Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4023

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
20-003164-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof oordeelt dat tarragrond in het onderhavige geval een afvalstof is. Analyserapporten van (niet tenlastegelegde) partijen duiden tarragrond aan als "schone grond". Gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafbaarheid van de onderwerpelijke gedraging (o.g.v. een vrijstellingsregeling)? Bespreking van gewijzigd inzicht n.a.v. gewijzigde wetgeving, onder meer gelet op het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen, het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming, de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond en het Besluit bodemkwaliteit. Afwijzing aanhoudingsverzoek raadsman, teneinde (partiele) inwerkingtreding Besluit bodemkwaliteit af te wachten.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 10.2
Wet milieubeheer 10.19
Wet milieubeheer 10.37
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003164-04

Uitspraak : 5 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 april 2004 in de strafzaak met parketnummer 01-075350-02 tegen:

de besloten vennootschap[verdachte]

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich, mede gelet op de in hoger beroep gevoerde verweren, op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 20 november 2001, in elk geval in of omstreeks de periode november 2001, te Odiliapeel, gemeente Uden, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan een ander, te weten [bedrijf 2]en/of maatschap[bedrijf 3] van bedrijfsafvalstoffen, te weten zeefzand en/of (gestoomde) aardappelen en/of aardappelschillen heeft ontdaan.

2.

zij op of omstreeks 13 juni 2002, in elk geval in of omstreeks de periode mei 2002 tot en met juni 2002, te Odiliapeel, gemeente Uden, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan een ander, te weten [bedrijf 2] en/of[bedrijf 4] van bedrijfsafvalstoffen, te weten zeefzand en/of aardappelen en/of aardappelloof heeft ontdaan.

3.

zij op of omstreeks 24 september 2002, te Uden, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, zich van afvalstoffen, te weten (zeef)zand en/of aardappelen, heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking - buiten een inrichting op of in de bodem brengen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode november 2001, te Odiliapeel, gemeente Uden, opzettelijk, zich door afgifte aan een ander, te weten [bedrijf 2], van bedrijfsafvalstoffen, te weten zeefzand en (gestoomde) aardappelen en aardappelschillen heeft ontdaan.

2.

zij op 13 juni 2002 te Odiliapeel, gemeente Uden, opzettelijk, zich door afgifte aan een ander, te weten [bedrijf 2], van bedrijfsafvalstoffen, te weten zeefzand en aardappelen en aardappelloof heeft ontdaan.

3.

zij op 24 september 2002, te Uden, opzettelijk, zich van afvalstoffen, te weten (zeef)zand en aardappelen, heeft ontdaan door deze buiten een inrichting op of in de bodem brengen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A2

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B.1.1

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu “tarragrond” van[verdachte]kan worden aangemerkt als “schone grond”. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman in hoger beroep onder meer een analyserapport d.d. 20 maart 2007 overgelegd, dat betrekking heeft op een monsteringneming van een (niet ten laste gelegde) partij tarragrond op 8 maart 2007. Ook in eerste aanleg zijn daartoe analyserapporten (2) overgelegd met betrekking tot (niet tenlastegelegde) partijen “tarragrond” van [verdachte].

B.1.2

De raadsman heeft in dit verband verwezen naar het Bouwstoffenbesluit bodem en oppervlaktewater bescherming [ het hof: hierna te noemen het Bouwstoffenbesluit] en gesteld dat “tarragrond” onder de werking van dit besluit valt.

B.1.3

Tevens heeft de raadsman in dit verband verwezen naar de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond van 2005.

B.1.4

De raadsman heeft voorts een uitdrukkelijk verzoek tot aanhouding gedaan, teneinde het onderzoek ter terechtzitting eerst voort te zetten ná 1 juli 2008, de datum waarop het onderdeel “toepassen van grond op of in de bodem” van het Besluit bodemkwaliteit in werking is getreden.

B.2.1

Het hof begrijpt de, tegen de achtergrond van B.1.1 onder B.1.2 en B.1.3 genoemde verwijzingen van de raadsman aldus dat hij daarmee beoogt een beroep te doen op het bepaalde in art. 10.2 tweede lid Wet milieubeheer, in onderlinge samenhang met art. 2 lid 1 onder b Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen, alsmede – sinds 15 november 2005 - in onderlinge samenhang met art. 2 lid 1 onder h van dat besluit.

Naar het oordeel van het hof leidt een beroep op die vrijstellingsregeling, indien dat slaagt, niet tot een vrijspraak doch tot een ontslag van alle rechtsvervolging. Het hof zal derhalve dit verweer bespreken in het onderdeel “strafbaarheid van het bewezenverklaarde”.

B.2.2.

Het hof verstaat het verzoek om aanhouding van de raadsman zoals weergegeven onder B.1.4 aldus, dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat er met de geplande inwerkingtreding op 1 juli 2008 van het onderdeel “toepassen van grond” van het Besluit Bodemkwaliteit sprake is van:

a) een gewijzigd inzicht omtrent de strafwaardigheid van de onderwerpelijke gedraging als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

b) een vrijstelling op het stortverbod, gelet op artikel 10.2, tweede lid Wet milieubeheer in verbinding met artikel 2, eerste lid, Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

Naar het oordeel van het hof leidt ook dit standpunt, indien juist, niet tot vrijspraak, maar tot ontslag van alle rechtsvervolging, wegens het niet (meer) strafbaar zijn van het feit. Het hof zal ook dit verweer derhalve niet hier, maar in het onderdeel “strafbaarheid van het bewezen verklaarde” bespreken.

C.1

De raadsman heeft voorts bepleit dat de gebruikte stof, door hem aangeduid als, tarragrond, op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn niet valt onder de werkingssfeer van de Kaderrichtlijn afvalstoffen nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 [het hof: hierna te noemen de Richtlijn. Het hof merkt op dat die richtlijn opnieuw is gecodificeerd in Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen].

C.2

Het hof overweegt omtrent het door de raadsman onder C.1 gestelde als volgt.

C.2.1

Naar het oordeel van het hof doet de uitzonderingssituatie, waar de raadsman zich een beroep op doet, zoals weergegeven onder C.1, in het onderhavige geval niet voor. Immers, artikel 2 van de Richtlijn is gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG.

C.2.2

Artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn zoals die ten tijde van de tenlastegelegde perioden luidde (en ook thans nog luidt) luidt, voor zover van belang:

1. Buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen de volgende stoffen:

(…)

b) wanneer zij reeds onder andere voorschriften vallen:

(…)

iii) kadavers en de volgende landbouwafvalstoffen: fecaliën en andere natuurlijke en niet-gevaarlijke stoffen die in de landbouw worden gebruikt.

C.2.3

Naar het oordeel van het hof vallen de in de tenlastelegging bedoelde stoffen niet reeds onder andere voorschriften als hiervoor bedoeld, zodat deze landbouwafvalstoffen onder de werkingssfeer van de Richtlijn vallen.

Het hof verwerpt het verweer in zoverre.

D.1

De raadsman van verdachte heeft – op de gronden als vervat in de door hem overgelegde pleitnotities – voorts betoogd dat “tarragrond” niet moet worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de Wet Milieubeheer c.q. de Richtlijn.

D.2

Het hof overweegt omtrent het door de raadsman onder D.1 gestelde als volgt.

D.2.1

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet onder "afvalstoffen" worden verstaan:

"alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen [het hof: nader te noemen de Richtlijn], waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen".

D.2.2

Artikel 1, onder a, van voormelde richtlijn luidt als volgt:

"In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a. "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is te ontdoen of zich moet ontdoen";

b. "producent": elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht ("eerste producent") en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

c. "houder": de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in beheer heeft."

D.2.3

Het hof overweegt dat de in die bijlage I alsmede de toelichting daarop, de definitie van afvalstof wordt toegelicht met lijsten van stoffen en voorwerpen die als afval kunnen worden beschouwd. Deze lijsten zijn evenwel slechts indicatief en de kwalificatie ‘afvalstof’ hangt vooral af van het gedrag van de houder, namelijk of deze zich al dan niet van de betrokken stoffen wil ontdoen.

D.2.4

Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt derhalve af van de betekenis van de term "zich ontdoen van", welke term moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de doelstelling van de richtlijn, namelijk, de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de schadelijke gevolgen veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, alsmede tegen de achtergrond van artikel 174, tweede lid, van het EG-verdrag, volgens hetwelk de gemeenschap in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming streeft en dat beleid onder meer berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Bijgevolg kan het begrip afvalstof niet restrictief worden uitgelegd.

D.2.5

Voorts overweegt het hof dat de vraag of er in een bepaald geval sprake is van een afvalstof meer in het bijzonder moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening gehouden moet worden met de doelstelling van de richtlijn en dat ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

Het hof stelt vast dat de richtlijn geen enkel beslissend criterium bevat aan de hand waarvan de wil van de houder om zich van een bepaalde stof of een bepaald voorwerp te ontdoen, kan worden vastgesteld.

D.3

Met inachtneming van hetgeen onder D.2 werd overwogen, zal het hof nagaan of de in de tenlastelegging genoemde stoffen al dan niet moet worden aangemerkt als ‘afvalstof’ in de zin van de Richtlijn en de Wet milieubeheer.

D.4.1

Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden zijn gebleken:

a. [verdachte] is een aardappelverwerkend bedrijf, dat zich blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel voor Oost-Brabant d.d. 10 oktober 2007 hoofdzakelijk bezig houdt met aardappel- en groenteverwerking en de productie van aardappel- en groenteproducten; [verdachte] heeft 24 september 1996 een milieuvergunning verkregen voor haar inrichting op het perceel [adres] te [woonplaats], betreffende een aardappel- en groentefabriek;

b. [verdachte] betrekt de aardappelen van telers, waarna de aardappelen in de inrichting van [verdachte] via een grondzeefmachine naar een sorteermachine worden gebracht;

c. vanuit de grondzeefmachine wordt het vrijkomende zand opgevangen in zandkisten;

d. de op de grond liggende aardappelen en aardappelrestanten, die bij het zeven vrijkomen, worden eveneens in die zandkisten gedaan;

e. de volle zandkisten worden geledigd in een grote container, toebehorende aan [bedrijf 2]. De volle zandkisten bevatten zeefzand, aardappelen en aardappelrestanten (het hof: dit samenstel wordt door verdachte als “tarragrond” aangeduid);

f. de grote container met tarragrond wordt onbewerkt opgeslagen in de inrichting van [verdachte]

g. de container met tarragrond, wordt vervolgens door [bedrijf 2] afgevoerd en getransporteerd naar afnemers uit de agrarische sector;

h. [bedrijf 2] krijgt voor deze transportwerkzaamheden van [verdachte] een financiële vergoeding;

i. [bedrijf 2] transporteert ongeveer 4 á 5 containers per week.

j. een aantal afnemers stelt [verdachte] tegen een financiële vergoeding in de gelegenheid om [bedrijf 2] de tarragrond op de bodem in een gestorte aardwal te laten storten;

k. de aardwal van tarragrond wordt gedurende langere tijd op de bodem van de landbouwgronden opgeslagen en wordt afgedekt som met plastic folie;

l. de tarragrond is bestemd om – na verloop van tijd – in de bodem te worden ondergewerkt.

Voorts, en meer in het bijzonder ten aanzien van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde partij in 20 november 2001, is gebleken van het navolgende:

m. op 20 november 2001 werd door verbalisanten op (landbouw)grond, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], waargenomen dat grote hoeveelheden aarde waren gestort en dat in de gestorte aarde grote hoeveelheden aardappelen zaten.

n. aan de achterzijde van het perceel lag een aarden wal met een lengte van circa 110 meter, een hoogte van circa 2 meter en een gemiddelde breedte van 2 meter (circa 400m3);

o. de aarden wal was afgedekt met plastic folie. De aarden wal bestond uit gezeefd zand met daartussen aardappelen en aardappelloof;

p. na informatie bij de gemeente Uden bleek dat de betreffende landbouwgrond in eigendom toebehoort aan [bedrijf 3], gevestigd aan de [adres] te [woonplaats];

q. de heer [maat bedrijf 3] heeft over de grond verklaard dat deze afkomstig was van [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]).

r. tevens verklaarde [maat bedrijf 3] dat hij ongeveer anderhalf jaar geleden door [bedrijf 2] uit Odiliapeel is benaderd met de vraag of hij het goed vond dat er gezeefd zand op zijn grond werd aangebracht;

s. uit een verklaring van [maat bedrijf 3] blijkt dat het perceel, waar de tarragrond van [verdachte] lag opgeslagen, in het jaar 1998 was beteeld met graszaad, in 1999 met suikerbieten en in 2000 en in 2001 met maïs.

Het onder a. tot en met l. overwogene geldt mutatis mutandis voor de ten laste gelegde partij tarragrond in 13 juni 2002. Voorts is ten aanzien van de tenlastegelegde partij op 13 juni 2002 gebleken van het navolgende:

t. op 13 juni 2002 werd door verbalisanten geconstateerd dat op (landbouw)grond, kadastraal bekend onder sectie V nummer 3057 in de gemeente Uden, in eigendom toebehorende aan [vennoot bedrijf 4], een zandwal vermengd met aardappelen lag. Er was een groot aantal vrachten met aarde gestort en tussen de aarde zaten grote hoeveelheden, zowel grote als kleine aardappelen. Over de wal lag (deels) een stuk plastic.

u. de verbalisanten namen waar dat een vrachtauto, met daarop de tekst[bedrijf 2] een laadbak liet leeglopen voor de wal.

v. de chauffeur van de vrachtwagen, [bestuurder bedrijf 2] verklaarde dat de aarde van [verdachte]te Odiliapeel afkomstig was.

w. uit een verklaring van [bestuurder bedrijf 2] blijkt dat het perceel van [vennoot bedrijf 4] waar de tarragrond van [verdachte] lag opgeslagen, in het jaar 1999 was beteeld met mais, in 2000 met maïs en in 2001 met maïs.

Voorts is ten aanzien van de tenlastegelegde partij op 24 september 2002 gebleken van het navolgende:

x. op 24 september 2002 werd door medewerkers van de gemeente Uden geconstateerd dat een vrachtwagen, tenaamgesteld op [verdachte]te Odiliapeel, zijn lading loste op de bodem van een perceel, kadastraal bekend P 981 te Uden, in eigendom toebehorende aan het bedrijf [bedrijf 5]

y. op het perceel P 981 was op een stuk van ongeveer 100 meter zwarte grond, vermengd met aardappelen en aardappelrestanten, gestort;

z. uit een verklaring van [bestuurder bedrijf 5] blijkt dat hij [verdachte] een container met voeraardappelen had laten storten op de strook, met de bedoeling deze onder te werken;

aa. uit een verklaring van [bestuurder bedrijf 5] blijkt dat het perceel, waar de tarragrond van [verdachte] lag opgeslagen, in het jaar 1999 was beteeld met gras, in 2000 met gras en in 2001 met maïs.

D.4.2

Op grond van hetgeen hiervoor onder a. tot en met aa. is overwogen moet naar het oordeel van hof de stof, die overblijft bij de verwerking van aardappelen, worden aangemerkt als productieresidu, nu het materiaal niet doelbewust werd geproduceerd, in die zin dat het productieproces werd gewijzigd om die stof te produceren. Dat de stof als een productieresidu moet worden gekwalificeerd is naar het oordeel van het hof een belangrijke indicatie dat het hier om een afvalstof gaat. Gelet ook op de andere omstandigheden zoals die onder D.4.1. zijn genoemd, zoals de samenstelling van de in de tenlastelegging genoemde afvalstoffen en het feit dat (sommige) afnemers door [verdachte] werden betaald om de grond zoals genoemd in de tenlastelegging af te nemen, is het hof van oordeel dat er sprake is van afvalstoffen in de zin van artikel 1.1. eerste lid van de Wet milieubeheer.

D.4.3

Het hof merkt op, dat afvalstoffen ook nuttig kunnen worden toegepast, waardoor de stof het karakter van afvalstof kan verliezen.

Daargelaten of de onderhavige toepassing als zodanig is te duiden, staat naar het oordeel van het hof op grond van het onder a. tot en met aa. overwogene vast dat er (nog) geen sprake is van de beoogde toepassing, zodat naar het oordeel van het hof de stof nog steeds een afvalstof is. Uit de genoemde feiten en omstandigheden blijkt immers dat de stof (onbewerkt) is aangetroffen in een al dan niet afgedekte opslag, te weten een aardwal. Aangezien de stof feitelijk nog niet als (secundaire) grondstof is ingezet in een productieproces, is er naar het oordeel van het hof nog steeds sprake van een afvalstof, zoals bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

D.4.4

Een ander oordeel, inhoudende dat de opgeslagen hoeveelheid reeds het karakter van afvalstof zou hebben verloren, zou in de ogen van het hof de onwenselijke en met de doelstellingen van de richtlijn onverenigbare mogelijkheid openlaten dat het materiaal niet wordt hergebruikt en – aan het toezicht van de overheid onttrokken – een andere, onbestemde toepassing vindt.

Het hof verwerpt het verweer ook in zoverre.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

E

De raadsman heeft, zoals hiervoor onder B.1 en B.2 aangegeven, een beroep op het bepaalde in art. 10.2 tweede lid Wet milieubeheer gedaan. Dit beroep is tweeledig en ziet – kort gezegd - enerzijds op de stoffen genoemd in het Bouwstoffenbesluit (B.1.2) en anderzijds op stoffen genoemd in de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarra (B.1.3).

F.1

Het wettelijk kader, voor zover van belang bij de beoordeling van het verweer zoals weergegeven onder B.1.2, luidde:

F.1.1

Art. 10.2, tweede lid Wet Milieubeheer, (ten tijde van het bewezenverklaarde):

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

F.1.2

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen, (ten tijde van het bewezen verklaarde) voor zover hier van belang:

1. Als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, wordt aangegeven: het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking buiten een inrichting op of in de bodem te brengen indien:

a. (…)

b. het werken, niet zijnde inrichtingen betreft, als aangegeven in bijlage I, onder 28.3, onder c, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer(..);

Bijlage 1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit, onder 28.3, onder c, luidt voorzover hier van belang als volgt:

28.1. Inrichtingen voor:

28.2.

28.3.

a. (..)

b. (..)

c. werken als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming waarin als bouwstof worden gebruikt afvalstoffen, die kunnen worden aangemerkt als bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van dat besluit.

F.1.3

Bij besluit van 30 september 2005 tot wijziging van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen met betrekking tot plantenresten en tarragrond alsmede tot intrekking van het Besluit beheer land- en tuinbouwfolie (Stb. 2005, nr. 488) is artikel 2 van het Bouwstoffenbesluit gewijzigd. Dit besluit van 30 september 2005 is in werkinggetreden op 15 november 2005.

Met de inwerkingtreding van dit besluit luidde artikel 2, eerste lid, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen voor zover van belang:

1. Als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, wordt aangegeven: het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking buiten een inrichting op of in de bodem te brengen indien:

a. (…)

b. dit geschiedt overeenkomstig het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming in een werk waarin afvalstoffen (..) worden gebruikt als bouwstof.

De nota van toelichting op het besluit van 30 september 2005 houdt ten aanzien van deze wijziging in:

[Het hof leest in: er] is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een wijziging van wetgevingstechnische aard in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen aan te brengen. Het gaat hier om de herformulering van de vrijstellingen, die zijn opgenomen in artikel 2, eerste lid, onder b en f, van dat besluit. Deze vrijstellingen gelden voor werken die worden aangelegd in het kader van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Uit de redactie van deze vrijstellingen bleek niet voldoende duidelijk dat deze uitsluitend betrekking hebben op gevallen waarin wordt voldaan aan de normen van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Dat is altijd wel beoogd. De desbetreffende onderdelen zijn nu zodanig gewijzigd dat buiten twijfel staat dat de vrijstellingen alleen van toepassing zijn op bouwstoffen die voldoen aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming.

en voorts:

In onderdeel b werd verwezen naar categorie 28.3, onder c, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.(..) De nieuwe redactie van categorie 28.3, onder c, verschilt onder meer van de oude redactie doordat hierin geen milieuhygiënisch beperkende voorwaarden meer zijn opgenomen.(..)

Door dit verschil zou het misverstand kunnen ontstaan dat de vrijstelling in artikel 2, eerste lid, onder b, van het besluit zowel zou gelden voor situaties waarin niet wordt voldaan aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming als voor situaties waarin zulks wel het geval is. Dat is uiteraard niet de bedoeling. Daarom wordt volledigheidshalve de formulering van artikel 2, eerste lid, onder b en f, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen zodanig gewijzigd dat buiten twijfel staat dat de vrijstelling alleen geldt voor gevallen die wel voldoen aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Voor alle duidelijkheid wordt daarbij opgemerkt dat het daarbij gaat om het gebruik van afvalstoffen of avi-bodemas als bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming.

F.2

Gelet op het voorgaande dient deze wijziging van art. 2 Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen niet te worden geduid als een wijziging zoals bedoeld in art. 1 tweede lid Sr.

F.3

Het beroep dat verdachte doet op de vrijstelling zoals voorzien in art. 2, eerste lid aanhef en onder b Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen jo – kort gezegd – het Bouwstoffenbesluit stuit reeds af op de omstandigheid dat de namens verdachte overgelegde analyse rapporten geen betrekking hebben op de in de tenlastelegging bedoelde partijen zodat ten aanzien van dié partijen de samenstelling niet is komen vast te staan.

Derhalve kan in rechte niet worden getoetst of de in de tenlastelegging bedoelde partijen voldoen aan de criteria zoals genoemd in het Bouwstoffenbesluit die zouden kunnen leiden tot een vrijstelling.

F.4

Het hof verwerpt het beroep op art. 10.2 tweede lid Wet Milieubeheer in onderlinge samenhang met de vrijstellingsregeling zoals bedoeld in art. 2, eerste lid aanhef en onder b Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

G.1

Het wettelijk kader voor zover van belang bij de beoordeling van het verweer zoals weergegeven onder E en onder B.1.3.

G1.1

Voor wat betreft de tekst van art. 10.2 tweede lid Wet Milieubeheer zoals die bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder F.1.1 is weergegeven.

G.1.2

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen, kende ten tijde van het bewezen verklaarde, geen aparte regeling voor “tarragrond”.

Sedert de wijziging van het zojuist genoemde art. 2 eerste lid in 2005, in werking getreden op 15 november 2005, luidt die bepaling voor zover hier van belang als volgt.

1. Als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, wordt aangegeven: het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking buiten een inrichting op of in de bodem te brengen indien:

a. (…)

(…)

h. het betreft tarragrond die is aangewezen bij regeling van Onze Minister, in de daarbij aangegeven gevallen.

Art. 1 Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen definieert tarragrond als volgt:

“tarragrond: aanhangende grond die vrijkomt bij het behandelen van het gewas na de oogst”

G.1.3

Het onder artikel 2, eerste lid, onder h bedoelde onderdeel is nader uitgewerkt in de Vrijstellingregeling plantenresten en tarragrond, die eveneens op 15 november 2005 in werking is getreden.

G.1.4

De nota van toelichting op het besluit van 30 september 2005 houdt ten aanzien van deze wijziging in:

De vrijstelling zal voor (…) afvalstromen worden begrensd. Hetzelfde geldt voor het terugbrengen van tarragrond op landbouwgrond. Onder bepaalde voorwaarden zal het mogelijk worden om tarragrond, zijnde grond van de akkers die meekomt bij het oogsten van aardappelen (…) terug te brengen op het land.

En voorts ten aanzien van de diverse categorieën tarragrond:

Zoals hierboven vermeld zullen bij ministeriële regeling specifieke categorieën van (..) tarragrond worden aangewezen. Het uitgangspunt hierbij is dat uitsluitend vrijstellingen worden opgenomen die niet leiden tot een significante verspreiding van of belasting met zware metalen en andere contaminanten of mineralen.

De kaderrichtlijn afvalstoffen biedt de mogelijkheid om, onder voorwaarden, voor bepaalde (…) tarragrond van het vrijstellingsinstrument gebruik te maken. Bij de ministeriële regeling waarbij de soorten tarragrond worden aangewezen en waarbij wordt bepaald in welke gevallen vrijstelling wordt verleend, zullen die vereisten in acht moeten worden genomen.

G.1.5

Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, en het tweede lid, van de Vrijstellingregeling plantenresten en tarragrond, luidt ten aanzien van (aardappel-)tarragrond als volgt:

1. Als tarragrond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h. van het Besluit vrijstelling stortverbod buiten inrichtingen wordt aangewezen:

(..)

c. tarragrond van aardappelen die verspreid wordt over een perceel waarop in hetzelfde kalenderjaar of in een van de drie voorafgaande kalenderjaren bedrijfsmatig aardappelen zijn geteeld, onder de voorwaarden die zijn gesteld in het tweede lid.

2. Tarragrond van (..) aardappelen is schoon en onverdacht en bevat geen toevoegingen met uitzondering van residuen anti-schuimmiddel.

G.1.6

De toelichting onder artikel 6 van de Vrijstellingregeling plantenresten en tarragrond houdt het volgende in:

Nu zijn ook de tarragrond van suikerbieten en aardappels vrijgesteld. Ook bij deze vrijstellingen is bepaald dat het alleen mag gaan om het terugbrengen van deze tarragrond naar percelen waar dezelfde gewassen in een voorafgaande periode zijn geteeld. Deze beperking is noodzakelijk om te waarborgen dat er geen significante verspreiding plaatsvindt van zware metalen en andere contaminanten of mineralen. Bij bieten en aardappelen is echter een langere periode opgenomen waarbinnen dezelfde gewassen geteeld moeten zijn. Dit komt omdat de teelt van aardappelen en bieten jaarlijks moet wisselen van perceel.(…)

Vanwege deze ruimtelijke beperking in de vrijstelling voor tarragrond van bieten en aardappels is het ook niet noodzakelijk om veel eisen te stellen aan de samenstelling van de grond die wordt teruggebracht. De kwaliteit van de tarragrond zal met deze restrictie immers overeenkomen met de kwaliteit van de grond waarop de tarragrond wordt toegepast. Overigens vormt deze vrijstelling een overgangsregime voor de periode tot de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving inzake de bodembescherming. Daarin komen algemene regels voor toepassingen van grond waaronder tarragrond. (…)

In de eerste plaats moet de tarragrond schoon en onverdacht zijn. Dat betekent dat er op het eerste gezicht geen vervuilingen in mogen zitten zoals zwerfafval, papier, plastic, stenen en dergelijke. Het is echter niet altijd te voorkomen dat sporen van plantenresten, papier of plastic of kleine stenen in de tarragrond terechtkomen. Ook kan tarragrond residuen van toegestane kiemremmende middelen bevatten, welke bij de tussentijdse opslag van de aardappels gebruikt kunnen zijn. Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat tarragrond geen schone grond hoeft te zijn in de zin van de regelgeving op grond van de Wet bodembescherming, zoals het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Dat betekent dat tarragrond niet aan de streefwaarden van dat besluit hoeft te voldoen om op grond van deze vrijstellingsregeling te kunnen worden verspreid.

Het begrip ‘schone grond’ in de bodemregelgeving (zoals het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming) staat los van het begrip ‘schoon en onverdacht’ in deze vrijstellingsregeling die is gebaseerd op de Wet milieubeheer. Deze begrippen hebben hun eigen (verschillende) betekenis. Tarragrond die gemengd is met andere stromen zoals slib of grond valt niet onder deze vrijstelling. Er is immers geen sprake meer van tarragrond zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. De vrijstelling is ook niet van toepassing indien bij het reinigen van de suikerbieten en aardappelen (dus bij de ‘productie’ van tarragrond) iets wordt toegevoegd. Een uitzondering is gemaakt voor kleine hoeveelheden antischuimmiddel, een middel dat wordt gebruikt om de verwerking van suikerbieten en aardappelen mogelijk te maken. Toevoeging van bijvoorbeeld zout water uit een zoutbad (dat wordt gebruikt bij de aardappelsortering) is derhalve niet toegestaan.

G.2

Het beroep dat verdachte, op de voet van artikel 1, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, doet op de vrijstelling zoals voorzien in artikel 2, eerste lid aanhef en onder h Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen jo de Vrijstellingregeling plantenresten stuit reeds af op de omstandigheid dat de in de tenlastelegging bedoelde partijen zijn gestort op grond die niet voldoet aan de eis, neergelegd in artikel 6 eerste lid, aanhef en onder c Vrijstellingregeling plantenresten en tarragrond (zie hiervóór D.4.1 onder s en D.4.1 onder w).

G.3

Het hof verwerpt het beroep op artikel 10.2 tweede lid Wet Milieubeheer in onderlinge samenhang met de vrijstellingsregeling zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid aanhef en onder h Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

H.1

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman, zoals reeds onder B.1.4 is overwogen, een verzoek tot aanhouding gedaan, teneinde het onderzoek ter terechtzitting eerst voort te zetten ná 1 juli 2008, de datum waarop het Besluit bodemkwaliteit voor wat betreft het onderdeel “toepassen van grond op of in de bodem” in werking zal treden. Het hof verstaat dat de raadsman zich op het standpunt stelt dat hoofdstuk 4 van het Besluit bodemkwaliteit een gunstiger bepaling voor verdachte bevat ten opzichte van de thans geldende regelgeving op grond van het Bouwstoffenbesluit Het hof heeft dit aanhoudingsverzoek gezien tegen de achtergrond zoals hiervoor onder B.2.2 geschetst.

H.2

Het hof zal dit verzoek tot aanhouding afwijzen nu de noodzaak tot aanhouden niet is gebleken.

Het hof overweegt daartoe dat noch het Besluit Bodemkwaliteit, dat deels op 1 januari 2008 in werking is getreden en deels eerst op 1 juli 2008 in werking zal treden, noch de toelichting daarop aanknopingspunten bieden die nopen tot de conclusie dat er sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever met betrekking tot reeds gepleegde feiten en aldus met betrekking tot de in casu bewezen verklaarde feiten. Reeds daarom zou een verweer zoals geschetst onder B.2.2 dienen te worden verworpen. Buiten dat zou bedoeld verzoek ook reeds afstuiten, gelet op de omstandigheid zoals hiervoor onder F (meer in het bijzonder onder F.3, het ontbreken van een analyserapport met betrekking tot de tenlastegelegde partijen) en G (in het bijzonder onder G.2 in samenhang met artikel 80 Besluit bodemkwaliteit) overwogen.

I.1

Het bewezen verklaarde onder 1 primair en onder 2 primair is telkens voorzien bij artikel 10,2, eerste lid, Wet milieubeheer, juncto artikel 1a onder 1 en artikel 2, eerste lid van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

I.2

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

J1

Voor wat betreft feit 1 merkt het hof op dat artikel 10.19 Wet milieubeheer is gewijzigd nadat het bewezen verklaarde was begaan. Deze wijziging berust evenwel niet op een gewijzigd inzicht van de wetgever met betrekking tot de strafwaardigheid van het bewezen verklaarde, zodat het recht wordt toegepast dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

J2

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien bij artikel 10.19, eerste lid, Wet milieubeheer, juncto artikel 1a en artikel 2 van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien bij artikel 10.37, eerste lid, Wet milieubeheer, juncto artikel 1a en artikel 2 van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien bij artikel 10.2, eerste lid, Wet milieubeheer, juncto artikel 1a en artikel 2 van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

J3

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

K

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

L1

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

L2

Het hof acht oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Bij dit oordeel heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte, een aardappelverwerkend bedrijf – gelet op het aantal werknemers en de omzet – een grote onderneming is. Als professionele branchedeelnemer wist verdachte dat zij in strijd met milieuregelgeving handelde door zich te ontdoen van grote hoeveelheden tarragrond. De vertegenwoordiger van verdachte, [naam vertegenwoordiger verdachte] heeft immers op 26 juni 2002 tegenover de politie verklaard: “Ik weet dat het niet mag om het zand met de restaardappels of andere afvalstoffen op de onbedekte bodem te storten”. Desondanks heeft verdachte uit financieel gewin de milieuregels terzijde geschoven en heeft zij van de werkzaamheden van [bedrijf 2]gebruik gemaakt om de afvalstoffen op de bodem bij agrarische bedrijven te storten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 10.2, 10.19 en 10.37 van de Wet milieubeheer, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

2

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

3

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 15.000 (vijftienduizend euro).

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, griffier,

en op 5 februari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.