Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4974

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
C200500550
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering

Geïntimeerde (werknemer) vorderde in eerste aanleg dat de door hem uitgeoefende functie in een andere functiegroep zou worden ingedeeld, alsmede betaling van achterstallig salaris. Geïntimeerde kon zich niet verenigen met de waardering en indeling van zijn functie door appellant (werkgever). Kantonrechter wees de vorderingen toe. Hof overweegt dat aan de orde is de waardering van, in het kader van het toepasselijke functiewaarderingssysteem, geanalyseerde en beschreven organieke functies. De rechterlijke toets dient terughoudend te zijn. Hof oordeelt dat de, door geïntimeerde bestreden, waardering van de door hem uitgeoefende functie deze toets kan doorstaan. Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de vorderingen van geïntimeerde afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolr. C0500550/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 5 februari 2008,

gewezen in de zaak van:

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 1 april 2005,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. B.J. Riesebos,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond gewezen vonnis van 4 januari 2005 tussen appellante - de SVB - als gedaagde en geïntimeerde - [geintimeerde] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 127563/CV EXPL 04-2263)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussen partijen gewezen vonnis van 29 juni 2004.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de SVB, onder overlegging van vijftien producties, vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot, naar het hof begrijpt, vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, niet-ontvankelijk verklaring van [geintimeerde] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties. Het hof begrijpt dat waar de SVB in de memorie van grieven concludeert tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam van 4 januari 2005, er, gelet op de inhoud van de appeldagvaarding, sprake is van een kennelijke schrijffout. Tussen partijen is niet in discussie dat het appel betrekking heeft op het in de aanhef van dit arrest genoemde vonnis van de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond van 4 januari 2005.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde], onder overlegging van drie producties, de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, de SVB door mr. T. van Nieuwstadt en [geintimeerde] door mr. Y. van der Linden. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. Overeenkomstig de bij gelegenheid van het pleidooi met partijen en hun raadslieden gemaakte afspraken, maken van de gedingstukken deel uit de functie- omschrijvingen van de referentiefuncties Teamleider ZW en Teamleider WW, welke de raadsvrouw van [geintimeerde] bij brief van 17 oktober 2007, met afschrift aan de raadsvrouw van de SVB, aan het hof heeft gezonden.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [geintimeerde], geboren op 17 januari 1956, is op 1 mei 1977 in dienst getreden bij de toenmalige Raad van Arbeid te [vestigingsplaats]. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg was [geintimeerde] werkzaam als Teamleider Uitvoering op de vestiging van de SVB te [vestigingsplaats] en wel op grond van een arbeidsovereenkomst.

4.1.2. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO Sociale Verzekeringsbanken SVB 2002-2004 (hierna: de CAO) van toepassing. Ingevolge art. 7 van deze CAO worden de functies van werknemers, zoals [geintimeerde], gewaardeerd en ingedeeld op basis van het Integraal Functiewaarderingssysteem Bedrijfsvereniging (hierna: IFB-systeem). De gedrukte versie van het IFB-systeem, zoals dat met ingang van 1 juli 1992 in de bedrijfstak Sociale Verzekeringen en sedert 1998 door de SVB wordt gehanteerd, is door de SVB overgelegd als productie 1 bij memorie van grieven.

4.1.3. De door [geintimeerde] uitgeoefende functie van Teamleider Uitvoering Vestigingen is opnieuw gewaardeerd omdat er een verschuiving had plaatsgevonden van verantwoordelijkheden in managerial zin. Bij brief van 21 november 2002 (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) heeft de SVB [geintimeerde] bericht dat zijn functie op basis van het bij de brief gevoegde profiel opnieuw was gewaardeerd. De functie bleef ook na de herwaardering ingedeeld in functiegroep 7. Als bijlagen waren bij de brief gevoegd: een document van Berenschot d.d. 19 september 2002 (productie 5 dagvaarding in eerste aanleg), alsmede het 'Functieprofiel Teamleider Uitvoering Vestigingen' (productie 4 dagvaarding in eerste aanleg). Blijkens het document van Berenschot wordt de functie van Teamleider Uitvoering Vestigingen gewaardeerd op 103 punten, welke zijn verdeeld over de volgende vijf gezichtspunten:

kennis en complexiteit,

verantwoordelijkheid en afbreukrisico,

leidinggeven,

mondelinge communicatie en

schriftelijke communicatie.

Uitkomst van de herwaardering was een stijging van 11 IFB-punten. Aan de gezichtspunten 'verantwoordelijkheid en afbreukrisico' en 'mondelinge en schriftelijke communicatie' was vergeleken met de situatie vóór de herwaardering een hoger aantal punten toegekend.

4.1.4. [geintimeerde] kan zich met deze waardering en indeling van zijn functie niet verenigen en heeft tegen de betreffende beslissing bij brief van 20 januari 2003, aangevuld bij brief van 31 januari 2003 (productie 6 en 7 dagvaarding in eerste aanleg) bezwaar gemaakt. Dit bezwaar richt zich tegen het volgens hem aan de gezichtspunten 'kennis en complexiteit' en 'leidinggeven' toegekende, te lage aantal punten. In dat verband geldt dat de functie Teamleider Uitvoering Vestigingen vanaf 104 punten in functiegroep 8 zou zijn ingedeeld.

4.1.5. In het kader van de Bezwarenprocedure Functiewaardering Sociale Verzekeringsbank heeft de SVB het advies ingewonnen van de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering (CABEF). Deze commissie heeft op 18 augustus 2003 geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren (productie 8 dagvaarding in eerste aanleg). De SVB heeft dit advies integraal overgenomen en bij brief van 6 oktober 2003 (productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg) [geintimeerde] bericht diens bezwaar ongegrond te verklaren.

4.2. [geintimeerde] heeft in eerste aanleg bij exploot van 19 mei 2004 de voorzitter van de Raad van Bestuur van de SVB, de heer [Y.], (hierna: de voorzitter) gedagvaard voor de kantonrechter te Roermond en gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de voorzitter wordt veroordeeld tot indeling van de functie van [geintimeerde] in functiegroep 8 ingaande 1 december 2002, tot betaling van de salarisachterstand die ontstaat bij indeling in functiegroep 8 per 1 december 2002 en die tot op dat moment was opgelopen tot € 4.632,-- bruto en tot betaling van de wettelijke rente over laatstgenoemd bedrag met ingang van 1 december 2002, met veroordeling van de voorzitter in de proceskosten.

De SVB heeft in die procedure verweer gevoerd.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 4 januari 2005 geoordeeld dat een in de onderhavige procedure te wijzen vonnis zich kennelijk richt tot de SVB. Voorts concludeert de kantonrechter dat de functie van [geintimeerde] overeenkomstig het IFB-systeem niet op de juiste wijze is gewaardeerd en ingedeeld en dat om die reden de vorderingen van [geintimeerde] worden toegewezen.

4.3. De grieven van de SVB richten zich tegen deze beslissingen van de kantonrechter.

4.4. In hoger beroep staat de vraag centraal of de functie van [geintimeerde] al dan niet overeenkomstig het IFB-systeem op de juiste wijze is gewaardeerd en ingedeeld.

4.5. Bij de stukken bevindt zich een op schrift gestelde verklaring van mevrouw [Z.], senior consultant bij Berenschot en uit dien hoofde sinds 2000/2001 adviseur voor de functiewaardering bij de SVB en lid van de functiewaarderingscommissie van de SVB (productie 10 bij memorie van grieven). [Z.] verklaart onder meer het volgende:

"Introductie

(...)

Tot 1995 was het proces van (de beslissing tot) functievorming en vaststelling welke functies er konden zijn binnen de SVB niet centraal geregeld en zeker niet transparant. In 1996 werd toen overeengekomen, in overleg met de vakbonden, dit proces te structureren en voor het waarderen van functies over te gaan op het IFB-functiewaarderingssysteem. Een systeem, opgezet door Berenschot voor de gezamenlijke toenmalige Bedrijfsverenigingen. De SVB mocht dit systeem toepassen, zonder licentierechten, op voorwaarde dat Berenschot betrokken zou worden bij de toepassing en de SVB niet zelfstandig tot uitpunting zou overgaan buiten Berenschot om. Berenschot is derhalve vanaf ontwikkeling van het IFB-functiewaarderingssysteem tot en met implementatie bij de SVB betrokken geweest.

(...)

Als adviseur vanuit Berenschot ben ik lid van de Functiewaarderingscommissie van de SVB. Als adviserend lid vanuit Berenschot lever ik niet alleen expertise en waarderingsuitpuntingen, maar houd ik (Berenschot op deze wijze ook) toezicht op het juiste gebruik en toepassing van de IFB-systematiek door de SVB.

(...)

Wat is functiewaarderen?

(...)

Voorafgaand aan de waardering van functies is een goede analyse van het arbeidsproces nodig waardoor je tot een hiërarchische opbouw van de organisatie komt. Het beschrijven en analyseren brengt met zich mee dat wordt verwoord - in de taal van het desbetreffende functiewaarderings-systeem - wat van de bekleder ervan wordt verwacht. Dat geeft helderheid aan de functievervuller, maar ook aan diens sociale omgeving: leidinggevende, collega's en medewerkers van andere afdelingen.

Functiewaardering leidt uiteindelijk tot indeling van functies in een kleiner of groter aantal salarisschalen. Maar let op: functiewaardering waardeert de stoel, niet de persoon!

(...)

Het IFB is door Berenschot, in samenwerking met de Kring der Directeuren en vakorganisaties, speciaal ontwikkeld rond 1993 voor de toenmalige bedrijfsverenigingen. Berenschot is systeemhouder en derhalve gemachtigd tot toepassen van het systeem, dat ook wel een expert-systeem wordt genoemd. Dat heeft te maken met het feit dat toepassing een zekere mate van expertise (lees: ervaring) vereist om een normgevoel op te bouwen ten aanzien van de toepassing.

(...)

De waardering van de functie

Bij waarderen van SVB-functies wordt:

a. gekeken naar oude beschrijvingen en waarderingen en de veranderingen in de functie ten opzichte hiervan en

b. naar de functie in relatie tot andere gewaardeerde functies binnen de organisatie (de zogeheten functiewaarderings- verhoudingen).

(...)

Verder is het de functiewaarderingsdeskundige die op basis van de functie-inhoud bepaalt welk werk- en denkniveau vereist is voor uitoefening van de functie. Het gaat immers om een organieke functie (...)."

4.6. Uit deze verklaring van [Z.], die in zoverre door [geintimeerde] niet gemotiveerd is weersproken, blijkt dat het bij de toepassing van het IFB-systeem allereerst gaat om de analyse van organieke functies. Een goede analyse heeft tot gevolg dat gekomen wordt tot een hiërarchische opbouw van de organisatie. [Z.] spreekt in dit verband over het beschrijven en analyseren, dat ertoe leidt dat, in de taal van het functiewaarderingssysteem, wordt verwoord wat van de bekleder ervan wordt verwacht. In het kader van het IFB-systeem worden de organieke functies geanalyseerd en beschreven. Het zijn dus niet de feitelijke functies binnen de SVB die worden geanalyseerd en beschreven, het gaat om de analyse en beschrijving van de binnen de SVB aan de betrokken functionaris opgedragen werkzaamheden, gegeven de inrichting van de organisatie zoals die de SVB voor ogen staat. Gegeven de beleidsvrijheid die in dit kader aan de SVB toekomt, dient de rechterlijke toetsing van de functiebeschrijving dan ook met terughoudendheid te geschieden. Dit laatste geldt eveneens voor de rechterlijke toetsing van de functiewaardering. Ook daar gaat het, zo blijkt uit de in zoverre niet gemotiveerd bestreden verklaring van [Z.], om de waardering van geanalyseerde en beschreven organieke functies, zodat de rechterlijke toets een terughoudende dient te zijn.

4.7. Dat de rechter terughoudend dient te zijn in zijn oordeel volgt naar het oordeel van het hof eveneens uit het feit dat het IFB-systeem blijkens de verklaring van [Z.] een expert-systeem is. Bij de toepassing van het IFB-systeem is een zekere mate van expertise/ervaring vereist. Ook het feit dat Berenschot, die het IFB-systeem heeft opgezet, het aan de SVB toestond om het systeem toe te passen, op voorwaarde dat Berenschot betrokken zou worden bij de toepassing, toont aan dat het IFB-systeem een expert-systeem is. Naar het oordeel van het hof kan uitsluitend dan van een functie-indeling en -waardering in het kader van het IFB-systeem worden afgeweken, indien deze onhoudbaar is.

4.8. Ook de kantonrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat aan de SVB bij het indelen en waarderen van functies een zekere vrijheid toekomt, hetgeen volgens de kantonrechter niet wegneemt dat de SVB gehouden is om het IFB-systeem strikt en nauwgezet toe te passen. Daarmee heeft de kantonrechter aangegeven dat als een functie-indeling en -waardering niet houdbaar zijn in het licht van het IFB-systeem, daaraan moet worden voorbijgegaan. Aldus heeft de kantonrechter, naar het oordeel van het hof, de maatstaf voor de rechterlijke toets juist geformuleerd. Voorzover de SVB met haar tweede grief beoogt te stellen dat de kantonrechter een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd, faalt de grief in zoverre.

4.9. Thans moet worden beoordeeld of in het kader van het IFB-systeem de indeling en waardering van de functie Teamleider Uitvoering Vestigingen (de functie van [geintimeerde]), zoals hierboven omschreven in rechtsoverweging 4.1.3, al dan niet houdbaar is.

4.10. Volgens [geintimeerde] is zijn functie niet juist gewaardeerd en had het gezichtspunt 'Kennis en complexiteit', alsmede het gezichtspunt 'Leidinggeven' een hoger puntenaantal moeten opleveren.

4.11. Wat betreft het gezichtspunt 'Kennis en complexiteit' zijn partijen het wel eens over het complexiteitsniveau waarop de functie van Teamleider Uitvoering Vestigingen is ingedeeld en gewaardeerd. Zij verschillen echter van mening wat betreft het kennisniveau.

4.12. Vaststaat dat de tabelingang Kennis van het IFB-systeem negen niveaus kent, onderscheidenlijk aangeduid met de letters a tot en met i.

Het niveau e wordt omschreven als:

"Uitgebreid middelbaar algemeen niveau met vakgerichte opleiding Uitgebreid middelbaar algemeen niveau, danwel kennis op middelbaar beroepsniveau, aangevuld met kennis op een deelvakgebied; gericht op het toepassen van methoden en technieken."

Het niveau f wordt omschreven als:

"Hoger algemeen niveau met theoretische achtergrondkennis

Hoger algemeen niveau, danwel uitgebreide middelbare beroepskennis, aangevuld met kennis op één, uitgebreid deelvakgebied, danwel op meerdere deelvakgebieden. Tevens is voor de toepassing theoretische achtergrondkennis vereist."

Het niveau g wordt omschreven als:

"Hoger beroepsniveau

Professionele kennis van en inzicht in een vakgebied (bedrijfseconomie, sociale verzekeringen, personeel en organisatie, bouwkunde en dergelijke), waarbij inzicht in de theoretische grondslagen en de praktische uitwerking vereist is.

Daarnaast is sprake van inzicht in de samenhang met relevante vakgebieden."

4.13. De functie Teamleider Uitvoering Vestigingen is wat betreft het kennisniveau ingedeeld op niveau ef, wat een met dat kennisniveau corresponderend aantal punten oplevert. Volgens [geintimeerde] had de functie moeten worden ingedeeld op niveau g, althans op zijn minst genomen op niveau f. Dit laatste zou al tot een hoger puntenaantal en daarmee indeling in functiegroep 8 hebben geleid.

4.14. In hoger beroep zijn partijen het erover eens dat het IFB-systeem, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, enkelvoudige interpolatie, dat wil zeggen bijvoorbeeld een indeling op niveau ef, toestaat. In zoverre slaagt grief II.

4.15. Blijkens het functieprofiel is voor de functie van Teamleider Uitvoering Vestigingen een HBO werk- en denkniveau vereist.

4.16. In haar in rechtsoverweging 4.5 genoemde verklaring stelt [Z.] dat het bij het analyseren van de functie Teamleider Uitvoering Vestigingen op het gezichtspunt 'kennis en complexiteit' gaat om het beoordelen van het kennisniveau en de complexiteit van de kennis. Vervolgens stelt zij:

"(…) ‘Kennis’ houdt in: het kennen van gegevens, methoden en/of grondslagen, verkregen door opleiding en/of praktijk- ervaring, die moeten worden beheerst om de functie te kunnen uitoefenen. (...) Het kennisniveau per functie kan zijn gebaseerd op een samenstelsel van kennisaspecten van uiteenlopende aard, zoals: algemene kennis en beroepskennis, kennis gericht op één of meer specialismen; kennis van wetenschappelijke principes en grondslagen, etc. Als we de functie [bedoeld is die van: Teamleider uitvoering Vestigingen; hof] op dit punt analyseren dan stellen we het volgende: Voor uitoefening van de functie wordt niet professionele kennis vereist van en inzicht in een vakgebied zoals bedrijfseconomie of personeel, maar wél kennis van het betreffende wetsgebied, alsmede van de daarbij behorende regelingen en bepalingen. Immers, een van de resultaatgebieden van de functiebeschrijving betreft de uitvoering van aan het team toegewezen wetten en regelingen die onder verantwoordelijkheid van de teamleider moet plaatsvinden (e-kennis van een deelvakgebied). De functie heeft tevens enige kennis nodig van management-technieken voor de aansturing van het uitvoeringsproces en kennis van de administratieve organisatie om de afdeling te managen en om voorstellen te doen tot verbetering en verandering van de werkprocessen en om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van afdelingsplannen (f-theoretische achtergrondkennis op hoger algemeen niveau. (...)"

4.17. Blijkens de verklaring van [Z.] leidt toepassing van het IFB-systeem ertoe dat de organieke en niet de feitelijke functie wordt ingedeeld en gewaardeerd. Het gaat, zoals [Z.] het in haar verklaring uitdrukt, om de stoel en niet om de persoon. Hierbij sluit aan hetgeen [Z.] bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft verklaard, namelijk dat de functie wordt ingedeeld op het organieke en niet op het feitelijke kennisniveau.

4.18. In het 'Functieprofiel Teamleider Uitvoering Vestigingen' (zie rechtsoverweging 4.1.3) worden het doel van de functie beschreven, alsmede de plaats in de organisatie, de resultaatgebieden en activiteiten, de mate van zelfstandigheid van de functie, de competenties en het niveau van de functie. Wat betreft dat laatste is in het functieprofiel opgenomen dat de functie een 'HBO- werk en denkniveau' vereist. Volgens [Z.] is er, naar zij bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft verklaard, geen automatische koppeling tussen het functieprofiel (naar het hof begrijpt, in enge zin) en de vereisten voor de functie. Bij het analyseren van de functie kijkt [Z.], zo heeft zij verklaard, niet naar het blijkens het functieprofiel vereiste HBO werk- en denkniveau. Het organieke kennisniveau waarop een functie is ingedeeld, kan dan ook anders zijn dan het feitelijke opleidingsniveau, aldus [Z.].

4.19. Dat het IFB-systeem, zoals het hof in rechtsoverweging 4.6 heeft overwogen, een systeem is waarbij niet de feitelijke functies worden geanalyseerd en gewaardeerd, maar de organieke functies, maakt nog niet dat de SVB bij het indelen en waarderen van de functie Teamleider Uitvoering Vestigingen zonder meer kon abstraheren van het blijkens het (organieke) functieprofiel vereiste HBO werk- en denkniveau. Dat vereiste is immers in de organieke beschrijving als vereiste voor het kunnen functioneren opgenomen door een functiewaarderingsdeskundige aan wie volgens de verklaring van [Z.] ook daartoe het recht is voorbehouden. De toelichting van [Z.] en van de SVB komen er echter op neer dat bij de uiteindelijke waardering door [Z.] is vastgesteld dat de organieke functie niet het HBO-niveau vereist en dat de in het functieprofiel opgenomen eis van een HBO-niveau op andere gronden dan de voor de organieke functie noodzakelijke opleiding is opgenomen. Kort en goed samengevat: de SVB wenst alleen medewerkers met een HBO-niveau op een functie die dat niveau op zich niet nodig heeft. De SVB heeft het kennisniveau van de organieke functie van Teamleider Uitvoering Vestigingen gewaardeerd op: ef. [geintimeerde] heeft onvoldoende onderbouwd dat deze waardering onhoudbaar is. Deze waardering kan de rechterlijke toets, die zoals hierboven is aangegeven, terughoudend van aard is, doorstaan.

4.20. [geintimeerde] maakt er voorts bezwaar tegen dat wat betreft het gezichtspunt 'Leiding-geven' vier punten zijn toegekend. Volgens de indeler is er bij de functie van Teamleider

Uitvoering Vestigingen sprake van 'operationeel leidinggeven'. [geintimeerde] stelt daarentegen dat er sprake is van 'integraal leidinggeven', zodat een hoger puntenaantal had moeten worden toegekend. Indien zou blijken dat ten aanzien van de functie van Teamleider Uitvoering Vestigingen niet sprake is van integraal leidinggeven, dan was er volgens [geintimeerde] sprake van een combinatie van integraal en operationeel leidinggeven en had met toepassing van de

graderingsregel het leidinggeven in deze functie hoger moeten worden gewaardeerd. De Teamleider Uitvoering Vestigingen is belast met rechtspositionele kwesties en is voorts blijkens het functieprofiel verantwoordelijk voor personeelsplanning en -budgetten, beide zijn aspecten van het integraal leidinggeven, aldus [geintimeerde].

4.21. Wat betreft het gezichtspunt 'Leidinggeven' wordt het integraal leidinggeven in de gedrukte versie van het IFB-systeem (zie rechtsoverweging 4.1.2) als volgt omschreven:

"Er is sprake van integraal leidinggeven indien het volgende van toepassing is:

Eindverantwoordelijkheid voor de kwaliteit en kwantiteit van de verrichte werkzaamheden.

Zorgdragen voor een doelmatige organisatie van de ondergeschikte afdelingen en/of secties; plannen van de werkzaamheden en de taakverdeling tussen de medewerkers.

Zorgdragen voor een kwantitatief juiste en kwalitatief optimale personeelsbezetting.

Vertegenwoordigen van de afdeling op een hoger leidinggevend niveau.

Uitvoeren van het (sociaal) beleid; in overleg met bedrijfsleiding/Personeelszaken nemen van beslissingen ten aanzien van aanname, ontslag, opleiding, mutatie en beloning; voeren van beoordelings- en functioneringsgesprekken.

Verantwoordelijkheid voor personeelsplanning en -budgetten."

4.22. Het operationeel leidinggeven wordt in het IFB-systeem als volgt omschreven:

"Er is in twee gevallen sprake van operationeel leidinggeven.

a. Toezicht houden, gedelegeerd door chef, met de kenmerken:

Toezicht houden op en het bevorderen van zowel de kwantiteit als kwaliteit van de werkzaamheden.

Verdelen van de werkzaamheden.

Geven van instructies.

Betrokken kunnen worden bij selectie en beoordeling van de medewerkers.

b. Projectleiding, wanneer aan niet hiërarchisch ondergeschikten leiding wordt gegeven ten aanzien van de werkzaamheden bij de uitvoering van projecten, met als kenmerken:

Verantwoordelijkheid voor kwaliteit en kwantiteit van de verrichte werkzaamheden.

Selecteren van medewerkers.

Geven van opdrachten, verdelen van werkzaamheden en geven van instructies.

Vertegenwoordigen van de projectgroep.

Projectleiding moet meer dan 25% van de werktijd omvatten."

4.23. Blijkens het functieprofiel Teamleider Uitvoering Vestigingen berust, indien in de mandateringsregeling niet anders is overeengekomen, de budgetbevoegdheid bij de afdelingsmanager en behoeven, kort gezegd, rechtspositionele kwesties de goedkeuring van de afdelingsmanager.

4.24. In het in rechtsoverweging 4.1.3 genoemde document van Berenschot wordt over de Teamleider Uitvoering Vestigingen onder meer opgemerkt:

"De teamleider verdeelt en houdt toezicht op de werkzaamheden van circa 15-20 medewerkers. Hij voert beoordelings- gesprekken en verzuimgesprekken en stelt werkroosters vast. Ook zorgt hij voor professionele ontwikkeling van medewerkers op inhoud en competenties. Rechtspositionele kwesties en budgetbevoegdheden vallen echter onder verantwoordelijkheid van de afdelingsmanager. Er is derhalve sprake van operationeel leidinggeven."

4.25. In de in rechtsoverweging 4.5 genoemde verklaring merkt [Z.] wat betreft het gezichtspunt 'Leidinggeven' op:

'Op p. 11 van het IFB-systeem worden de definities van de verschillende soorten leidinggeven uitgelegd. In de functie van Teamleider is weliswaar sprake van een meer managerial en minder 'meewerkend voorman'-karakter, maar niet in de zin van 'integraal leidinggeven'. Rechtspositionele kwesties en budgetbevoegdheden vallen niet onder verantwoordelijkheden van de Teamleider. Ook de mandateringsregeling van de SVB is duidelijk op dit punt. De functie geeft derhalve operationeel leiding (...).'

Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [Z.] in dit verband nog opgemerkt dat van belang is hoe een functie zich verhoudt ten opzichte van andere functies in een schaal lager of hoger.

4.26. Het hof overweegt dat ook voor het gezichtspunt 'Leidinggeven' geldt dat het IFB-systeem niet de feitelijke maar de organieke functies indeelt en waardeert. Dit betekent dat een functie niet op zich zelf kan worden beschouwd, maar dat bij het indelen en waarderen van een functie relevant is hoe deze zich verhoudt tot andere functies binnen de organisatie van de SVB. Terecht wijst [Z.] daarop. Voorts volgt uit met name het relevante functieprofiel en het document van Berenschot dat wat betreft het aspect van de budgetbevoegdheid en de rechtspositionele kwesties de Teamleider Uitvoering Vestigingen de afdelingsmanager als zijn meerdere boven zich heeft. Dit is niet door [geintimeerde] bestreden. Zijn kanttekening in productie 3 bij de memorie van antwoord onder ‘NB’ doet niet af aan de vaststelling dat de verantwoordelijkheid bij de afdelings-manager ligt. Gelet op dit alles en gelet op de betekenis die aan de begrippen 'integraal leidinggeven' en 'operationeel leidinggeven' blijkens het IFB-systeem toekomt, heeft [geintimeerde] onvoldoende onderbouwd dat de waardering van de functie Teamleider Uitvoering Vestigingen wat betreft het gezichtspunt ‘Leidinggeven’ op grond van het IFB-systeem onhoudbaar is. Deze waardering kan de rechterlijke toets, die zoals hierboven is aangegeven, terughoudend van aard is, doorstaan.

4.27. Uit het voorgaande volgt dat de grieven slagen, grief II echter in zoverre. Tevens volgt daaruit dat de stelling van [geintimeerde] (zie dagvaarding in eerste aanleg sub 7) dat de SVB binnen de grenzen van de goede trouw en goed werkgeverschap in redelijkheid niet tot de gewraakte waardering en indeling van de functie Teamleider Uitvoering Vestigingen had kunnen komen, wordt verworpen. Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de vorderingen van [geintimeerde] worden alsnog afgewezen. [geintimeerde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het beroepen vonnis,

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geintimeerde] af;

veroordeelt [geintimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van de SVB worden begroot op € 540,-- voor salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 329,60 aan verschotten en € 1.896,-- aan salaris procureur voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Venner-Lijten, Slootweg en Van Voorst van Beest en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 februari 2008.