Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4078

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
20-003396-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling. Voorwaardelijk opzet; Verdachte is op 26 mei 2006 te Eindhoven met aanmerkelijke snelheid onverhoeds met een bromfiets op [naam slachtoffer], die op dat moment met zijn rug naar verdachte was gekeerd, ingereden. Verdachte heeft hierbij, terwijl hij met aanzienlijke snelheid op die door hem bestuurde bromfiets reed, een been omhoog gehouden en heeft een trappende beweging gemaakt in de richting van het lichaam van die [naam slachtoffer]. Naar het oordeel van het hof was de kans aanmerkelijk dat indien verdachte die [naam slachtoffer] zou hebben geraakt er aan die [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, zoals ernstig rugletsel, zou worden toegebracht. Verdachte heeft een dergelijk gevolg kennelijk op de koop toe genomen. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij door zijn hierboven omschreven handelen die [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe zou brengen, heeft aanvaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen contra-indicaties naar voren gekomen welke tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Weerlegging betrouwbaarheidsverweer; Naar het oordeel van het hof ondersteunen de verklaringen van aangever [naam slachtoffer] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], voor zover hier van belang, elkaar in de kern in voldoende mate. Het hof acht hun verklaringen derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003396-06

Uitspraak : 29 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 september 2006 in de strafzaak met parketnummer 01/826802-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en het onder 2 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden zal opleggen, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 mei 2006 te Eindhoven met een ander, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de stationshal van het NS-station gelegen op/aan het Stationsplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer], welk geweld bestond uit het (met kracht) vastpakken en/of vasthouden en/of slaan en/of schoppen van voornoemde [naam slachtoffer] waarbij hij, verdachte, opzettelijk (een) kledingstuk(ken) heeft vernield en/of waarbij hij, verdachte, die [naam slachtoffer] (met kracht) heeft geschopt en/of geslagen, welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een gekneusde duim) voor voornoemde [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 26 mei 2006 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde bromfiets, met hoge, althans aanmerkelijke snelheid op voornoemde [naam slachtoffer] is ingereden en/of rijdende met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die door hem bestuurde bromfiets een been omhoog heeft gehouden en/of een trappende beweging heeft gemaakt in de richting van (het lichaam van) die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 mei 2006 te Helmond [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte toen daar opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde bromfiets met hoge, althans aanmerkelijke snelheid ingereden op voornoemde [naam slachtoffer] en/of heeft hij, rijdende met een hoge, althans aanzienlijke snelheid op die door hem bestuurde bromfiets een been omhoog gehouden en/of een trappende beweging gemaakt, in de richting van (het lichaam van) die [naam slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en het onder

2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 26 mei 2006 te Eindhoven met een ander, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de stationshal van het NS-station, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan en schoppen van voornoemde [naam slachtoffer];

2.

hij op 26 mei 2006 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde bromfiets, met aanmerkelijke snelheid op voornoemde [naam slachtoffer] is ingereden en rijdende met aanzienlijke snelheid op die door hem bestuurde bromfiets een been omhoog heeft gehouden en een trappende beweging heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu de verklaringen van [naam slachtoffer], [getuige 1] en

[getuige 2] tegenstrijdig zijn, waardoor er onvoldoende bewijs is om tot een bewezen verklaring van het ten laste gelegde te komen.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Naar het oordeel van het hof ondersteunen de verklaringen van aangever [naam slachtoffer] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], voor zover hier van belang, elkaar in de kern in voldoende mate. Het hof acht hun verklaringen derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het hof verwerpt het verweer.

Met betrekking tot het onder 2 bewezen verklaarde overweegt het hof het navolgende.

Verdachte is op 26 mei 2006 te Eindhoven met aanmerkelijke snelheid onverhoeds met een bromfiets op [naam slachtoffer], die op dat moment met zijn rug naar verdachte was gekeerd, ingereden. Verdachte heeft hierbij, terwijl hij met aanzienlijke snelheid op die door hem bestuurde bromfiets reed, een been omhoog gehouden en heeft een trappende beweging gemaakt in de richting van het lichaam van die [naam slachtoffer]. Naar het oordeel van het hof was de kans aanmerkelijk dat indien verdachte die [naam slachtoffer] zou hebben geraakt er aan die [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, zoals ernstig rugletsel, zou worden toegebracht. Verdachte heeft een dergelijk gevolg kennelijk op de koop toe genomen. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij door zijn hierboven omschreven handelen die [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe zou brengen, heeft aanvaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen contra-indicaties naar voren gekomen welke tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gepoogd [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zoals in de bewezenverklaring is omschreven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 45, eerste lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Bij de straftoemeting heeft het hof rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 13 december 2007 eerder ter zake van een soortgelijk strafbaar feit als onder 1 bewezen is verklaard een transactie heeft gehad, hetgeen verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om zich opnieuw aan openlijke geweldpleging schuldig te maken;

- de omstandigheid dat verdachte en zijn mededader het bewezen verklaarde hebben begaan tegen een perronopzichter, gedurende en ter zake de uitoefening van zijn beroep;

- het gewelddadige karakter van het bewezen verklaarde.

Het hof komt op grond van voormelde overwegingen tot oplegging van een straf die afwijkt van datgene dat door en namens de verdachte ter verdediging is bepleit, nu het hof oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf, met name gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, niet aangewezen acht.

Het hof acht de hierna op te leggen straf zowel wat strafsoort als strafmaat betreft het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [naam slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 300,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw tot dat bedrag gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [naam slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en het onder 2 bewezen verklaarde oplevert:

1.

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

2.

Poging tot zware mishandeling.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [naam slachtoffer] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [naam slachtoffer], wonende te [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. H. Eijsenga, voorzitter, mr. J.H.J.M. Mertens - Steeghs en

mr. F. van Es,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 29 januari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.