Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC3825

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
C0601045-MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De kantonrechter gelast geen comparitie en staat evenmin repliek en dupliek toe. Doorbreking appelverbod art. 7:262 BW? Schending art. 131 en 132 Rv is geen doorbrekingsgrond. Geen schending hoor en wederhoor, wel schending recht op 'oral hearing'. Geen grieven gericht tegen inhoudelijke beoordeling van de zaak. Beroep op gezag van gewijsde in eerdere uitspraak tussen partijen al verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolnr. C0601045/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 29 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 8 februari 2006,

verder te noemen: huurder,

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers te ‘s-Hertogenbosch,

procureur: mr. W.A. de Vroom,

tegen:

1. [Y.],

wonende te [woonplaats],

2. [Z.],

zonder woonplaats- of verblijfplaats binnen Nederland, wonende te Italië,

geïntimeerden bij gemeld exploot,

verder te noemen: verhuurders,

advocaat: mr. M.M. van Tol te Maastricht,

procureur: mr. J.E. Benner,

als vervolg op het op 24 oktober 2006 gewezen tussenarrest (LJN BA0301) op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, onder zaak-rolnummer 194159 CV EXPL 05-1701 gewezen vonnis van 9 november 2005 tussen verhuurders als eisers en huurder en [A.] als gedaagden.

6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1. In genoemd tussenarrest is het (incidentele) verzoek van huurder tot voeging van deze zaak met die tussen partijen bij het hof aanhangig onder rolnummer C0500578/MA afgewezen en is de zaak naar de rol verwezen voor fourneren en het vragen van uitspraak in de hoofdzaak.

6.2. Na genoemd tussenarrest hebben verhuurders het verstek gezuiverd en bij memorie van antwoord (tevens houdende exceptie van onbevoegdheid) de grieven bestreden.

6.3. Partijen - huurder in persoon maar in aanwezigheid van zijn advocaat, verhuurders bij monde van hun advocaat - hebben hun zaak ter zitting van 12 december 2007 (doen) bepleit(en) aan de hand van pleitnotities.

6.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken (deze zijn feitelijk nagezonden) overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De verdere beoordeling

7.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

7.1.1. Tussen partijen heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de woning [adres] te [woonplaats]. Tussen partijen zijn tal van procedures gevoerd bij de huurcommissie, de kantonrechter en in hoger beroep bij het hof.

7.1.2. Bij arrest van 24 oktober 2006 (gewezen onder rolnummer C0500578/MA, LJN BA0282) werd in hoger beroep de ontbinding van de huurovereenkomst op grond van achterstand in de betaling van de huur, uitgesproken bij vonnis van de kantonrechter te Sittard-Geleen van 16 maart 2005, bekrachtigd. Tegen dat arrest is geen beroep in cassatie ingesteld. Huurder heeft de woning ontruimd.

7.1.3. In de onderhavige zaak gaat het om het geschil over de hoogte van de verschuldigde huurprijs per 1 juli 2002.

7.2. Voeging

7.2.1. Hiervoor is reeds melding gemaakt van het verzoek van huurder tot voeging van zaken en de afwijzing daarvan in het tussenarrest. In de memorie van antwoord hebben verhuurders zich verweerd tegen de voeging. Zij waren toentertijd, zo bleek op het pleidooi, niet op de hoogte van het bestaan van het tussenarrest. Op het verweer behoeft derhalve niet meer te worden beslist.

7.3. Het procesverloop voorafgaande aan het geding bij het hof.

7.3.1. De huurcommissie heeft bij uitspraak van 10 december 2004, op verzet van verhuurders tegen de beslissing van de voorzitter - inhoudende dat wijziging van de huurprijs tot € 453,25 per maand ingaande 1 juli 2002 niet redelijk is, maar wel een verhoging van de huurprijs tot € 330,74 per maand ingaande 1 juli 2002 – ongegrond verklaard.

7.3.2. Bij de onderhavige zaak inleidende dagvaarding van 24 maart 2005 hebben verhuurders gevorderd de huurprijs van het gehuurde per 1 juli 2002 vast te stellen op € 453,25 per maand.

7.3.3. Huurder heeft zich tegen de vordering verweerd bij conclusie van antwoord. Na het nemen van die conclusie is de zaak verwezen naar de (rol)zitting van 5 oktober 2005 voor ‘beraad kantonrechter’. Op de (rol)zitting van 5 oktober 2005 is de zaak verwezen naar de zitting van 9 november 2005 voor ‘vonnis’. Op die dag is eindvonnis gewezen. Er is derhalve geen comparitie van partijen gelast, en deze is dan ook niet gehouden. Evenmin zijn partijen door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld te repliceren en dupliceren.

7.3.4. Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van verhuurders, met toepassing van artikel 7:262 BW, toegewezen met veroordeling van huurder(s) in de kosten.

7.4. De bevoegdheid van het hof, de ontvankelijkheid van huurder in hoger beroep.

7.4.1. Tegen een vonnis op de voet van artikel 7:262 BW gewezen tot vaststelling van de huurprijs staat ingevolge lid 2 geen hogere voorziening open. Onder het huurrecht van vóór 1 augustus 2003 was dit ten aanzien van dezelfde procedure niet anders (artikelen 27 jo 28 lid 3 Huurprijzenwet woonruimte).

7.4.2. Huurder heeft zich in hoger beroep beroepen op de zogenaamde doorbrekingsleer en in grieven 1 tot en met 6 naar voren gebracht dat artikel 7:262 BW ten onrechte is toegepast, deze bepaling ten onrechte buiten toepassing is gelaten dan wel is toegepast met verzuim van essentiële vormen en dat de kantonrechter ten onrechte buiten het toepassingsgebied van die bepaling is getreden.

7.4.3. Verhuurders hebben de grieven bestreden en zich voorts verweerd met de stelling dat, op grond van het bepaalde in de artikelen 131 en 132 lid 4 Rv hoger beroep niet openstaat en dat het hof mitsdien niet bevoegd zou zijn kennis te nemen van het hoger beroep, dan wel dat huurder in zijn hoger beroep niet ontvankelijk is.

7.4.4. Deze laatste verweren worden verworpen. Het hof is op grond van artikel 60 lid 1 RO bevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. Het enkel stellen door een appellant dat sprake is van een grond voor doorbreking van een appelverbod is voldoende voor zijn ontvankelijkheid, HR 15 november 1991, NJ 1992/119, en Wendels/Snijders, 2003, nr. 322.

Het hof kan evenwel alleen toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de geschillen van partijen, als ook komt vast te staan dat een doorbrekingsgrond opgaat. Het hof zal dit thans onderzoeken aan de hand van de grieven.

7.5. De grieven 4 en 5

7.5.1. Deze grieven/klachten heeft huurder ter gelegenheid van het pleidooi ingetrokken. In deze grieven wordt – onder verwijzing naar een eerder tussen partijen gewezen vonnis van 24 april 2002 - er kort gezegd over geklaagd dat de kantonrechter artikel 236 Rv (gezag van gewijsde) buiten toepassing heeft gelaten en daarmee fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden.

7.5.2. De grieven zijn terecht ingetrokken nu het hof in rov. 4.4 van het arrest van 24 oktober 2004 (rolnummer C0500578) heeft beslist dat dit beroep op gezag van gewijsde niet opgaat.

7.6. Grieven 2 en 3

7.6.1. In grief 2 wordt erover geklaagd dat de kantonrechter ten onrechte buiten het toepassingsgebied van artikel 7:262 BW is getreden, maar uit de toelichting op de grief blijkt dat bedoeld wordt dat de kantonrechter die bepaling ten onrechte heeft toegepast.

7.6.2. De stelling van huurder dat sprake is van de hiervoor genoemde doorbrekingsgronden ontleent hij aan het feit dat verhuurders in de kop van de inleidende dagvaarding vermeld hebben: ‘Verzoekschrift tot vaststelling van de huurprijs ex artikel 27 Huurprijzenwet woonruimte’ en in die dagvaarding (soms) spreken van verzoek en beschikking in plaats van vordering resp. vonnis.

7.6.3. In de toelichting op grieven 2 en 3 wordt betoogd aan de hand van HR 3 november 1989, NJ 1990/44, dat de rechter niet ambtshalve mag oordelen op een andere rechtsgrond dan die door de eisers/verzoekers expliciet aan hun vordering/ verzoek ten grondslag is gelegd. De kantonrechter mocht, aldus huurder, artikel 7:262 BW niet toepassen omdat artikel 27 HPW was aangehaald, terwijl een vordering/verzoek ex artikel 27 HPW niet meer kan worden toegewezen omdat die wet is ingetrokken. Bovendien heeft de kantonrechter, door in weerwil van de duidelijke tekst van de koptekst van de inleidende dagvaarding, toch artikel 7:262 BW toe te passen het rechtszekerheidsbeginsel geschonden.

7.6.4. Dit betoog faalt. Artikel 7:262 BW is de opvolger van artikel 27 HPW. Zij regelen inhoudelijk hetzelfde. Het gaat in beide procedures dan ook om dezelfde rechtsgrond (in de zin van artikel 25 Rv). Anders dan huurder meent heeft de kantonrechter dan ook niet de rechtsgrond ambtshalve aangevuld, in die zin dat een nieuwe, andere rechtsgrond is toegevoegd. Daarbij komt dat de kantonrechter ook niet heeft geoordeeld dat hij de rechtsgrond zou aanvullen, maar hij heeft geconstateerd dat de verwijzingen naar de inmiddels vervallen verzoekschriftprocedure kennelijk misslagen zijn die zich voor herstel lenen, terwijl terecht, namelijk overeenkomstig de nieuwe wettelijke regeling van artikel 7:262 BW, is gedagvaard. De kantonrechter heeft aldus oordelende de rechtsregels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet verkeerd toegepast.

7.6.5. Evenmin is sprake van schending van het fundamentele beginsel van rechtszekerheid. Huurder had er op bedacht moeten zijn dat de kantonrechter de kennelijke misslag zou herstellen. Overigens zouden schending van de uit genoemd arrest blijkende rechtsregels, schending van artikel 25 Rv (ambtshalve aanvullen van rechtsgronden) geen doorbrekings- gronden zijn. Het gaat hier immers niet om fundamentele rechtsbeginselen maar om toepassing van het procesrecht. Onjuiste toepassing van dat recht leidt niet zonder meer tot de conclusie dat geen sprake is geweest van een eerlijk en onpartijdig proces.

7.7. Grief 1

7.7.1. In grief 1 wordt geklaagd over schending van de artikelen 131 en 132 Rv door noch een comparitie te houden noch partijen in de gelegenheid te stellen te repliceren en te dupliceren. Er zou niet meer gesproken kunnen worden van een eerlijk en onpartijdig proces.

7.7.2. Inderdaad lijk het er – op het eerste gezicht - op dat de gewraakte handelwijze in strijd is met de wet, in ieder geval dat de bedoeling van de wetgever niet is gevolgd. Echter, ingevolge de op zichzelf duidelijke tekst van deze bepalingen is de kantonrechter niet gehouden om een comparitie te gelasten. In zoverre is, door de comparitie niet te houden, het recht niet geschonden. Als geen comparitie wordt gelast is de kantonrechter verplicht eisers in de gelegenheid te stellen te repliceren. In het geval, zoals hier, waarbij eisers in het gelijk worden gesteld kan de kanton-rechter daar mogelijk van afzien. Wellicht dat de kantonrechter heeft gemeend dat eisers geen belang hebben bij de repliek, en dat gedaagde, in het geval eisers niet repliceren, geen gelegen-heid behoeft te krijgen te dupliceren. Maar wat daar ook van zij, schending van de genoemde regels van procesrecht leidt op zichzelf genomen nog niet tot doorbreking van een appelverbod.

7.7.3. Huurder voert nog aan dat de kantonrechter door nóch een comparitie te gelasten en nóch de gelegenheid te bieden voor repliek en dupliek het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Dit beroep faalt. Het miskent dat huurder gedaagde is en dat hij een conclusie van antwoord heeft genomen. Huurder heeft derhalve zijn verweer tegen de eis in volle omvang en als laatst aan het woord zijnde, naar voren kunnen brengen en gebracht. In de situatie dat geen comparitie van partijen wordt gehouden en evenmin schriftelijk repliek wordt toegestaan kan alleen een eiser zich over schending van het rechtsbeginsel van hoor en wederhoor beklagen.

7.7.4. Huurder klaagt er in de toelichting op de grief dan ook niet over dat hij niet alles naar voren heeft gebracht wat hij nodig vond naar voren te brengen, maar dat hij niet heeft kunnen reageren op onduidelijkheden die kennelijk bij de kantonrechter leefden. Er bestaat evenwel geen recht op het wegnemen van deze onduidelijkheden. Bovendien heeft de kantonrechter kennelijk zelf geen zodanige onduidelijkheden aangetroffen die hem verhinderden om eindvonnis te wijzen.

7.7.5. Huurder voert voorts aan dat de kantonrechter - door partijen niet mee te delen dat geen comparitie zal worden gehouden (op het houden waarvan huurder in beginsel mocht rekenen) en door vervolgens aanstonds (eind)vonnis te wijzen (terwijl huurder nog in afwachting was van de dagbepaling van een comparitie) – hem de mogelijkheid heeft onthouden pleidooi te vragen. Aldus, zo begrijpt het hof, is het in artikel 6 EVRM verankerde recht van huurder op een ‘oral hearing’ geschonden. Het beroep op deze schending van dit fundamenteel rechtsbeginsel leest het hof in punt 10 van de memorie van grieven.

7.7.6. Het hof neemt eerst in overweging dat gesteld noch gebleken is dat huurder zich in de periode tussen de zitting van 5 oktober 2005 (waarop vonnis werd bepaald op 9 november 2005) en de datum van het eindvonnis (9 november 2005) zich tot de kantonrechter heeft gewend met het verzoek om een datum voor pleidooi te gelasten (dan wel dat een dergelijk verzoek is gedaan maar is geweigerd). Evenmin is gebleken van omstandigheden die aan het doen van een dergelijk verzoek in de betreffende periode in de weg heeft gestaan (huurder procedeerde in persoon, niet bij advocaat). Naar het oordeel van het hof mist de stelling van huurder, als zou de kantonrechter hem geen ruimte hebben geboden om zijn standpunt mondeling toe te lichten c.q. pleidooi te vragen, feitelijke grondslag.

7.7.7. Anderzijds moet in aanmerking worden genomen dat huurder niet een eindvonnis had behoeven te verwachten. Overeenkomstig de wettelijke regeling van de artikelen 131 en 132 Rv alsmede de gangbare praktijk kon hetzij een comparitie, hetzij het toestaan van repliek en dupliek worden verwacht. De zaak heeft ook niet op de rol gestaan voor beraad partijen, in welk kader pleidooi gevraagd had kunnen worden. Daarbij komt dat sprake is van een procedure waarvan een hogere voorziening is uitgesloten. Onder deze omstandigheden had de kantonrechter, om niet in strijd te komen met het recht op een oral hearing van artikel 6 EVRM, toen hij besloot om geen comparitie te gelasten en direct eindvonnis te wijzen, zich er – ambtshalve – van dienen te vergewissen dat huurder (of verhuurders) geen gebruik wilden maken van dit recht, althans had de kantonrechter behoren te motiveren waarom hij huurder niet in de gelegenheid stelde zijn standpunt mondeling toe te lichten (vgl. HR 5 oktober 2001, LJN ZC3669, NJ 2002/514).

7.7.8. Het hof is mitsdien van oordeel dat de klacht van huurder gegrond is en dat mitsdien, teneinde aan het bepaalde in artikel 13 EVRM tegemoet te komen, het hoger beroep van huurder in behandeling kan worden genomen.

7.8. Grief 6

7.8.1. In grief 6 wordt betoogd dat als geen van de individuele grieven opgaat, dat het vonnis toch niet in stand kan blijven als de grieven in onderling verband en samenhang worden bezien.

7.8.2. Deze grief behoeft geen bespreking omdat het hof reeds tot een inhoudelijke beoordeling is gekomen.

7.9. Inhoudelijk beoordeling

7.9.1. Het hof neemt in aanmerking dat de inzet van dit geding niet betreft het huurverhogings-percentage van 2,7 maar alleen de onderliggende huurprijs per maand. Volgens huurder en de huurcommissie bedraagt deze per 1 juli 2002

€ 322,04 zodat redelijk is een verhoging tot € 330,74. Volgens verhuurders en de kantonrechter is het vertrekpunt € 441,33 zodat redelijk is een verhoging tot € 453,25.

7.9.2. Het standpunt van huurder is ontleend aan het vonnis van 24 april 2002, waarin nog van een huurprijs van € 322,04 is uitgegaan en zijn beroep op het gezag van gewijsde van dat vonnis. De grieven 3 en 4 zijn evenwel door huurder ingetrokken (zijn beroep op het gezag van gewijsde van het vonnis van 24 april 2002 faalde immers). Andere grieven tegen het vonnis waarvan beroep zijn niet aangevoerd. Er bestaat dan geen grond voor vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Het hof is overigens met de kantonrechter, op de gronden uiteengezet in het vonnis die het hof tot de zijne maakt, van mening dat de huurprijs per 1 juli 2002 op € 453,25 per maand dient te worden vastgesteld.

7.10. Grief 7

7.10.1. Deze grief heeft betrekking op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De grief faalt nu huurder als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden aangemerkt.

7.11. Huurder wordt verwezen in de kosten van het hoger beroep.

8. De uitspraak

Het hof:

wijst af het beroep van verhuurders op de onbevoegdheid van het hof en op niet-ontvankelijk verklaring van huurder;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt huurder in de kosten in hoger beroep aan de zijde van verhuurders gevallen, tot op heden begroot op € 251,- voor vast recht en op € 2.782,- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Den Hartog Jager, Van Etten en Adriaansens en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 29 januari 2008.