Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4873

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
C0600857-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Concluderend komt het hof, anders dan de rechtbank, dan ook tot het oordeel dat, gelet op voormelde rapportages, in 2001 geen medische afwijkingen of aandoeningen kunnen worden waargenomen althans vastgesteld die de klachten van [geïntimeerde] kunnen verklaren. Evenmin kan, gelet op deze rapportages, worden vastgesteld dat in 2001 sprake is van een dusdanig consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, welke klachten in verband kunnen worden gebracht met gebeurtenissen of bepaalde wel medisch vastgestelde afwijkingen of aandoeningen, dat niettegenstaande het feit dat klachten per definitie subjectief zijn, desondanks aannemelijk is dat er sprake is van aandoeningen of afwijkingen in de hiervoor in r.o. 4.14. bedoelde zin.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolnr. C0600857/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zesde kamer, van 12 februari 2008,

gewezen in de zaak van:

de naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 6 juli 2006,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. H.E.G. van der Flier,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 14 januari 2000, 12 januari 2001, 12 februari 2003, 13 augustus 2003, 28 december 2005 en 7 juni 2006 tussen principaal appellante - London - als gedaagde en principaal geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 30151 / HA ZA 98-

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, voorzien van producties, heeft London zeventien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en nakosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, onder uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

2.2. Bij memorie van antwoord, voorzien van producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Voorts heeft [geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin zes grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot het alsnog volledig toewijzen van haar vordering, met veroordeling van London in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, onder uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

2.3. London heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor wat betreft de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

In r.o. 2.1-2.6 van het bestreden tussenvonnis van 14 januari 2000 heeft de rechtbank de feiten vastgesteld. Hiertegen zijn geen grieven gericht, zodat deze feiten ook het hof tot uitgangspunt strekken. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zal onderstaand nogmaals een uiteenzetting van de relevante feiten worden gegeven.

4.2. Op 1 september 1989 is [geïntimeerde] als bestuurster van een personenauto betrokken geraakt bij een verkeersongeval in de gemeente Helmond. Haar auto werd van achteren aangereden door een ingevolge de WAM bij de rechtsvoorganger van London verzekerde personenauto.

London erkende haar aansprakelijkheid voor de door [geïntimeerde] geleden en eventueel nog te lijden schade als gevolg van dit ongeval.

4.3. [geïntimeerde] is geboren op [1961] en was derhalve ten tijde van het ongeval 27 jaar oud. Zij werkte op dat moment al enige jaren gedurende 32 uur per week als groepsleidster in een tehuis van de Stichting Huize D'n Herd te Helmond. Daarnaast volgde zij een HBO-opleiding tot maatschappelijk werkster.

4.4. Direct na het ongeval in 1989 is [geïntimeerde] opgenomen in het ziekenhuis en behandeld door een neuroloog en een orthopedisch chirurg in verband met pijnklachten in nek en schouders en klachten over tintelende armen en vingers. Onderzoek wees uit dat sprake was van whiplashletsel. Na een week is [geïntimeerde] ontslagen uit het ziekenhuis.

4.5. In verband met aanhoudende klachten heeft [geïntimeerde] haar werkzaamheden als groepsleidster gestaakt.

Zij heeft een ziektewetuitkering ontvangen en later een WAO-uitkering die door haar werkgeefster tot en met februari 1991 zijn aangevuld tot 100% van haar laatstgenoten salaris. [geïntimeerde] heeft haar studie nog hervat, maar in de loop van 1990 gestaakt.

4.6. [geïntimeerde] heeft (de rechtsvoorganger van) London aangesproken tot vergoeding van schade, bestaande uit onder meer verlies arbeidsvermogen (inclusief pensioenschade), kosten huishoudelijke hulp, en overige zowel materiële als immateriële schade.

London heeft aan voorschotten een totaal bedrag van € 49.915,82 betaald (fl. 110.000,--). Partijen zijn het eens over de algemene materiële schade die [geïntimeerde] ten gevolge het ongeval tot en met juli 1994 heeft geleden, inclusief huishoudelijke hulp, te weten afgerond € 12.982,30 (fl. 28.600,--). Hierin is niet begrepen eventueel verlies van arbeidsvermogen inclusief pensioenschade over die periode.

4.7. Bij dagvaarding van 14 september 1998 heeft [geïntimeerde] (de rechtsvoorganger van) London gedagvaard en gevorderd London te veroordelen tot -kort gezegd- betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 259.983,50

(fl. 572.928,23), vermeerderd met rente en tot afgifte aan [geïntimeerde] van een genoegzame belastinggarantie en een garantie met betrekking tot haar rechten onder de WAO. [geïntimeerde] stelt dat zij een totale schade heeft geleden, respectievelijk zal lijden van fl. 682.928,23, maar dat de door London verstrekte voorschotten ad fl. 110.000,-- in mindering kunnen strekken op het totaal van de vordering. Later in de procedure heeft [geïntimeerde] haar vordering met betrekking tot smartengeld en buitengerechtelijke kosten verhoogd, als gevolg waarvan de totale vordering in hoofdsom € 265.904,93 bedroeg. Nadien heeft [geïntimeerde] tevens gevorderd London te veroordelen in de eventuele kosten van het totale re-integratietraject indien [geïntimeerde] een dergelijk traject dient te volgen.

4.8. Bij tussenvonnis van 14 januari 2000 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld inlichtingen te verstrekken op nader door de rechtbank genoemde punten.

Bij tussenvonnis van 12 januari 2001 heeft de rechtbank een tweetal deskundigen, te weten Dr. Ph. J. Edixhoven, orthopedisch chirurg, en Dr. C.W.G.M. Frenken, neuroloog, benoemd.

Nadat zij beiden hebben gerapporteerd, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 12 februari 2003 de zaak wederom aangehouden teneinde partijen de gelegenheid te geven nadere inlichtingen te verstrekken.

Bij tussenvonnis van 13 augustus 2003 heeft de rechtbank vervolgens R.E.E.M. Artoos, arbeidsdeskundige, tot deskundige benoemd.

Genoemde Artoos heeft overeenkomstig de in het vonnis van de rechtbank gegeven mogelijkheid, mr. drs. G.J. Kruithof, verzekeringsarts, opdracht gegeven een belastbaarheidsprofiel op te stellen. Kruithof heeft op 8 maart 2004 en aanvullend op 14 december 2004 aan Artoos gerapporteerd. Deze bevindingen van Kruithof zijn voor Artoos uitgangspunt geweest voor haar rapportage van 25 april 2005.

Nadat partijen hebben geconcludeerd, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 28 december 2005 de zaak wederom aangehouden en [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verstrekken.

Nadat beide partijen bij akte hebben gereageerd heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 7 juni 2006 M.J. Neeser, verbonden aan het Nederlands Rekencentrum letselschade te 's-Gravenhage benoemd tot deskundige en uitdrukkelijk bepaald dat tegen dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld, voordat het eindvonnis is gewezen, behoudens voor zover de wet hoger beroep tegen onderdelen van dit vonnis zonder meer uitsluit.

4.9. Met het hoger beroep komt London op tegen voormeld tussenvonnis van 7 juni 2006 en alle voornoemde overige tussenvonnissen.

4.10. Nu er geen grieven zijn gericht tegen het tussenvonnis van 12 januari 2001, zal London in het hoger beroep voor zover tegen dit tussenvonnis gericht, niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.11. In het incidenteel beroep komt [geïntimeerde] op tegen de tussenvonnissen van 12 februari 2003 en 28 december 2005. Volgens [geïntimeerde] is zij als gevolg van het ongeval op 1 september 1989 volledig arbeidsongeschikt en is zij niet meer in staat tot regulier werk. Zij is, anders dan de verzekeringsgeneeskundige Kruithof heeft vastgesteld, ernstig beperkt in de concentratie.

4.12. In de kern richt het meest verstrekkende bezwaar van London zich tegen het oordeel van de rechtbank dat bij [geïntimeerde] sprake is van beperkingen als gevolg van het ongeval op 1 september 1989. London is van mening dat het ongeval van 1 september 1989 niet heeft geleid tot blijvende klachten en beperkingen, althans dat daar geen sprake meer van is geweest vanaf medio 1990, respectievelijk 1994/1995, althans 2002, het jaar [geïntimeerde] het tweede ongeval heeft gehad.

4.13. Niet in geschil is dat London aansprakelijk is voor uit het ongeval aan de zijde van [geïntimeerde] voortvloeiende schade.

4.14. Het hof stelt voorop dat op [geïntimeerde] de bewijslast ligt van haar stelling dat zij als gevolg van het ongeval op 1 september 1989 beperkingen heeft die hebben geleid tot verlies aan verdienvermogen en andere schade.

Voorts wordt voorop gesteld dat het woord "klacht" duidt op een subjectieve klacht, zonder dat vaststaat of er sprake is van een daarmee corresponderende aandoening of afwijking. Dat begrip aandoening of afwijking ziet dan op een lichamelijke (of geestelijke) afwijking van de lichamelijke (of geestelijke) toestand welke bij een gezond persoon aangetroffen pleegt te worden.

Daarvan zal in elk geval sprake zijn als naar de huidige stand van de medische techniek afwijkingen of aandoeningen worden waargenomen. Onder omstandigheden kan er echter, ondanks de afwezigheid van naar de huidige stand van de medische techniek vaststelbare afwijkingen of aandoeningen, sprake zijn van een dusdanig consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, welke klachten eventueel in verband kunnen worden gebracht met bepaalde gebeurtenissen of bepaalde wel medisch vastgestelde afwijkingen of aandoeningen, dat niettegenstaande het feit dat klachten per definitie subjectief zijn, desondanks aannemelijk is dat er sprake is van aandoeningen of afwijkingen.

Het post whiplashsyndroom kan daar, als aan bepaalde criteria wordt voldaan, een voorbeeld van zijn.

4.15. Voor toewijzing van het door [geïntimeerde] gevorderde verlies van arbeidsvermogen en andere schade, dient eerstens te worden vastgesteld of er bij [geïntimeerde] sprake is van beperkingen, voortvloeiende uit het ongeval van 1 september 1989, en zo ja, welke en in welke periode.

4.16. Neuroloog dr. J. Patijn, verbonden aan de Stichting Manuele geneeskunde, concludeert bij rapport van 28 mei 1991, waarvan overigens slechts de eerste pagina in het geding is gebracht, dat [geïntimeerde] bij hem bekend is met een status na doorgemaakt whiplashtrauma waarbij zij een traumatisch discuslijden en een posttraumatisch syndroom heeft ontwikkeld.

4.17. Bij rapport van 5 januari 1993 concluderen prof. dr. J.M. Minderhoud, neuroloog, en drs. R. Saan, neuropsycholoog, dat ten gevolge van het ongeval op 1 september 1989 een wekedelen beschadiging van de halswervelkolom volgens het whiplashpatroon en een organische contusionele beschadiging van de frontale hersengebieden ontstonden. Zij zijn van mening dat vrijwel alle klachten, die zijn behandeld maar slechts weinig en langzaam zijn afgenomen, het gevolg zijn van het ongeval op 1 september 1989. Zij stellen als diagnose: contusio cerebri en whiplashletsel bij reeds bestaande afwijkingen van de cervicale wervelkolom. Voorts moet volgens hen rekening worden gehouden met een blijvende functionele invaliditeit. Uitgaande van de "Nederlandse richtlijnen voor de bepaling van invaliditeit bij neurologische aandoeningen" zijn deze getaxeerd op 14%, waarvan 4% veroorzaakt door de 'whiplashklachten' en 10% door de gestoorde cognitieve functies.

4.18. Op 9 september 1994 heeft dr. H.J. Troelstra, neuroloog, geconcludeerd dat [geïntimeerde] een whiplashtrauma heeft gehad en dat zij met redelijk succes is behandeld. Hij constateert een eindtoestand en stelt dat ten gevolge van het whiplashtrauma voor wat betreft de pijnklachten een invaliditeitspercentage van 4% kan worden vastgesteld. Voor wat betreft haar cognitieve stoornissen komt hij tot een percentage van 10%. Een combinatie van deze twee waarden met behulp van de AMA-schaal geeft een totaal van de invaliditeit ten opzichte van de gehele mens van 14%.

4.19. De rechtbank heeft bij vonnis van 12 januari 2001 aan de deskundigen dr. Ph.J. Edixhoven, orthopedisch chirurg, en dr. C.W.G.M. Frenken, neuroloog, de volgende vragen voorgelegd:

1. Wat zijn de huidige klachten van eiseres?

2. In hoeverre worden de klachten veroorzaakt door lichamelijke afwijkingen en/of andere factoren?

3. Wat is uw differentiaal diagnose op uw vakgebied?

4. Is sprake van een medische eindtoestand of bestaan er nog reële mogelijkheden om de klachten te behandelen? In dat laatste geval, hoe is de prognose?

5a.Welke lichamelijke beperkingen op uw vakgebied ondervindt eiseres als gevolg van haar huidige klachten bij het verrichten van loonvormende arbeid, bij het verrichten van huishoudelijk werk, in het dagelijks leven en bij het uitoefenen van sport en hobby's? Valt op dat punt in redelijkheid nog verbetering te verwachten en zo ja, welke?

5b.Berusten die eventuele beperkingen op medisch aantoonbare afwijkingen door ziekte of gebrek? Zo ja welke? Gaat het hier zuiver om door betrokkene aangegeven beperkingen of zijn deze beperkingen, vanuit medische overwegingen, te bevestigen?

6. Was er voor het ongeval al sprake van relevante klachten en/of afwijkingen? Hebben die eventueel al bestaande klachten en/of afwijkingen een rol gespeeld bij het ontstaan van de huidige klachten en zo ja, welke en in welke mate? Bestaat er met name een verband met de in 1984 door Muskee behandelde klachten? Hebben die klachten zich na 1984 nog herhaald? Zijn de klachten uit 1984 terug te voeren op de geconstateerde ancylose/cyfose? Meent u dat in de u toegezonden informatie voldoende gegevens vermeld staan om bovenstaande vragen te beantwoorden of meent u dat het noodzakelijk is dat nadere concrete informatie van bijvoorbeeld de verzekeringsdeskundige voor een goede beantwoording van de vragen noodzakelijk is?

7. Is er gelet op het antwoord op de vorige vraag reden om aan te nemen (en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid) dat eiseres ook zonder het ongeval op den duur klachten als de onderhavige zou hebben gekregen, die tot vergelijkbare beperkingen zouden hebben geleid? Welke externe invloeden zouden daarvoor eventueel nodig zijn geweest?

8. Geven de standpunten van partijen, de stukken van het geding en/of uw bevindingen in het algemeen nog aanleiding tot opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor het nemen van de beslissing in deze zaak?

9. Wensen de deskundigen eigener beweging nog nadere opmerkingen te maken?

4.20. De deskundige Frenken heeft in zijn rapport van 19 februari 2001 op de vragen 1 en 3 geantwoord dat er klachten zijn geuit, bestaande uit pijn in de nek met uitbreiding naar het hoofd via occipitaal, pijn in het gebied tussen de schouderbladen. Bovendien zijn er klachten over verminderd cognitief functioneren, met moeite om meer dingen tegelijk te doen. Volgens Frenken kunnen deze klachten geplaatst worden in het kader van een zogenaamd post whiplashsyndroom, waarbij het ongeval van 1 september 1989 uitlokkend is geweest. Frenken heeft geen verdere differentiaal diagnostische opmerkingen.

4.21. Frenken heeft voorts op vraag 2 geantwoord dat hij geen lichamelijke afwijkingen heeft kunnen vaststellen en wijst erop dat die noch in de behandelende sector noch bij de vroegere expertise zijn gevonden.

4.22. Voorts heeft Frenken geantwoord dat hij geen lichamelijke beperkingen op neurologisch terrein heeft kunnen vaststellen. Het gaat volgens hem om klachten die subjectief zijn, maar op objectieve gronden zijn geen beperkingen vastgesteld, derhalve ook geen beperkingen op medisch aantoonbare afwijkingen.

4.23. De deskundige Edixhoven heeft in zijn rapport van 6 april 2001 geconcludeerd -kort gezegd- dat in aansluiting op het ongeval van 1 september 1989 sprake is geweest van hevige pijn van de nek met uitstraling naar de rechterschouder, en hoofdpijnklachten, tintelende sensaties in de rechterarm.

Volgens Edixhoven is geen lichamelijke afwijking aantoonbaar die de klachten van betrokkene zou kunnen verklaren. Hij kent geen andere factoren die de klachten van betrokkene zouden kunnen verklaren.

Nu er volgens Edixhoven geen objectiveerbare afwijking op het gebied van de tractus locomotorius is, heeft hij beantwoording van de hiervoor genoemde vragen 3, 4 en 5 niet relevant geacht. Voorts heeft de deskundige geconcludeerd dat vanuit de optiek dat er geen objectiveerbare afwijking is die de klachten van betrokkene zou kunnen verklaren, men zou kunnen stellen dat het niet uitgesloten is dat betrokkene dezelfde klachten zou hebben gekregen als het ongeval niet zou zijn gebeurd.

4.24. De rechtbank heeft op grond van voormelde rapportages geconcludeerd dat sprake is van een causaal verband tussen het ongeval van 1 september 1989 en de klachten van [geïntimeerde]. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de klachten die [geïntimeerde] na het ongeval heeft gekregen weliswaar subjectief van aard zijn, maar dat objectief vastgesteld kan worden dat zij aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn.

4.25. Naar aanleiding hiervan heeft de medisch adviseur van London aan voormelde deskundigen nadere vragen gesteld. De deskundige Frenken heeft bij brief van 8 april 2003 geantwoord dat uit de Nederlandse richtlijnen voor het bepalen van functieverlies bij neurologische aandoeningen, uitgegeven door de Nederlandse Vereniging voor Neurologie, blijkt dat van groter belang dan hetgeen betrokkene zelf aan beperkingen aangeeft als gevolg van opgelopen letsel, is, wat de deskundige van mening is over de vraag welke beperkingen er redelijkerwijs aanwezig zijn als gevolg van het opgelopen letsel of de bestaande aandoening. De deskundige moet volgens deze richtlijnen daarbij uitgaan van de door hem vastgestelde functiestoornissen en zich niet uitsluitend baseren op de klachten van betrokkene. Het verdient aanbeveling de beperkingen verbaal aan te geven en zich niet te laten verleiden tot het ongefundeerd gespecificeerd invullen van allerlei beperkingen op zogenaamde belastbaarheidpatronen, aldus Frenken.

4.26. De deskundige Edixhoven heeft bij brief van 15 april 2003 geantwoord dat hij conform de richtlijnen van zijn beroepsvereniging, de Nederlandse Orthopaedische Vereniging, niet kan en mag adviseren om beperkingen aan te nemen, bij afwezigheid van objectiveerbare aanknopingspunten voor de klachten. Klachten alleen, zonder dat deze kunnen worden verklaard op grond van het onderzoek, zijn volgens de richtlijnen van zijn beroepsgroep een onvoldoende basis om beperkingen of functionele invaliditeit aan te nemen.

Voorts acht hij zich juist niet in staat om te concluderen, zoals de rechtbank heeft gedaan, dat de klachten bij [geïntimeerde] niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn.

4.27. Het hof begrijpt uit deze reacties dat de door de rechtbank benoemde deskundigen, vanuit hun deskundigheid, de conclusie van de rechtbank dat sprake is van een causaal verband tussen het ongeval op 1 september 1989 en de klachten van [geïntimeerde] en dat, zoals de rechtbank oordeelt, sprake is van uit deze klachten voortvloeiende functiebeperkingen, niet onderschrijven.

4.28. Het hof concludeert op grond van in ieder geval voormelde rapportages van Patijn, Minderhoud en Troelstra, alsook de rapportages van de deskundigen Frenken en Edixhoven, dat er aansluitend aan het ongeval sprake is geweest van klachten die als ongeval gerelateerd kunnen worden aangemerkt.

4.29. De vraag is evenwel of deze klachten hebben geleid tot beperkingen en wel dusdanige beperkingen dat deze hebben geleid en nog steeds leiden tot, zoals [geïntimeerde] aan haar vordering ten grondslag legt, volledige arbeidsongeschiktheid en voorts een noodzaak tot huishoudelijke hulp.

4.30. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is zulks naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende komen vast te staan voor de gehele achterliggende periode tot aan het ongeval en voor de toekomst.

4.31. De vakkennis van de door de rechtbank en met instemming van beide partijen benoemde deskundigen leent zich in beginsel voor beoordeling van de bij [geïntimeerde] geconstateerde klachten, de daaraan ten grondslag liggende medische afwijkingen of aandoeningen, de daaruit voortvloeiende beperkingen en mogelijk een causaal verband als hier aan de orde. In beginsel dient dan ook van deze rapporten te worden uitgegaan.

Dit is slechts anders indien zou blijken dat aan die rapporten ernstige gebreken kleven, bijvoorbeeld wat betreft de wijze van totstandkoming, of indien de deskundigen van feitelijke onjuistheden zijn uitgegaan of indien de deskundigen zelf aangeven onvoldoende deskundig te zijn. Daarvan is in onderhavig geval niet of onvoldoende gebleken, zodat het hof de rapporten van Edixhoven en Frenken als grondslag neemt voor de beoordeling van het medisch debat.

4.32. Het hof begrijpt de rapporten van Frenken en Edixhoven aldus dat volgens hen, ieder op hun eigen vakgebied, geen medische afwijkingen of aandoeningen kunnen worden gevonden voor het klachtenpatroon van [geïntimeerde]. De deskundigen hebben uitdrukkelijk in hun beoordeling betrokken de eerdere anamnese, meer in het bijzonder de rapporten van dr. J. Patijn van 28 mei 1991 en van prof. dr. J.M. Minderhoud en drs. R. Saan van 5 januari 1993 alsook van dr. H.J. Troelstra van 9 september 1994.

Frenken concludeert, zo begrijpt het hof, weliswaar tot de aanwezigheid van klachten, waarbij het ongeval van 1 september 1989 uitlokkend is geweest, maar komt tot de conclusie dat hij geen orthopedische afwijkingen heeft kunnen vaststellen en evenmin lichamelijke beperkingen.

Edixhoven concludeert eveneens dat hij op zijn vakgebied geen afwijkingen heeft kunnen vinden die de klachten van [geïntimeerde] kunnen verklaren en concludeert voorts dat niet uitgesloten is dat [geïntimeerde] dezelfde klachten zou hebben gekregen als het ongeval niet zou zijn gebeurd.

4.33. Weliswaar heeft de medisch adviseur, G.J. Kruithof, die is ingeschakeld door de deskundige, R.E.E.M. Artoos, registerarbeidsdeskundige, in zijn rapportage van 8 maart 2004 geconcludeerd tot enige beperkingen. Echter, niet valt in te zien op grond waarvan meer gewicht aan deze rapportage moet worden toegekend dan aan de rapportages van de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Kruithof een verzekeringsarts is, terwijl Frenken en Edixhoven neuroloog en orthopedisch chirurg zijn en derhalve bij uitstek deskundig moeten worden geacht, anders dan Kruithof, om ieder op hun eigen vakgebied afwijkingen en daaruit voortvloeiende beperkingen vast te stellen. Bovendien merkt ook Kruithof op dat er geen volledige overeenstemming is tussen het door [geïntimeerde] geuite klachtenpatroon c.q. aangegeven beperkingen en de bevindingen bij het onderzoek.

4.34. [geïntimeerde] betoogt dat zij vooral ernstige cognitieve tekorten heeft, die ertoe leiden dat zij geheugen- en concentratiestoornissen ondervindt. [geïntimeerde] stelt dat deze door middel van een neurologisch en een neuropsychologisch onderzoek dienen te worden vastgesteld. Het hof gaat hier aan voorbij. Blijkens het rapport van Frenken is kennis genomen van de rapportages van prof. dr. Minderhoud en drs. Saan. Voorts is inzage verkregen in het neuropsychologisch onderzoek van februari 1991, dat op verzoek van dr. Patijn is verricht door de neuropsycholoog mevrouw Van Erven-Sommers. Desalniettemin heeft Frenken geen aanleiding gezien tot een nader neurologisch of neuropsychologisch onderzoek, omdat er geen aanwijzing bestond dat er sprake zou kunnen zijn van cognitieve stoornissen. Ook de deskundige Edixhoven ziet daartoe kennelijk geen aanleiding. Daarnaast concludeert ook de verzekeringsarts Kruithof dat er geen aanwijzingen zijn voor cognitieve stoornissen en dat er onvoldoende argumenten zijn om evidente beperkingen aan te nemen ten aanzien van concentratie en verantwoordelijkheid.

4.35. Nu [geïntimeerde] geen althans onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan moet worden aangenomen dat, ondanks voormelde bevindingen van de deskundigen, desalniettemin niet kan worden uitgegaan van hun conclusies in de rapportages, zal het hof voorbij gaan aan het verzoek tot het doen van een nader onderzoek.

4.36. Concluderend komt het hof, anders dan de rechtbank, dan ook tot het oordeel dat, gelet op voormelde rapportages, in 2001 geen medische afwijkingen of aandoeningen kunnen worden waargenomen althans vastgesteld die de klachten van [geïntimeerde] kunnen verklaren. Evenmin kan, gelet op deze rapportages, worden vastgesteld dat in 2001 sprake is van een dusdanig consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, welke klachten in verband kunnen worden gebracht met gebeurtenissen of bepaalde wel medisch vastgestelde afwijkingen of aandoeningen, dat niettegenstaande het feit dat klachten per definitie subjectief zijn, desondanks aannemelijk is dat er sprake is van aandoeningen of afwijkingen in de hiervoor in r.o. 4.14. bedoelde zin.

4.37. Dat betekent dat mogelijke arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] en het daardoor geleden verlies aan verdienvermogen, in 2001 niet, en evenmin daarna, als ongevalgevolg kan worden aangemerkt. Dit leidt ertoe dat de overige omstandigheden, zoals de mogelijke gevolgen van het latere ongeval in juni 2002 alsook de vraag of klachten voortvloeiende uit bekkeninstabiliteit en de aanwezigheid van het gen van de ziekte van Steinert (mede)oorzaak zijn van de klachten van [geïntimeerde], verder onbesproken kunnen blijven. Daarbij wordt bovendien nog in aanmerking genomen dat er, zoals blijkt uit de brief van neuroloog dr. Th.J.M. Breuer van 21 december 1999, sprake is van s.i.-problematiek zonder anatomisch substraat, maar dat ook aan de bekkeninstabiliteit met aanmerkelijke klachten en beperkingen geen objectieve afwijking ten grondslag kan worden gelegd. Niet valt in te zien, en daartoe zijn door [geïntimeerde] geen althans onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld of gebleken, dat deze klachten gerelateerd kunnen worden aan het ongeval van 1 september 1989. Zulks geldt eveneens voor eventuele klachten voortvloeiend uit het ongeluk in 2002. Mitsdien zal ook aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] op dit punt, als niet ter zake dienende voorbij worden gegaan.

4.38. Voorts concludeert het hof op grond van voormelde rapportages dat onmiddellijk aansluitend op het ongeval van 1 september 1989 wel sprake was van dusdanige klachten bij [geïntimeerde], dat moet worden aangenomen dat is voldaan aan de concordantievereisten tussen de door [geïntimeerde] aangegeven pijnbeleving en het pijngedrag als vermeld in punt 6 van de Nederlandse Richtlijnen voor de bepaling van functieverlies bij neurologische aandoeningen, zoals weergegeven in pt. 42 van de memorie van grieven. Daarbij wordt opgemerkt dat [geïntimeerde] de weergegeven inhoud van deze Richtlijnen niet heeft betwist, zodat daarvan in dezen door het hof is uitgegaan. Bovendien is kennelijk ook London hiervan uitgegaan, nu zij aan [geïntimeerde] een voorschot van fl. 110.000,-- heeft betaald, de algemene materiële schade tot en met juli 1994 aan [geïntimeerde] heeft voldaan en een vergoeding wegens immateriële schade ad € 2.500,-- redelijk acht. Alhoewel het op grond van de beschikbare rapportages niet geheel duidelijk is tot hoe lang deze periode van genoemde concordantie tussen pijnbeleving en pijngedrag en daaruit voortvloeiende beperkingen heeft geduurd, kan beantwoording van deze vraag wegens gebrek aan belang buiten beschouwing worden gelaten. Mede in aanmerking nemende de rapportages van de deskundigen Frenken en Edixhoven, heeft [geïntimeerde] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat van deze aan de beperkingen ten grondslag liggende klachten, voortvloeiend uit het ongeval op 1 september 1989, nog steeds sprake was ten tijde van de zwangerschap in 1994. Edixhoven geeft aan dat [geïntimeerde] heeft verklaard dat alle klachten totaal zijn overgegaan, nadat zij in 1994 zwanger is geworden, dat na enkele maanden na het begin van de zwangerschap van alle klachten er niets meer over was, dat zij weer vrijelijk kon bewegen en alle fysiek belastende activiteiten normaal kon verrichten. Weliswaar schrijft mr. Van der Kolk in zijn brief van 14 maart 2001 dat het ging om minder pijn en niet om pijnloosheid en al zeker niet om een periode waarin zij alles weer kon doen. Echter, [geïntimeerde] heeft niet gesteld welke klachten en mogelijk daaruit voortvloeiende beperkingen er toen nog waren. Ook staat vast dat [geïntimeerde] in de laatste maanden van haar zwangerschap last heeft gekregen van bekkeninstabiliteit, in verband waarmee uiteindelijk in 1999 haar behandelaar, revalidatiearts Blanken, de neuroloog Breuer consult heeft gevraagd. Een afwijking op neurologisch gebied heeft Breuer niet gevonden. Wel heeft [geïntimeerde] als belangrijk probleem ervaren dat de oefeningen die zij moest doen om de klachten van bekkeninstabiliteit te doen verminderen, juist pijn in de nek, de hoofdpijnklachten en schouderklachten deden verergeren. [geïntimeerde] heeft bovendien onvoldoende concreet gesteld dat deze (toegenomen) klachten na haar zwangerschap qua aard en omvang afweken van de door de deskundigen in 2001 geconstateerde klachten. Evenmin heeft [geïntimeerde] voldoende feiten gesteld en daarmee aannemelijk gemaakt dat er vanaf haar zwangerschap in 1994 tot in 2001 sprake was van voorgaande concordantie tussen pijnbeleving ten gevolge van het ongeval en pijngedrag en daaruit voortvloeiende beperkingen. Mitsdien wordt ook aan haar bewijsaanbod op dit punt, zo al voldoende gespecificeerd, voorbijgegaan.

4.39. Uit het voorgaande volgt dat sprake kan zijn van door [geïntimeerde] ten gevolge van het ongeval op 1 september 1989 gederfde inkomsten tot in ieder geval de zwangerschap in 1994. Deze mogelijke gederfde inkomsten kunnen geacht worden te zijn voldaan uit het door London reeds aan [geïntimeerde] betaalde voorschot. Immers, uit de vordering van [geïntimeerde] blijkt, dat volgens haar het gederfde inkomensverlies tot 1 januari 1998 moet worden vastgesteld op fl. 99.345,--. Nog daargelaten de vraag of dit berekende verlies als juist dient te worden aangemerkt, kan een verlies aan verdienvermogen tot medio 1994 in ieder geval geacht worden te zijn vergoed met voormeld voorschot. Daarbij wordt uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat het hof het standpunt van London aldus begrijpt dat met het door London aan [geïntimeerde] verstrekte voorschot alle door [geïntimeerde] geleden schade als gevolg van het ongeval ruimschoots is voldaan, en niet tot terugvordering wordt overgegaan. De gevorderde vergoeding voor huishoudelijke hulp tot 1 juli 1994 is door [geïntimeerde] begrepen in de door London niet betwiste vordering ter zake algemene materiële schade tot en met juli 1994 ad € 12.982,30 en kan derhalve eveneens geacht worden met betaling van het voorschot te zijn voldaan.

4.40. Dit geldt evenzeer voor de gevorderde vergoeding ter zake kosten van buitengerechtelijke bijstand ad fl. 23.360,--. Derhalve kan bespreking van de grieven voor zover betrekking hebbende op deze kosten van buitengerechtelijke bijstand, waaronder de kosten van het rapport van Groot Expertisebureau B.V., verder buiten beschouwing blijven.

4.41. De vordering van [geïntimeerde] voor zover betrekking hebbende op verlies aan verdienvermogen vanaf juli 1994 zal derhalve worden afgewezen. Dit betekent dat evenmin grond bestaat voor toewijzing van de vordering ter zake de belastinggarantie en het WAO-voorbehoud. Dit brengt mee dat het vonnis van 14 januari 2000 in zoverre moet worden vernietigd. Op grond van het bepaalde in artikel 356 Rv ziet het hof aanleiding de zaak aan zich te houden om in hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen.

4.42. Op grond van het vooroverwogene kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde], als gevolg van het ongeval op 1 september 1989, sedert 1994 beperkingen heeft ondervonden die haar belemmeren bij het verrichten van huishoudelijk werk. Derhalve dienen hierop betrekking hebbende onderdelen van de vonnissen van 28 december 2005 en 7 juni 2006 te worden vernietigd en zal deze vordering worden afgewezen.

4.43. Nu niet gebleken is van enige medische noodzaak tot het ondergaan van behandelingen van de fysiotherapeut, een Shiatsutherapeut, een chiropractor en medische fitness bestaat evenmin grond voor toewijzing van de schadepost ad

€ 7.581,18. De enkele opmerking van Frenken in zijn rapportage dat de behandelingen voor [geïntimeerde] een goed resultaat hebben gehad is onvoldoende om aan te nemen dat deze behandelingen ook medisch geïndiceerd zijn. Het hof ziet zich in deze opvatting gesterkt waar genoemde Frenken in zijn brief van 8 april 2003 opmerkt dat hij de stelling dat er genoeg bewijs is voor de relatie tussen behandeling (van de chiropractor), klachten en resultaat niet wenst te verdedigen voor een forum van artsen, van welke discipline dan ook.

Derhalve dient ook deze vordering te worden afgewezen.

4.44. [geïntimeerde] vordert voorts smartengeld tot een bedrag van € 18.151,21.

London heeft de hoogte van deze schadepost betwist en een bedrag van € 2.500,-- redelijk geacht.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 28 december 2005 de beslissing over deze schadepost aangehouden totdat vast is komen te staan wat de gevolgen van het ongeval voor [geïntimeerde] zijn geweest.

4.45. Het staat vast dat [geïntimeerde] slachtoffer is geweest van een ongeval waarvoor London volledige aansprakelijkheid heeft aanvaard. Het staat voorts vast dat [geïntimeerde] als gevolg daarvan immateriële schade heeft geleden. Gelet op alle concrete omstandigheden van onderhavig geval, waaronder de aard en duur van het letsel, begroot het hof de aan [geïntimeerde] toekomende vergoeding ter zake van smartengeld ad € 2.500,--. Ook deze vordering kan geacht worden met het betaalde voorschot te zijn voldaan.

4.46. Uit het voorgaande volgt dat de vordering ter zake de wettelijke rente eveneens voor afwijzing gereed ligt en dat de bestreden tussenvonnissen voor (gedeeltelijke) vernietiging in aanmerking komen.

4.47. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de proceskosten, zowel in hoger beroep als in eerste aanleg.

London heeft tevens gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen in de nakosten. Deze vordering is niet toewijsbaar. Artikel 237 lid 4 Rv kent een exclusieve regeling voor de begroting van de na de uitspraak ontstane kosten.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verklaart London niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het tussenvonnis van 12 januari 2001;

vernietigt het tussenvonnis van 14 januari 2000, voor zover daarbij onder r.o. 4.10.2 is beslist dat de vordering om [geïntimeerde] te voorzien van een genoegzame belastinggarantie alsmede een genoegzame garantie af te geven met betrekking tot haar rechten onder WAO zal worden toegewezen,

en bekrachtigt het vonnis voor het overige;

vernietigt de tussenvonnissen van 12 februari 2003, 13 augustus 2003, 28 december 2005 en 7 juni 2006;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van London worden begroot op € 5.675,94 aan verschotten, inclusief het door London betaalde voorschot in de kosten van het deskundigen bericht ad € 2.513,94, en € 13.162,00 aan salaris procureur in eerste aanleg en op € 5.905,32 aan verschotten en € 6.526,-- aan salaris procureur voor het hoger beroep;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rothuizen-Van Dijk, Kranenburg en Antens en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 12 februari 2008.