Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4349

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
R200600716
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de betalingsverplichting van de man doen ingaan op 1 augustus 2005, de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. De vrouw stemt daarmee in; de man wenst pas te betalen met ingang van 8 februari 2006, de datum waarop de dochter meerderjarig is geworden.

Nu de man vanaf de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift er rekening mee heeft kunnen houden, dat het verzoek van de vrouw geheel of gedeeltelijk zou kunnen worden toegewezen, zal ook het hof de onderhouds-bijdrage op 1 augustus 2005 laten ingaan. De man heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd op grond waarvan tot een latere ingangsdatum zou moeten worden besloten. Als zodanig kan in elk geval niet worden beschouwd de stelling van de man dat hij er voor vreest, dat, omdat hij de bijdrage tot de achttienjarige leeftijd van de dochter aan de vrouw verschuldigd is, al hetgeen hij zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter niet aan haar ten goede zal komen. De man heeft niets gesteld en ook anderszins is niets gebleken op grond waarvan de gegrondheid van deze vrees aannemelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PJ

7 februari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200600716

Zaaknummer eerste aanleg 149131 FA RK 05-3083

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

t e g e n

1. [de vrouw],

wonende te [woonplaats],

2. [de dochter],

wonende te [woonplaats], feitelijk verblijvende in [verblijfplaats],

geïntimeerden,

de vrouw respectievelijk de dochter,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de op 29 maart 2006 door de rechtbank Breda tussen de vrouw en de man gegeven beschikking, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 23 juni 2006, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

primair: de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek strekkende tot vaststelling van een bijdrage ad € 590,-- in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], omdat de man niet onderhoudsplichtig is jegens [de dochter];

subsidiair: het verzoek van de vrouw en [de dochter] tot kinderalimentatie af te wijzen wegens gebrek aan draagkracht;

meer subsidiair: de hoogte van de bijdrage van 1 augustus 2005 tot 8 februari 2006 en na 8 februari 2006 vast te stellen op een lager bedrag dan € 590,-- per maand, zodat de bijdrage in overeenstemming is met de behoefte van [de dochter];

kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 juli 2006, hebben de vrouw en de dochter het verzoek van de man bestreden. De vrouw wordt met betrekking tot de bijdrage voor de dochter geacht verweer te hebben gevoerd ten aanzien van de periode tot 8 februari 2006 en de dochter ten aanzien van de periode met ingang van die datum.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 november 2006 en is voortgezet op 22 november 2007. Ter gelegenheid van de eerste behandeling zijn partijen en hun advocaten gehoord en ter gelegenheid van de voortgezette behandeling alleen de man, de vrouw en de advocaten van partijen.

Van de eerste behandeling is een verkort proces-verbaal opgemaakt. De man en de dochter zijn toen verwezen naar mediation. Conform afspraak heeft de man bij wijze van voorlopige regeling € 150,-- per maand aan de dochter betaald met ingang van 1 november 2006. De mediation is niet gestart, waarna de mondelinge behandeling is voortgezet.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 december 2005;een brief met bijlagen van de procureur van de man van 6 november 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van de vrouw en de dochter van 6 november 2006;

- een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw en de dochter van 23 februari 2007;

- een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw en de dochter van 27 februari 2007;

- een brief van de advocaat van de vrouw en de dochter van 28 februari 2007;

- een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw en de dochter van 9 november 2007;

- een brief met bijlagen van de procureur van de man van 14 november 2007.

- verkorte pleitnotities d.d. 22 november 2007 (2x) van de advocaat van de man met bijlagen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het inmiddels beëindigde samenlevingsverband tussen de man en de vrouw is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] [naam dochter] geboren. Het gezag over de inmiddels meerderjarige [de dochter] heeft bij de vrouw berust.

4.2. Bij haar inleidende verzoekschrift heeft de vrouw zich tot de rechtbank gewend met een verzoek tot vaststelling van een door de man voor de dochter te betalen onderhoudsbijdrage. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de vrouw verzochte bijdrage van € 590,-- per maand vastgesteld met ingang van 1 augustus 2005.

Ingangsdatum

4.3. Partijen verschillen van mening met betrekking tot de vraag op welke datum de door de man voor de dochter te betalen onderhoudsbijdrage dient in te gaan.

De rechtbank heeft de betalingsverplichting van de man doen ingaan op 1 augustus 2005, de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. De vrouw stemt daarmee in; de man wenst pas te betalen met ingang van 8 februari 2006, de datum waarop de dochter meerderjarig is geworden.

Nu de man vanaf de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift er rekening mee heeft kunnen houden, dat het verzoek van de vrouw geheel of gedeeltelijk zou kunnen worden toegewezen, zal ook het hof de onderhouds-bijdrage op 1 augustus 2005 laten ingaan. De man heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd op grond waarvan tot een latere ingangsdatum zou moeten worden besloten. Als zodanig kan in elk geval niet worden beschouwd de stelling van de man dat hij er voor vreest, dat, omdat hij de bijdrage tot de achttienjarige leeftijd van de dochter aan de vrouw verschuldigd is, al hetgeen hij zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter niet aan haar ten goede zal komen. De man heeft niets gesteld en ook anderszins is niets gebleken op grond waarvan de gegrondheid van deze vrees aannemelijk is geworden.

Behoefte

4.4. De man betwist niet langer de verwekker van de dochter te zijn. Tijdens de mondelinge behandeling van 22 november 2007 heeft de man zijn eerste grief ingetrokken.

4.5. Partijen zijn het er tijdens de mondelinge behandeling van 22 november 2007 over eens geworden dat de behoefte van de dochter met ingang van 8 februari 2006 € 350,-- per maand bedraagt.

4.6. Met betrekking tot de behoefte van de dochter gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot 8 februari 2006 hebben partijen geen overeenstemming bereikt.

Het hof oordeelt als volgt.

Als regel wordt bij de bepaling van de behoefte van een onderhoudsgerechtigde tot uitgangspunt genomen het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun samenwoning. In het onderhavige geval is zulks niet mogelijk omdat de samenwoning van partijen al in 1987 - derhalve nog vóór de geboorte van de dochter - is verbroken en er geen financiële gegevens voorhanden zijn met betrekking tot het netto besteedbaar gezinsinkomen, waarover partijen toen de beschikking hadden. Bovendien vraagt de vrouw om vaststelling van een door de man voor de dochter te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 augustus 2005 en daarom is het van belang dat de behoefte van de dochter vanaf die datum komt vast te staan. De dochter heeft nimmer in gezinsverband samengeleefd met de man; vanaf haar geboorte heeft zij steeds bij haar moeder gewoond. Het zou dus voor de hand liggen de behoefte van de dochter in de eerste plaats te relateren aan het inkomen van de vrouw. Dat neemt niet weg, dat ook het inkomen van de man daarbij een rol dient te spelen. Bovendien stelt de man zich op het standpunt dat de behoefte van de dochter gebaseerd moet zijn op (uitsluitend) zijn netto besteedbaar inkomen (pleitnotities zitting 22 november 2007). Nu met betrekking tot de inkomsten van de vrouw vanaf 1 augustus 2005 onvoldoende bekend is - wel bekend is dat zij een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is ingegaan - zal het hof de behoefte van de dochter onder de bijzondere omstandigheden van dit geval relateren aan het gemiddelde besteedbaar inkomen van alleen de man over de jaren 2004/2005.

De man is zelfstandig ondernemer. Gelet op de fluctuaties in inkomen bij deze categorie onderhoudsplichtigen, zou naar het oordeel van het hof het inkomen van de man over alleen 2005 een onjuist uitgangspunt zijn ter bepaling van de behoefte van de dochter. Over het jaar of de jaren vóór 2004 heeft het hof niet de beschikking over voldoende betrouwbare cijfers. Daarom gaat het hof uit van genoemd gemiddelde.

4.7. Het bedrijf waaruit de man inkomsten genereert is ACLM Business v.o.f.

Vennoten zijn de man en zijn echtgenote. Beiden zijn tot de helft gerechtigd in het bedrijfsresultaat. Deze winstverdeling tussen de man en zijn echtgenote is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval acceptabel. De vrouw en de dochter hebben geen, althans onvoldoende, klemmend te achten bezwaren aangevoerd op grond waarvan in redelijkheid tot een andere winstverdeling (een hoger deel voor de man) zou moeten worden besloten. Van belang is daarbij dat de man er in 2004 nog niet op bedacht kon zijn dat de vrouw in juli 2005 van hem een onderhouds- bijdrage voor de dochter zou gaan verlangen.

Ook zal het hof, anders dan de vrouw wenst, geen correcties (bijstellingen naar beneden) op in de jaarstukken opgenomen kosten toepassen. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de opgevoerde verhuiskosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat de omvang van de autokosten mede is bepaald door de afkoop van een oud lease-contract.

Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende betrouwbare stukken in het geding gebracht om te kunnen uitgaan van een winstaandeel van de man over 2004 van € 22.221,50 en over 2005 van € 14.568,--. In augustus/september 2005 heeft de man ook werkzaamheden in loondienst verricht voor [X.]. Blijkens de in het geding gebrachte jaaropgaaf beliepen die inkomsten € 8.525,-- bruto.

Rekening houdend met pensioenaftrek (€ 25,-- per maand in 2004 en € 300,-- per maand in 2005), zelfstandigen- en startersaftrek en algemene heffingskorting en arbeidskorting leidt het vorenstaande tot een besteedbaar maandinkomen van de man in 2004 van ongeveer € 1.530,-- en in 2005 van ongeveer € 1.855,--. .

Het hof zoekt aansluiting bij de tabel eigen aandeel kosten van kinderen (2005;

0 kinderbijslagpunten). Op grond van het gemiddelde besteedbaar maandinkomen van de man in 2004/2005 van ongeveer € 1.692,-- was de behoefte van de dochter in de periode van 1 augustus 2005 tot 8 februari 2006 niet hoger dan het door de man gestelde bedrag van € 260,-- per maand .

4.8. In deze behoefte zal alleen door de man moeten worden voorzien omdat op de vrouw van toepassing is een drie jaren durend buitenwettelijk schuldsanerings-traject via de gemeentelijke kredietbank.

Draagkracht

4.9. Het hof gaat uit van een netto besteedbaar maandinkomen van de man van € 1.784,--. Het hof gaat daarbij uit van het gemiddelde inkomen van de man over 2004 en 2005 (zie bij rechtsoverweging 4.7.), een pensioenaftrek van € 3.600,-- en zelfstandigen- en startersaftrek, algemene heffingskorting en arbeidskorting. Het hof gaat ervan uit dat de man na 2005 over een ongeveer gelijk inkomen is blijven beschikken, nu er over 2006 en 2007 geen (definitieve) gegevens voorhanden zijn op grond waarvan zijn inkomen kan worden berekend.

Het hof neemt de volgende lasten van de man in aanmerking:

1. Normbedrag Wwb exclusief de woonkostencomponent voor een alleenstaande ouder, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, aangezien de echtgenote van de man in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

2. Woonlasten € 256,50 per maand (de helft van de huishuur van € 513,-- per maand, waarvan de andere helft dient te worden gedragen door de echtgenote van de man).

3. Premie ziektekosten € 114,78 per maand (productie 39 bij de brief van de procureur van de man van 14 november 2007)

4. Pensioenpremie € 300,-- per maand tot welk bedrag deze last per 1 januari 2005 is verhoogd, naar onvoldoende betwiste stelling van de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep.

Vaststelling van de alimentatie

4.10. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en rekening houdend met alle hiervoor genoemde fiscale aspecten, is het hof van oordeel, dat de man in staat moet worden geacht met ingang van 1 augustus 2005 tot 8 februari 2006 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter te hebben kunnen betalen van € 165,-- per maand. Met ingang van 8 februari 2006 moet de man in staat worden geacht tot betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter van € 150,-- per maand, gezien zijn uitdrukkelijke aanbod, herhaald ter zitting van 22 november 2007, om dit bedrag maandelijks aan de dochter te voldoen. Het verschil tussen beide bedragen wordt, afgezien van het aanbod van de man, overigens veroorzaakt door het gegeven dat de bijdrage voor de dochter vanaf de meerderjarigheid van de dochter niet meer tot fiscaal voordeel leidt, terwijl het hof ervan uitgaat dat zulks tot de meerderjarigheid van de dochter wel het geval was. Weliswaar wordt de bijdrage vastgesteld en door de man betaald nadat de dochter de achttienjarige leeftijd al heeft bereikt, maar de man kan de fiscus verzoeken alsnog voor aftrek in aanmerking te komen en het hof heeft geen reden om bij voorbaat aan te nemen dat zo’n verzoek zal worden afgewezen.

De derde grief slaagt ten dele. De bestreden beschikking kan mitsdien niet in stand blijven.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de op 29 maart 2006 door de rechtbank Breda tussen de man en de vrouw gegeven beschikking, behoudens voor zover daarbij de proceskosten tussen partijen werden gecompenseerd;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding / levensonderhoud en studie van [naam dochter], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], als volgt vast:

- met ingang van 1 augustus 2005 tot 8 februari 2006 op € 165,-- per maand;

- met ingang van 8 februari 2006 op € 150,-- per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling, waarbij de man de bijdrage tot 8 februari 2006 dient te voldoen aan de vrouw en de bijdrage met ingang van 8 februari 2006 aan de dochter;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Everaars-Katerberg en Pellis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.