Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC3971

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
20-003520-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Milieustrafrecht, overtreding van artikel 13, eerste lid, anhef en onder a, van de Flora- en faunawet, opzettelijk 215 fazanten, behorende tot een beschermede inheemse diersoort, onder zich hebben. Onder meer verwerping beroep op onduidelijke wettekst.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Flora- en faunawet 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 31 met annotatie van I. Kroes, H.J.A. van Ham
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003520-06

Uitspraak : 5 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 september 2006 in de strafzaak met parketnummer 01-995192-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar]

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 december 2005, te Sint-Oedenrode, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk één of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse en/of beschermde uitheemse diersoort, te weten 215, althans een aantal fazanten, ten verkoop voorhanden en/of in voorraad heeft gehad en/of onder zich heeft gehad.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A

De raadsman heeft zich, op de gronden als nader in zijn pleitnotities verwoord, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging,

nu het verbod van het onder zich hebben van inheemse dieren niet op een wet kan worden gebaseerd en derhalve in strijd is met het legaliteitsbeginsel. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verboden gedraging valt onder artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet en dit onderdeel nog niet (in zijn geheel) in werking is getreden. Dit onderdeel van artikel 13 is in een aantal publicaties, waaronder in de Kluwer-editie en het Staatsblad, onjuist weergegeven. Justiabelen mogen erop vertrouwen dat de wetteksten juist zijn.

B1

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

B2

Het hof stelt voorop dat bij de weergave van artikel 13 van de Flora- en faunawet richtinggevend is de wettekst, zoals deze officieel is gepubliceerd en afgedrukt in het Staatsblad.

B3

Het eerste lid van art. 13 Flora- en faunawet, zoals afgedrukt in Stb 1998, 402, luidt:

Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

Artikel 1 van het Besluit van 12 december 2001 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van een aantal artikelen van de Flora- Faunawet (…), zoals afgedrukt in Stb 2001, 656, luidt, voor zover van belang:

De artikelen (…)13, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, van de Flora- en faunawet treden in werking met ingang van 1 april 2002.

B4

Tot de Kamerstukken betreffende de totstandkoming en inwerkingtreding van de Flora- en faunawet behoort een brief van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gedateerd 9 februari 2001 (Kamerstukken II, 2000/2001, 23 147, nr. 127) waarin is uiteengezet dat de Europese Commissie de Nederlandse regering heeft verzocht art. 13, eerste lid, onder b, Flora- en faunawet niet in werking te laten treden wegens strijd met het vrije verkeer van goederen. De Commissie heeft, aldus deze brief, vastgesteld dat de uitbreiding van de verbodsbepalingen ten aanzien van niet bedreigde uitheemse diersoorten als opgenomen in art. 13, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet niet geschikt, niet noodzakelijk en niet evenredig is ter bescherming van het leven van dieren.

Ten aanzien van art. 13 Flora- en faunawet is in deze brief van de Staatssecretaris opgemerkt:

"De Flora- en faunawet bevat een aantal verbodsbepalingen. In artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet zijn verbodsbepalingen opgenomen voor het bezit, vervoer en de handel van beschermde inheemse en uitheemse dier- en plantensoorten. Artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet breidt deze verbodsbepalingen uit tot niet beschermde uitheemse diersoorten."

B5

Naar het oordeel van het hof wijst reeds de tekst van artikel 13, eerste lid, Flora- en faunawet, zoals afgedrukt in het Staatsblad, uit dat er een misslag van redactionele aard is opgetreden. Het gestelde in de aanhef en onder a is zinledig, indien het niet gevolgd wordt door hetgeen - zoals in het Staatsblad afgedrukt - onder b volgt na het woord "diersoort". De hiervoor genoemde brief van de Staatssecretaris bevestigt dat het eerste lid van artikel 13 Flora- en faunawet aldus gelezen dient te worden, dat de daar omschreven gedragingen verboden zijn indien zij betrekking hebben op hetzij de planten of dieren genoemd onder a, hetzij de dieren genoemd onder b. Na "b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort" had derhalve een nieuwe regel moeten aanvangen.

B6

Aldus gelezen houdt art. 13, eerste lid, Flora- en faunawet in dat het verbod op de daar omschreven gedragingen ten aanzien van de onder a. genoemde planten en dieren in werking is getreden op 1 april 2002. Er is derhalve geen schending van het legaliteitsbeginsel.

Het verweer wordt verworpen.

C

Vervolgens heeft de raadsman, op de gronden als nader in zijn pleitnotities verwoord, betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen.

Ter onderbouwing is door de raadsman aangevoerd:

a) dat de in tenlastelegging genoemde fazanten volwassen waren en al werden gehouden vóór de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet op 1 april 2002, toen er nog geen ringplicht gold;

b) dat in december 2003 verdachte een waarschuwing heeft gekregen dat hij geen ongeringde fazanten mocht houden. Het Openbaar Ministerie heeft na deze waarschuwing het vervolgingsrecht verloren, voor zover het fazanten betreft die verdachte toen reeds onder zich had, nu het voor de verdachte niet mogelijk is de op dat moment aanwezige fazanten achteraf te ringen.

D

Het hof overweegt omtrent de beide onderdelen als volgt.

D1

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de meeste van zijn fazanten gemiddeld ongeveer 1 jaar oud worden. Na ongeveer 1 jaar worden ze geslacht. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er op zijn perceel ongeveer 200 fazanten per jaar worden gefokt. Slechts een paar fazanten worden niet geslacht als ze ongeveer 1 jaar oud zijn, doch gehouden ten behoeve van de eierproductie of het maken van soep, aldus verdachte.

Deze oudere fazanten worden aldus verdachte geslacht als ze ongeveer 3 jaar oud zijn, maar het kan ook op jongere leeftijd gebeuren.

D2

Gelet op deze verklaring van verdachte, noch gelet op hetgeen anderszins is aangevoerd, is het voor het hof aannemelijk geworden dat verdachte (een deel van) de op 20 december 2005 aangetroffen 215 ongeringde fazanten reeds vóór 1 april 2002 onder zich heeft gehad. Voor zover het verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie hierop is gestoeld, faalt het.

D3

Met betrekking tot onder C, sub b genoemde aspect overweegt het hof als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 februari 2006 van de Politie Brabant Noord, District Aa & Dommel, 2 BZG St. Oedenrode, in wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], blijkt dat verbalisant [verbalisant 2] op maandag 15 december 2003 heeft geconstateerd dat verdachte ongeringde fazanten onder zich had. In overleg met justitie is verdachte toen een officiële waarschuwing gegeven “om daar een einde aan te maken”.

D4

Indien en voor zover zich onder de op 20 december 2005 aangetroffen fazanten, fazanten bevonden die zich ook reeds ten tijde van de hiervoor genoemde officiële waarschuwing onder verdachte bevonden, betekent dit naar het oordeel van het hof dat verdachte dan voor wat betreft die fazanten, op welke wijze van ook, geen gevolg heeft gegeven aan de opdracht die – zo moet verdachte hebben begrepen - vervat was in de officiële waarschuwing. Onder die omstandigheden kan thans niet met succes worden betoogd dat dan aan het Openbaar Ministerie geen vervolgingsrecht meer toekomt. Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken.

Het bestaan van een dergelijke situatie is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

E

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 december 2005, te Sint-Oedenrode, opzettelijk dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 215 fazanten, onder zich heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

F1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

F2

Fazanten zijn, gelet op artikel 4, eerste lid, Flora- en faunawet, in onderlinge samenhang met onder meer bijlage 2 Bekendmakingslijsten beschermde inheemse diersoorten, een beschermde inheemse diersoort

G1

De raadsman heeft zich, op de gronden als nader in zijn pleitnotities verwoord, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, nu het de vrouw en de dochters zijn geweest die de fazanten onder zich hebben gehad en niet verdachte zelf.

G2

Het hof overweegt omtrent dit verweer als volgt.

Op grond van de bezigde bewijsmiddelen komt het hof tot het oordeel dat verdachte de in tenlastelegging genoemde fazanten onder zich heeft gehad. Het hof leidt dit onder meer af uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij wist dat op zijn perceel de in de tenlastelegging genoemde ongeringde fazanten werden gehouden en dat hij niets heeft ondernomen om deze fazanten weg te doen. Tevens heeft het hof bij dit oordeel acht geslagen op de mededeling van de echtgenote van verdachte, inhoudende: “Onze [voornaam] heeft ze allemaal geringd in het voorjaar.”

G3

Ten overvloede merkt het hof op dat voor het “onder zich hebben” in de zin van artikel 13 Flora- en faunawet is niet relevant of de fazanten ook daadwerkelijk in eigendom bij verdachte waren.

Het hof verwerpt het verweer.

H1

De raadsman heeft voorts op de gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat door de verbalisanten is verzuimd aan verdachte en zijn echtgenote tijdig de cautie gegeven, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

H2

Het hof zal dit verweer passeren, reeds omdat de uitlatingen van verdachte vòòrdat hem de cautie was gegeven niet tot het bewijs zullen worden gebezigd. Voor wat betreft de echtgenote van verdachte stelt het hof vast dat niet blijkt dat zij op enig moment als verdachte is aangemerkt, zodat haar op grond van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de cautie niet medegedeeld hoefde te worden. Voorts wordt nog overwogen dat een eventuele schending van de ‘cautieplicht’ ten aanzien van verdachtes echtgenote, niet verdachte zelf raakt in enig rechtens te beschermen belang.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft op de gronden als verwoord onder overweging C betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer op de gronden als verwoord onder de overwegingen D1 en D2.

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van de Flora- en faunawet, juncto artikel 1a, onder 1 en artikel 2 van de wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. In het bijzonder is niet gebleken van vrijstelling zoals bedoeld in artikel 5 Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Dat verdachte gedwaald zou hebben ten aanzien van de vraag of hij (ongeringd) de fazanten onder zich mocht hebben op 20 december 205 is niet aannemelijk geworden, gelet op verdachtes eigen verklaring afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, voorzover inhoudende dat hij speciaal lid is geworden van een vogelvereniging om de fazanten te ringen. Gelet op de datum vermeld op de facturen (bijlagen 2 en 3 bij de aanvullende brief van de raadsman d.d. 20 september 2006) bestelde verdachte reeds vóór 20 december 2005 ringen. Dit strookt met de verklaring van verdachtes echtgenote, zoals weergegeven onder G2 van het arrest. Maar zelfs al zou veronderstellenderwijs worden aangenomen dat verdachte dwaalde, dan is deze dwaling niet verontschuldigbaar.

De gestelde dwaling berust op een onjuiste lezing van de tekst van de wet, waarin een – evidente – redactionele misslag was geslopen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De gedingstukken geven het hof aanleiding ambtshalve te onderzoeken of het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier geschonden.

De economische politierechter heeft op 21 september 2006 vonnis gewezen. Op 22 september 2006 heeft de verdachte tegen het beroepen vonnis hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het dossier op 6 juni 2007, na het instellen van het hoger beroep ter griffie van het hof binnengekomen. Derhalve is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn geschonden.

De overschrijding is evenwel dermate gering, dat er geen enkele aanleiding is om aan dat oordeel enig rechtsgevolg te verbinden. Het hof zal daarom met deze constatering volstaan.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd, de termijn waarbinnen de zaak in hoger beroep is behandeld en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van een voorwaardelijke geldboete wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof heeft bij zijn beslissing om de geldboete voorwaardelijk op te leggen tevens betrokken de waarde van de fazanten in de hierna te noemen beslissing inzake de inbeslaggenomen goederen.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven dieren, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot hetwelk het ten laste gelegde en bewezen verklaarde zijn begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 13 van de Flora- en faunawet, zoals deze luidden ten tijden van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten: 215 fazanten.

Aldus gewezen door

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. A. de Lange,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, griffier,

en op 5 februari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.