de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

A.7.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de poging tot levensberoving door verdachte van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ten tijde van het eerste schietincident niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging - zoals door de verdediging gesteld - maar dat voor hem de gelegenheid heeft bestaan als hiervoor onder A.4. bedoeld.

Ten aanzien van het tweede schietincident

B.1.

Ten aanzien van het tweede schietincident is zijdens verdachte ten verweer betoogd dat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de levensberoving van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en in ieder geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Immers, verdachte stond op korte afstand van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en van een dergelijke afstand is het niet voorstelbaar dat je mis schiet. Aldus heeft verdachte toen niet gericht op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] doch opzettelijk mis - te weten: in de lucht - geschoten.

B.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ten aanzien van het tweede incident heeft het slachtoffer [slachtoffer 2] een verklaring afgelegd. Die verklaring houdt onder meer in dat:

- de Volkswagen Polo in de Nimrodstraat stopte en dat wij (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] en de andere inzittende van de Peugeot) op ongeveer 5 à 6 meter achter het voertuig van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) stopten;

- dat hij en [slachtoffer 1) (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) uitstapten en in de richting van de auto van [verdachte] liepen;

- dat [verdachte] nog een keer met het vuurwapen in hun richting schoot en dat hij, [slachtoffer 2], op dat moment het dichtst bij stond.11

Uit het strafdossier blijkt voorts dat [getuige] omtrent het ten laste gelegde als getuige is bevraagd. Zij verklaarde bij die gelegenheid onder meer dat:

- zij op 4 april 2006 een donkere Volkswagen zag rijden en vervolgens zag stoppen in de Nimrodstraat te Tilburg en dat zij zag dat daarachter een groene Peugeot stopte;

- zij vervolgens zag dat de bestuurder en de passagier, die voorin had gezeten, uit de Peugeot stapten en in de richting van de Volkswagen liepen;

- zij vervolgens zag dat de passagier, die voorin de Volkswagen zat, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp pakte en dit vuurwapen in de richting van het hoofd van een van de twee personen, die bij de Volkswagen stond, richtte;

- zij daarna zag dat er met het vuurwapen geschoten werd en rook uit de loop zag komen.12

Het relaas van [slachtoffer 2] en [getuige] vindt bevestiging in hetgeen de medeverdachte [betrokkene] bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie heeft verklaard. Die verklaring houdt immers in dat:

- [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) zei dat ik moest stoppen (het hof begrijpt: de Volkswagen Polo tot stilstand brengen);

- er vervolgens een woordenwisseling ontstond tussen [verdachte] en die jongens (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]) en dat hij nog een keer schoot;

- dit schot van dichtbij was en dat [verdachte] het wapen op die jongen richtte.13

Verdachte heeft - zoals hierboven onder "vaststaande feiten" reeds is vastgesteld - erkend de schutter te zijn geweest ten tijde van dit incident.

B.3.

Uit de inhoud van bovenstaande verklaringen, in onderlinge verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat verdachte ten tijde van het tweede schietincident in ieder geval in de richting van [slachtoffer 2] heeft geschoten.

Voorzover het verweer van de verdediging berust op de stelling dat verdachte niet in de richting van [slachtoffer 2], maar in de lucht heeft geschoten, wordt het bij gebreke van feitelijke

grondslag - van steun voor die lezing van de feiten is immers niets gebleken - reeds hierom van de hand gewezen.

B.4.

Voor de met betrekking tot het tweede schietincident ten laste gelegde poging tot moord van [slachtoffer 1] is naar 's hofs oordeel onvoldoende wettig bewijsmateriaal voorhanden om daaruit de overtuiging te kunnen bekomen dat verdachte zich tevens hieraan schuldig heeft gemaakt. In het bijzonder is niet komen vast te staan dat verdachte dat ene schot tevens zodanig in de richting van [slachtoffer 1] heeft gelost, dat de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat die [slachtoffer 1] als gevolg daarvan zou kunnen komen te overlijden. Van de poging tot moord op [slachtoffer 1] ten tijde van het tweede schietincident zal verdachte bijgevolg worden vrijgesproken.

B.5.

Zoals hierboven is vastgesteld, heeft verdachte met een vuurwapen een schot afgevuurd in de richting van [slachtoffer 2].

Deze handelwijze roept de aanmerkelijke kans in het leven dat die [slachtoffer 2] door het schot zou worden geraakt en als gevolg van de daardoor opgelopen verwondingen zou komen te overlijden. Van deze aanmerkelijke kans heeft verdachte, gezien zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep14, wetenschap gehad.

Voorts is het schieten met een vuurwapen in de richting van een persoon naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de levensberoving van die persoon dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op vorenbedoeld gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties voor deze vaststelling is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep noch anderszins gebleken.

Verdachte heeft aldus willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 2] van het leven zou beroven, zodat tenminste in voorwaardelijke zin zijn opzet daarop gericht was. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte.

B.6.

Voorts is uit de inhoud van de onder B.2. weergegeven verklaringen komen vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Immers, vast is komen te staan dat er eerst een woordenwisseling is ontstaan tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] anderzijds alvorens verdachte het gewraakte derde schot heeft gelost.

B.7.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat ook de poging tot levensberoving van [slachtoffer 2] ten tijde van het tweede schietincident niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging - zoals door de verdediging gesteld - maar door de verdachte met voorbedachte raad is gedaan.

Bewezenverklaring

C.

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, zomede de hiervoor vermelde vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 april 2007 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (die zich in een rijdende personenauto (Peugeot, type 106, kenteken [kenteken]) bevonden), heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en vervolgens

op 4 april 2007 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen éénmaal in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht iuncto artikel 289 van die wet, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof komt - anders dan de eerste rechter, die ten aanzien van het tweede schietincident medeplegen bewezen heeft verklaard - tot een bewezen verklaring van "poging tot moord, meermalen gepleegd" en "poging tot moord".

De eerste rechter heeft verdachte terzake van die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof tot eenzelfde strafoplegging zal komen als de eerste rechter.

De verdediging heeft een mildere strafoplegging bepleit in die zin dat zij het hof in overweging heeft gegeven om - in geval van een bewezen verklaring - een gevangenisstraf van kortere duur op te leggen dan in eerste aanleg is opgelegd. Voorts is zijdens de verdachte bepleit dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk zal worden opgelegd, zodat ten behoeve van verdachte bij het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht kan worden opgelegd en de verdachte in staat wordt gesteld om de cursus agressieregulering te volgen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In verband met de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 4 april 2007 zonder enige redelijke aanleiding schuldig gemaakt aan een poging tot moord op de slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door vanuit een rijdende auto twee schoten af te vuren op de naast hem rijdende auto, waarin zich voornoemde slachtoffers bevonden. Toen beide auto's vervolgens stil kwamen te staan en er een woordenwisseling was ontstaan, heeft verdachte nog een schot afgevuurd in de richting van [slachtoffer 2].

Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke handelwijze eenvoudig tot de dood van de slachtoffers had kunnen leiden. Dat dit gevolg niet is ingetreden is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte en daarom geenszins aan hem toe te rekenen. De slachtoffers hebben dus groot geluk gehad dat zij het voorval kunnen navertellen en - in het bijzonder - dat zij van het bewezen verklaarde geen letsel hebben opgelopen en overgehouden.

Een en ander vond plaats op klaarlichte dag in het publieke domein. Door een delict als het onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het leidt vanwege het gewelddadig karakter tot maatschappelijke verontrusting en brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Ten slotte leiden dergelijke feiten vaak nog tot langdurige psychische klachten bij de slachtoffers, zoals gevoelens van angst en onveiligheid.

Op grond van dit één en ander kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Daarbij is voorts rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In verband met de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 december 2007, waaruit blijkt dat hij eerder terzake van geweldsdelicten is veroordeeld;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval - grosso modo - vergelijkbaar zijn.

Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren een geenszins ongebruikelijke sanctie op het onderhavige feitencomplex vormt. Het heeft in het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gevonden om van die straf af te wijken.

Voor een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel gecombineerd met een bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, acht het hof geen plaats. Het acht integendeel na te melden straf alleszins passend en geboden.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

1.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer 1], wonende te [adres], [woonplaats], als gevolg van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op EUR 1.500,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 1.500,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

2.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer 3], wonende te [adres], [woonplaats], als gevolg van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op EUR 1.500,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 1.500,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

3.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde partij 4], wonende te [adres], [woonplaats], als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, die het hof begroot op EUR 1.500,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 1.500,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

4.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer 2], wonende te [adres], [woonplaats], als gevolg van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op EUR 1.500,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 1.500,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1.

[slachtoffer 1], wonende te [adres], [woonplaats], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten belope van EUR 1.500,--. Deze vordering is door de eerste rechter geheel toegewezen.

De voeging duurt, voorzover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op EUR 1.500,--.

2.

[slachtoffer 3], wonende te [adres], [woonplaats], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten belope van EUR 1.500,--. Deze vordering is door de eerste rechter geheel toegewezen.

De voeging duurt, voorzover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op EUR 1,500,--.

3.

[benadeelde partij 4], wonende te [adres], [woonplaats], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten belope van EUR 1.500,--. Deze vordering is door de eerste rechter geheel toegewezen.

De voeging duurt, voorzover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 1.500,--. Tot dit bedrag dient de vordering te worden toegewezen.

4.

[slachtoffer 2], wonende te [adres], [woonplaats], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten belope van EUR 1.500,--. Deze vordering is door de eerste rechter geheel toegewezen.

De voeging duurt, voorzover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op EUR 1.500,--.

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen:

Het hof zal bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot moord, meermalen gepleegd

en

Poging tot moord

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 1], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 3], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij 4], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 2], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bewezen verklaarde werd gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bewezen verklaarde werd gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij 4] voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bewezen verklaarde werd gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening.

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en/of vorderingen:

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J.P.F. Rijken, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. H.P. Vonhögen,

in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier,

en op 14 februari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Vonhögen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt telkens verwezen naar dossierpagina's houdende ambtsedige processen-verbaal van politie, opgenomen in het proces-verbaal van politie Midden en West Brabant, district Tilburg, dossiernr. PL204M/07-004924, d.d. 20 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

2 Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 85 en 87, het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 93 en 94 en het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], p. 100.

3 Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 94.

4 Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 87 en het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 94.

5 Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], p.101.

6 Het ambtsedig proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, zaaknr. PL206c/07-092968, p. 42.

7 Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 87 en het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2],

p. 94.

8 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 31 januari 2008.

9 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 31 januari 2008.

10 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 augustus 2007.

11 Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 94-95.

12 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], p. 147.

13 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor van [betrokkene], p. 242 en 244.

14 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 31 januari 2008.