Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4985

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
R200700899
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2007, heeft de man, kort gezegd, verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te wijzigen en te bepalen dat de man niet in staat is om een bedrag aan kinderalimentatie ten behoeve van beide, thans nog minderjarige, kinderen van partijen te gaan betalen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ER

14 februari 2008

Sector Civiel recht

Rekestnummer R200700899

Zaaknummer eerste aanleg 171408 FA RK 07-716

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

procureur: mr. J.E. Benner,

t e g e n

[Y.] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur: mr. E. van de Hoef.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 22 mei 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2007, heeft de man, kort gezegd, verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te wijzigen en te bepalen dat de man niet in staat is om een bedrag aan kinderalimentatie ten behoeve van beide, thans nog minderjarige, kinderen van partijen te gaan betalen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 september 2007, heeft de vrouw, kort gezegd, verzocht de grieven van de man te verwerpen en de beschikking van de rechtbank Breda van 22 mei 2007 te bekrachtigen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de fax met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 8 januari 2008;

- de brief van de procureur van de vrouw d.d. 8 januari 2008, ingekomen ter griffie d.d. 9 januari 2008;

2.3.1. Ondanks het feit dat, gelet op het bepaalde in het procesreglement, de onder het voorlaatste gedachtenstreepje genoemde stukken te laat zijn ingediend en de vrouw bezwaar heeft gemaakt tegen het meenemen hiervan bij de behandeling, accepteert het hof deze stukken, aangezien het gaat om stukken die eenvoudig te doorgronden zijn. Een draagkrachtberekening mag tijdens de procedure op ieder moment worden overgelegd. De te laat ingediende stukken dienden in wezen enkel ter korte onderbouwing van en toelichting op deze draagkrachtberekening. Bovendien acht het hof het vanuit proces-economisch oogpunt gewenst de te laat ingediende stukken in zijn overwegingen mee te nemen, opdat partijen een eventuele nieuwe procedure wordt bespaard.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. N.A. Boelhouwer;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. E. van de Hoef;

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 1 juli 1992 te Tilburg met elkaar gehuwd.

De tussen hen gewezen echtscheidingsbeschikking van 3 juli 1995 van de rechtbank Breda is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 9 augustus 1995.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn te [geboorteplaats] geboren:

- [Zoon], op [geboortejaar];

- [Dochter], op [geboortejaar].

Na de echtscheiding is het gezag over bovenbedoelde kinderen opgedragen aan de vrouw.

4.3. Bij de beschikking van 22 mei 2007 waarvan thans wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank Breda bepaald dat de man, die in eerste aanleg niet is verschenen, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 265,00 per kind per maand met ingang van de datum van het verzoekschrift, zijnde 16 februari 2007.

De man heeft tot op heden nog geen enkele bijdrage betaald.

Ingangsdatum kinderalimentatie

4.4. De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de door de man te betalen kinderalimentatie is in hoger beroep niet in geschil, zodat deze vaststaat.

Behoefte

4.5. Het hof stelt vast dat de vrouw in haar inleidende verzoekschrift heeft gesteld dat de behoefte van beide kinderen in 2006 op € 265,00 moet worden vastgesteld. De vrouw heeft in haar inleidende verzoekschrift dan ook een bijdrage verzocht van in totaal € 265,00 per maand.

4.5.1. De rechtbank Breda heeft in de beschikking waarvan beroep evenwel anders dan de vrouw had verzocht, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag moet voldoen van € 265,00 per kind per maand.

4.5.2. Reeds om die reden vernietigt het hof de beschikking waarvan beroep. Overigens heeft de advocaat van de vrouw ter zitting verklaard met vernietiging om vorenbedoelde reden te kunnen instemmen.

Draagkracht

4.6. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de hem opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen.

4.7. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de navolgende gegevens. Voor zover die gegevens door de vrouw in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

4.8. De man had in het jaar 2006 een jaarinkomen van € 24.061,00 bruto per jaar. De man heeft tot 1 augustus 2007 een dienstverband gehad bij dezelfde werkgever als in 2006 en heeft ook hetzelfde inkomen genoten. Over de periode van 16 februari 2007 tot 1 augustus 2007 wordt dan ook rekening gehouden met voornoemd inkomen.

4.8.1. Het tijdelijke dienstverband van de man bij NIVO Steigerwerken is per 31 juli 2007 beëindigd, omdat de man om medische redenen na een ongeval zijn werkzaamheden niet meer kon verrichten. Ter zitting heeft de man verklaard een kop-staart aanrijding te hebben gehad, waarbij hij whiplashtrauma heeft opgelopen.

4.8.2. Met ingang van 17 september 2007 ontvangt de man een WW-uitkering ter hoogte van € 1.325,80 bruto per 4 weken. Voor de periode met ingang van 1 augustus 2007 wordt rekening gehouden met laatstgenoemd inkomen van de man.

4.9. Ter zitting heeft de vrouw betoogd dat de man in staat is minstens hetzelfde inkomen te genereren als hij in de periode voor de beëindiging van zijn dienstverband bij NIVO Steigerwerken verdiende. Zij heeft gesteld dat de man er zelf schuld aan heeft dat hij thans minder verdient en dat hij snel weer een nieuwe baan met een vergelijkbaar inkomen zal kunnen vinden.

4.9.1. Het hof overweegt dat, gezien de leeftijd van de man, de vooropleiding die hij heeft genoten van MTS werktuigbouw en de fotovakschool, ten aanzien waarvan hij geen recente werkervaring heeft, en het feit dat hij op dit moment bij een reïntegratiebureau staat ingeschreven en op alle vacatures, ongeacht opleidingsniveau, solliciteert, het nog maar de vraag is wanneer en of de man weer een baan zal vinden. De man ontvangt bovendien nog maar sinds kort een WW-uitkering.

4.9.2. Gezien het feit dat de beëindiging van het dienstverband veroorzaakt is door het feit dat de man als gevolg van een ongeval niet meer in staat was zijn werkzaamheden te verrichten, passeert het hof de stelling van de vrouw dat de man er zelf schuld aan heeft dat hij minder verdient.

B. Lasten van de man

1. WWb-Normbedrag, exclusief de ondergrens huurtoeslag component voor een zelfstandig wonende alleenstaande ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud: € 872,00;

2. Woonlasten: kale huur € 234,00 per maand

3. premie zorgverzekering: € 227,54 respectievelijk € 207,75

- € 122,25 basispremie + aanvullende premie

- € 105,29 inkomensafhankelijke bijdrage werkgever periode 16 februari 2007 tot 1 augustus 2007;

€ 85,50 inkomensafhankelijke bijdrage periode met ingang van 1 augustus 2008;

4 premie begrafenisverzekering € 7,00

4.10. De bedragen van € 130,00 aan overige kosten en € 65,00 aan omgangskosten die in de bij beroepschrift overgelegde draagkrachtberekening zijn opgenomen, zijn door de man ter zitting ingetrokken.

C. Het hof houdt geen rekening met de navolgende posten.

4.11. De man voert aan een doorlopend krediet te hebben afgesloten bij de Rabobank, welk krediet inmiddels is overgesloten naar de ABN AMRO, in verband waarmee hij thans maandelijks € 382,50 aan rente en aflossing betaald. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij dit doorlopend krediet in 2002 is aangegaan voor een bedrag van € 10.000,00. De man heeft, desgevraagd, ter zitting gesteld in de loop der jaren op dit bedrag te hebben afgelost, maar ook weer te hebben opgenomen. De man stelt het doorlopend krediet te hebben aangewend voor herinrichting en de aankoop van goederen zoals een televisie en een auto.

De man heeft voorts het doorlopend krediet met € 5.000,00 verhoogd om zijn huwelijk met een nieuwe partner in Las Vegas bekostigen. Nu de geboorteakte van de man in het Maleis zou zijn opgesteld, zou deze akte volgens de man niet geldig zijn in Nederland, reden waarom de man heeft moeten uitwijken naar Las Vegas om in het huwelijk te kunnen treden.

4.12. Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde schuld. Het doorlopend krediet bij de Rabobank/ABN AMRO is 7 jaar na de beëindiging van het huwelijk van partijen aangegaan. Dat deze gelden voor herinrichting zijn aangewend is dan ook niet aannemelijk. Het is ook niet redelijk een schuld die zo veel jaar na het beëindigen van het huwelijk van partijen is aangegaan, nog ten laste van de draagkracht van de man te brengen. Bovendien is de noodzaak voor het aangaan van deze schuld door de man niet aangetoond.

4.12.1. De noodzaak het doorlopend krediet met nog eens € 5.000,00 te verhogen is door de man evenmin aangetoond. Daarenboven is het hof van oordeel dat de man de gestelde ongeldigheid van zijn geboorteakte via de weg van art. 1:25 BW, dan wel art.1:45 BW had kunnen ondervangen. De stelling van de man is des te meer niet aannemelijk gezien het feit dat het huwelijk van partijen ook in Nederland is voltrokken.

4.12.2. Nog afgezien van de noodzaak van het aangaan van de betreffende schuld, is het hof van mening dat deze schuld geen prioriteit heeft boven de verplichting van de man om een bijdrage te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn beide kinderen.

4.12.3. De stelling van de man dat, gezien het vertrek van de vrouw met de kinderen naar Ibiza in 1997, hij geen rekening had hoeven houden met een eventuele verplichting tot het voldoen van en bijdrage ten behoeve van de kinderen, faalt evenzeer. Dienaangaande overweegt het hof dat de man wist dat hij een verplichting had tot het voldoen van een bijdrage ten behoeve van de kinderen nu de vrouw ten tijde van de echtscheidingsprocedure van partijen een bijdrage had verzocht, die destijds enkel niet is opgelegd op de grond dat de man op dat moment onvoldoende draagkracht bleek te hebben. Het feit dat de vrouw met de kinderen enkele jaren in het buitenland heeft verbleven, acht het hof onvoldoende reden voor de man om aan te mogen nemen dat hij nooit meer een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zou hoeven te betalen.

Vaststelling van de alimentatie

4.13. Bovengenoemd inkomen van de man resulteert voor de periode van 16 februari 2007 tot 1 augustus 2007 in een besteedbaar inkomen van ongeveer

€ 1.573,00 per maand en een besteedbaar inkomen van ongeveer € 1.243,00 per maand voor de periode met ingang van 1 augustus 2007, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten:

- toepasselijke heffingskortingen, waaronder

- de arbeidskorting;

- de forfaitaire buitengewone lastenaftrek terzake de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen.

4.14. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten is het hof van oordeel, dat de man over de periode van 16 februari 2007 tot 1 augustus 2007 in staat is tot betaling van € 185,00 per kind per maand, en vanaf 1 augustus 2007 tot betaling van € 37,00 per kind per maand, ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.15. De beschikking waarvan beroep, dient dus te worden vernietigd.

Proceskosten.

4.16. De proceskosten van beide instanties worden gecompenseerd, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 22 mei 2007 voor zover daarbij is bepaald dat de man een bedrag van € 265,00 per maand per kind moet voldoen met ingang van 16 februari 2007 ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van Jaap en Naomi;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Zoon], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats] en [Dochter], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats] over de periode van 16 februari 2007 tot 1 augustus 2007 zal voldoen een bedrag van € 185,00 per kind per maand en met ingang van 1 augustus 2007 zal voldoen een bedrag van € 37,00 per kind per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de kinderbijdrage voor het eerst per 1 januari 2009 geïndexeerd zal worden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Philips, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.