Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4026

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
20-003656-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Milieustrafrecht, uitleg aan de tekst van een voorschrift verbonden aan de milieuvergunning. Naar het oordeel van het hof is het voorschrift slechts voor één uitleg vatbaar. De bewoordingen van het voorschrift zijn dusdanig helder, dat deze voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat het de vergunningverkrijger is toegestaan om (op enig moment) vleeskuikens aanwezig te hebben, tot een maximumaantal van 93.800. Ververwping verweer m.b.t. jaargemiddelde. Verwerping beroep op ontbreken materiële wederrechtelijkheid.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 18.18
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003656-06

Uitspraak : 5 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2006 in de strafzaak met parketnummer

01-995142-05 tegen:

[verdachte],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, onder aanvulling met de navolgende overwegingen omtrent het bewijs en met vervanging van de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen en diens overwegingen omtrent de strafbaarheid van het bewezen verklaarde.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De raadsman heeft zich, op de gronden als nader in zijn pleitnotities verwoord, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu verdachte zich niet in strijd met een aan de milieuvergunning verbonden voorschrift heeft gedragen.

Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman betoogd dat, gelet op (ondermeer) de Interimwet ammoniak en veehouderij, de afgegeven milieuvergunning aldus moet worden geïnterpreteerd, dat het in die vergunning genoemde aantal te houden vleeskuikens niet een maximumaantal (op enig moment) betreft, maar een (jaar-)gemiddelde aantal te houden vleeskuikens. Het was verdachte derhalve toegestaan om op enig moment meer dieren dan het in de vergunning gestelde maximum aanwezig te hebben, mits er op jaarbasis onder dit aantal wordt gebleven, aldus de raadsman.

B.1

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

In het dossier bevindt zich een Besluit van het College van Burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne van 30 september 1997, waarin de aanvraag voor een milieubeheervergunning wordt verleend (dossierpagina 18 en 19). Aan die milieuvergunning zijn de voorschriften, zoals vermeld in de dossierpagina’s 20 tot en met 28, verbonden.

B.2

Voorschrift 5.1.1 behorende bij de milieuvergunning van 30 september 1997 luidt als volgt:

In de inrichting mogen maximaal de volgende dieren aanwezig zijn: 93.800 vleeskuikens in een Vleeskuiken Emissie-Arme stal.

B.3

Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel voorschrijft op welke wijze een vergunningsvoorschrift op grond van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer dient te worden geredigeerd. De vergunningverlener heeft bij het vaststellen van deze voorschriften (ook) in dit opzicht een discretionaire bevoegdheid.

Naar het oordeel van het hof is het onder 5.1.1 genoemde voorschrift slechts voor één uitleg vatbaar. De bewoordingen van het voorschrift zijn dusdanig helder, dat deze voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat het de vergunningverkrijger is toegestaan om (op enig moment) vleeskuikens aanwezig te hebben, tot een maximumaantal van 93.800.

Hetgeen de raadsman omtrent ammoniak- en aanverwante regelgeving naar voren heeft gebracht doet daar niet aan af. Het hof merkt in dit verband – ten overvloede – op dat het niet vermag in te zien dat het hanteren van een maximaal aantal te houden dieren een miskenning van de agrarische praktijk zou inhouden en/of een miskenning van de ammoniak- en aanverwante regelgeving, waarin van een jaarniveau zou worden uitgegaan. Een norm, inhoudende een absoluut maximaal aantal te houden dieren dat op geen enkel moment mag worden overschreden, sluit geenszins uit dat de normsteller rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat een dierpopulatie qua omvang kan fluctueren en welke effecten dit heeft op bijvoorbeeld de ammoniakemissie.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte op meerdere tijdstippen in de periode van 11 februari 2003 tot en met 10 maart 2005 aanzienlijk meer vleeskuikens aanwezig heeft gehad dan het op grond van de milieuvergunning toegestane maximumaantal van 93.800. De vertegenwoordiger van verdachte heeft hierover ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij wist dat er meermalen meer kuikens in het bedrijf waren dan in het vergunningvoorschrift was genoemd.

Verdachte heeft zich aldus opzettelijk gedragen in strijd met een voorschrift als bedoeld in artikel 18.18 van de Wet milieubeheer. Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

C.

De raadsman heeft zich, op de gronden als nader in zijn pleitnotitie verwoord, op het standpunt gesteld dat het feit als bedoeld in de tenlastelegging niet strafbaar is, aangezien de materiële wederrechtelijkheid daaraan ontbreekt. Ter adstructie daarvan heeft hij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het gewraakte handelen niet heeft geleid tot een extra belasting van het milieu en het door de Wet milieubeheer beschermde belang mitsdien niet is geschonden.

D.

Het hof overweegt hieromtrent dat voor een geslaagd beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid in het onderhavige geval is vereist dat aannemelijk wordt, dat de verdachte door de bewezenverklaarde gedraging de door de Wet milieubeheer beschermde belangen naar algemeen aanvaarde opvatting meer heeft gediend dan zij zou hebben gedaan indien zij zich zou hebben geconformeerd aan het bepaalde in artikel 18.18 van die wet.

Naar 's hofs oordeel is dit in deze zaak evenwel niet het geval. Verdachte heeft een milieuvergunning met bijbehorende voorschriften verkregen waarin een maximumaantal te houden dieren is genoemd.

Artikel 18.18 Wet milieubeheer beoogt (door middel van ordening) het milieu te beschermen. Het hof vermag niet in te zien dat het milieu in casu meer gediend was met normschending dan met normconform gedrag. Met andere woorden, het hof vermag niet in te zien dat het milieu in casu beter beschermd is door – op meerdere momenten – méér dan 93.800 kuikens te houden in plaats van op alle momenten maximaal 93.800. De raadsman heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De raadsman gaat er ten onrechte vanuit dat, voor een geslaagd beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid, het voldoende zou zijn wanneer een niet normconforme gedraging niet extra belastend is voor het milieu dan een normconforme gedraging. Dat verdachte over voldoende ammoniakrechten zou beschikken staat daar los van. Voorts heeft verdachte naar het oordeel van het hof ook de belangen van de ordening zelf, eveneens een strafrechtelijk te beschermen rechtsgoed, niet meer of beter gediend met het niet naleven van een voorschrift gegeven door een met die ordening belast orgaan.

Gelet hierop kan een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid derhalve niet slagen. Het hof verwerpt het verweer.

E.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis, waarvan beroep.

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, griffier,

en op 5 februari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.