Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC3646

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
20-000402-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsuitsluiting na onrechtmatig binnentreden. Artikel 9 van de Opiumwet.

Naar het oordeel van het hof kan aan een enkele anonieme melding nog niet het in artikel 9 van de Opiumwet bedoelde vermoeden worden ontleend. Het zich toegang verschaffen tot de betreffende loods was dan ook onrechtmatig. Dit onrechtmatig handelen in het voorbereidend onderzoek kan niet meer worden hersteld. Omdat niet is gebleken dat nader onderzoek en/of verificatie onmogelijk was en evenmin is gebleken dat politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kon dulden, acht het hof de schending van het in artikel 9 van de Opiumwet neergelegde rechtsbeginsel, dat slechts bij een redelijk vermoeden tot het zich verschaffen van toegang wordt overgegaan, zo aanzienlijk dat, gelet op de aard van het strafbare feit, niet kan worden volstaan met strafvermindering. Naar het oordeel van het hof past, gelet op de mate van schending, op het aan verdachte veroorzaakte nadeel, slechts bewijsuitsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000402-07

Uitspraak : 6 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van

24 januari 2007, parketnummer 03-500397-06 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 03-095031-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [woonplaats],

waarbij verdachte – verkort weergegeven – ter zake van het telen en aanwezig hebben van hennepplanten werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren en waarbij de tenuitvoerlegging van een eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden werd gelast.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. W.M.M. van Fessem en van hetgeen door verdachte en diens raadsman mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het genoemde vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van feit 1 primair, 2 en 3 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren en de vordering tot tenuitvoerlegging van vier maanden gevangenisstraf zal toewijzen.

De verdediging heeft

* geen verweren gevoerd met betrekking tot de bevoegdheid van de rechter, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of de geldigheid van de inleidende dagvaarding;

* primair integrale vrijspraak bepleit;

* subsidiair vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde;

* meer subsidiair met betrekking tot de op te leggen straf bepleit dat verdachte tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met Elektronisch Toezicht zal worden veroordeeld;

* in het geval enige bewezenverklaring volgt, ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging omzetting naar een werkstraf bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het genoemde vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 25 juli 2005 in de gemeente Maastricht meermalen althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een bedrijfspand en/of loods aan de [adres 1]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst II;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 25 juli 2005 in de gemeente Maastricht met elkaar, althans één van hen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, (in een bedrijfspand/loods aan de [adres 1]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks voormelde periode in de gemeente Maastricht, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en/of aan die onbekend gebleven

persoon/personen (ruimten in) voornoemd(e) pand/loods voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2

hij op of omstreeks 26 juli 2005 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 765 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij op of omstreeks 28 juli 2005 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8288 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen zijn deze door het hof verbeterd. Zoals uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken is verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vaststaande feiten

Van 1 juli 2004 tot en met 28 juli 2005 had verdachte een door hem gehuurde loods aan de [adres 1] te Maastricht in gebruik.1

Op 26 juli 2005 is de politie binnengetreden in die loods, waarbij op de zolder van die loods een hennepkwekerij met 765 hennepplanten werd aangetroffen. Verdachte had deze zolder verhuurd aan [medeverdachte].

Op 28 juli 2005 is de politie binnengetreden in een ander deel van die loods, waarbij in een afgesloten gedeelte een kwekerij werd aangetroffen, bestaande uit 7620 plantenklonen en 668 planten.2 Uit deze klonen en uit deze planten is een monster genomen dat is onderzocht. Dit onderzoek leidde tot de vaststelling dat er zowel met betrekking tot de klonen als met betrekking tot de planten sprake was van hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.3 Verdachte had het gedeelte van de loods waarin deze kwekerij zich bevond ook verhuurd aan de hierboven al genoemde [medeverdachte].4

Verdachte wist dat [medeverdachte] beide loodsgedeelten had gehuurd voor de teelt van hennep. Verdachte was vooraf met [medeverdachte] overeengekomen dat hij, naast de huurpenningen, een deel van de netto opbrengst van de te oogsten hennep zou ontvangen. Verdachte heeft van de opbrengst van deze oogsten 14.000 euro ontvangen van [medeverdachte].5 Tussen de zomer van 2004 en 25 juli 2005 zijn er 3 oogsten van telkens 650 hennepplanten gerealiseerd. 6

Vrijspraak feit 2, te weten het aanwezig hebben van 765 hennepplanten op 26 juli 2005.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat er op het moment van binnentreden in de betreffende loods geen sprake was van een redelijk vermoeden in de zin van artikel 9 van de Opiumwet. Dit onrechtmatig binnentreden dient, naar het oordeel van de verdediging, bewijsuitsluiting tot gevolg te hebben.

Het hof overweegt als volgt

Onder verwijzing naar de tweede alinea van de hierboven weergegeven vaststaande feiten, merkt het hof in de eerste plaats op dat de betreffende zolderruimte waar de hennep werd geteeld, door verdachte werd verhuurd. Omdat uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal volgt dat de waarneming door de politie van een omgelegde leiding in het bij verdachte in gebruik zijnde gedeelte van de betreffende loods de weg naar de betreffende zolderverdieping inleidde, betekent deze binnentreding ook voor verdachte een inbreuk op zijn in rechte te beschermen belang.

Uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal volgt zonneklaar dat het binnentreden in de loods op 26 juli 2005 gebaseerd is geweest op de enkele ontvangst van een bij Meld Misdaad Anoniem binnengekomen anonieme melding. Deze anonieme melding is voorafgaande aan het binnentreden niet nader onderzocht en/of geverifieerd en voor het binnentreden is noch machtiging van een bevoegde autoriteit noch toestemming van een rechthebbende verkregen.

Naar het oordeel van het hof kan aan een enkele anonieme melding nog niet het in artikel 9 van de Opiumwet bedoelde vermoeden worden ontleend. Het zich toegang verschaffen tot de betreffende loods was dan ook onrechtmatig. Dit onrechtmatig handelen in het voorbereidend onderzoek kan niet meer worden hersteld. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat die onrechtmatigheid ook niet wordt opgeheven door de “toestemming” van de verdachte, nu deze in eerste instantie niet wenste mee te werken en pas, nadat de verbalisanten hem hadden medegedeeld dat zij bevoegd waren binnen te treden op grond van artikel 9 van de Opiumwet

- welke mededeling dus onjuist was - de verbalisanten heeft binnengelaten

Anders dan de eerste rechter en de advocaat-generaal en met de verdediging is het hof van oordeel dat dit onrechtmatig handelen dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Hoe laagdrempelig artikel 9 van de Opiumwet op zich voor een opsporingsambtenaar ook moge zijn, die laagdrempeligheid brengt nog niet met zich dat men zich al op een niet nader onderzochte of minstens in enige mate geverifieerde anonieme melding als het ware klakkeloos toegang kan verschaffen, ook niet tot een bedrijfspand.

Omdat niet is gebleken dat nader onderzoek en/of verificatie onmogelijk was en evenmin is gebleken dat politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kon dulden, acht het hof de schending van het in artikel 9 van de Opiumwet neergelegde rechtsbeginsel, dat slechts bij een redelijk vermoeden tot het zich verschaffen van toegang wordt overgegaan, zo aanzienlijk dat, gelet op de aard van het strafbare feit, niet kan worden volstaan met strafvermindering. Naar het oordeel van het hof past, gelet op de mate van schending, op het aan verdachte veroorzaakte nadeel, slechts bewijsuitsluiting.

Bovenstaand oordeel brengt met zich, dat het aantreffen van de 765 planten en de direct daarmee samenhangende vaststelling dat die planten hennep bevatten niet kunnen bijdragen aan het bewijs. Daarmee is de bodem onder het bewijs weggevallen en verdachte zal van het onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken. Op zich bevat het dossier nog wel voor bewijs bruikbare verklaringen, maar die verklaringen, ook in onderlinge samenhang bezien, oordeelt het hof onvoldoende om een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen dragen.

Bewijsoverweging met betrekking tot de feiten 1 primair en 3

De verdediging heeft gesteld dat verdachte van het onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat het binnentreden op 28 juli 2005 slechts is gegrond op het hiervoor al besproken onrechtmatig binnentreden op 26 juli 2005 en de daardoor ontstane verdenking. Dit brengt weer met zich dat het op 28 juli 2005 vergaarde bewijs ook onrechtmatig is verkregen en niet voor bewezenverklaring kan worden gebruikt. Deze bewijsuitsluiting treft het onder 3 ten laste gelegde direct en het onder 1 primair ten laste gelegde omdat dat feit een samensmelting is van het op 26 juli 2005 en 28 juli 2005 vergaarde bewijs.

Anders dan de verdediging en met de eerste rechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het binnentreden in de loods op 28 juli 2005 niet onrechtmatig is geweest. Hoewel ook aan dit binnentreden een anonieme melding ten grondslag heeft gelegen, heeft de politie naar aanleiding van die tip en voordat tot binnentreden werd overgegaan, onderzoek gedaan in haar bedrijfsprocessensysteem. Daarbij stuitte zij op voor verdachte belastende informatie.7 Daarnaast beschikte de politie op dat moment ook over de door verdachte op 26 juli 2005 afgelegde verklaring, waarin hij, kort gezegd, had erkend ruimten te hebben verhuurd voor de kweek/teelt van genetische planten.8 Hoewel die verklaring is afgelegd kort nadat de politie onrechtmatig was binnengetreden, wordt die verklaring niet door die onrechtmatigheid getroffen. Voorafgaand aan dat verhoor is verdachte immers de cautie gegeven en het had verdachte vrij gestaan van het hem toekomende zwijgrecht gebruik te maken.

De anonieme melding, de informatie uit het bedrijfsprocessensysteem en de inhoud van de verklaring van verdachte vormden naar het oordeel van het hof een redelijk vermoeden op grond waarvan de politie zich op basis van artikel 9 van de Opiumwet op 28 juli 2005 toegang tot de betreffende loods kon verschaffen.

Het verweer wordt verworpen. Van bewijsuitsluiting met betrekking tot op 28 juli 2005 vergaard bewijs kan derhalve geen sprake zijn.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1 primair

De verdediging heeft gesteld dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, maar hooguit van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid, overweegt het hof dat verdachte niet alleen het door hem verhuurde aan [medeverdachte] ter beschikking heeft gesteld. Naast dat bewust voor de hennepteelt ter beschikking stellen van ruimte, waarvoor hij huurpenningen ontving, deelde verdachte daarnaast ook in belangrijke mate mee in de winst die uit de opbrengst van de hennepkwekerij werd gegenereerd. 9

Met name dit meedelen in de winst - naast het beschikbaar stellen van de ruimte - levert naar het oordeel van het hof op dat sprake is van medeplegen.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Voorts heeft de verdediging gesteld dat de periode die ten laste is gelegd te ruim is.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de verklaring van verdachte10 en diens medeverdachte [medeverdachte]11 volgt slechts dat er sinds de zomer van 2004 in een door verdachte aan de medeverdachte verhuurd loodsgedeelte hennep is geteeld, waarbij er driemaal is geoogst.

Bij gebrek aan overige bewijsmiddelen op dit punt treft het verweer van de raadsman doel. Van de voor 1 augustus 2004 ten laste gelegde periode zal verdachte derhalve worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 3

Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden zoals deze volgen uit de eerste, derde en vierde alinea van de hiervoor vermelde vaststaande feiten, de hiervoor vermelde bewijsoverwegingen en de aan deze onderdelen ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 1 augustus 2004 tot en met 25 juli 2005 in de gemeente Maastricht

meermalen tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld

(in een loods aan de [adres 1]) een groot aantal hennepplanten

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3

hij op 28 juli 2005 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8288 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Elk bewijsmiddel is - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 primair is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De eerste rechter heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

12 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

De advocaat-generaal heeft zich achter deze stafoplegging geschaard.

De verdediging heeft een andere strafmodaliteit dan onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming bepleit, bestaande uit een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met het ondergaan van elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde.

Het hof overweegt het volgende.

De eerste rechter is bij de bepaling van de straf uitgegaan van drie bewezen verklaarde feiten. Anders dan de eerste rechter komt het hof slechts tot de bewezenverklaring van twee van die feiten.

Zonder daarbij afbreuk te willen doen aan de ernst en strafwaardigheid van het onder 1 primair bewezen verklaarde zal het hof bij het bepalen van de straf zich met name laten leiden door het onder 3 bewezen verklaarde feit, te weten het aanwezig hebben van 8288 hennepplanten.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, zou voor een hennepplantage waarbij tussen de 500-1000 hennepplanten zijn aangetroffen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 weken als passend kunnen worden beschouwd, waarbij is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard in verhouding met andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum.

De aangetroffen 8288 hennepplanten bestonden voor het overgrote deel uit zogenaamde hennepklonen. Het hof is ten aanzien van deze klonen van oordeel dat het niet onredelijk is dat aantal in het kader van de strafoplegging te halveren, omdat dat nog geen volgroeide planten waren. Dit leidt ertoe dat het hof de 7620 aangetroffen klonen gelijk stelt aan - afgerond - 3800 hennepplanten.

Voor de bepaling van de straf gaat het hof dus uit van 3800 + 668 = 4468 hennepplanten. Rekening houdend met het de hierboven vermelde oriëntatiepunten en deze ten voordele van verdachte afrondend, komt dit er op neer dat een gevangenisstraf van 4 x 12 = 48 weken in beginsel passend is.

Het hof zal deze gevangenisstraf echter niet opleggen.

Daartoe neemt het hof in overweging dat verdachte directeur/enig aandeelhouder is van een transportonderneming waarbij meer dan 70 werknemers, in dienst zijn. Het is niet onwaarschijnlijk dat het ondergaan van een gevangenisstraf van 48 weken de continuïteit van de onderneming in gevaar zal brengen waardoor een groot deel van het personeel op straat zou komen te staan. Het hof hecht er in dit verband aan om op te merken dat niet is gebleken dat de werknemers en de onderneming van verdachte enig aandeel hebben gehad in de bewezen verklaarde feiten.

Daarnaast geldt dat verdachte niet eerder ter zake van Opiumwetdelicten is veroordeeld en tenslotte heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van de over verdachte door de reclassering uitgebrachte rapportage.

Dit brengt het hof, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van elektronisch toezicht. Voorts zal het hof een werkstraf voor de duur van

240 uren opleggen en een geldboete ten bedrage van EUR 6.000,-.

Het hof is in het bijzonder tot het cumulatief opleggen van een geldboete gekomen omdat elektronisch toezicht en een werkstraf nu eenmaal minder ingrijpend zijn dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het voordeel dat verdachte daardoor geniet dient naar het oordeel van het hof, in het belang van de rechtsgelijkheid, in enige mate te worden gecompenseerd. Bij de bepaling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te Maastricht van 25 oktober 2006, tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de Rechtbank Maastricht van 27 januari 2005 onder parketnummer 03-095031-02 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, van oordeel, dat - nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar handelen heeft schuldig gemaakt - de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op zijn plaats is.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, hetgeen het hof hierboven met betrekking tot de op te leggen straf reeds heeft overwogen, zal het hof in de plaats van die tenuitvoerlegging een in rechte met die strafduur gelijk te stellen werkstraf gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 primair en onder 3 bewezen verklaarde oplevert:

1 primair

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

3

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uit voer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende zes maanden zal stellen onder Elektronisch Toezicht, naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland.

Bepaalt, dat het Elektronisch Toezicht voorafgaat aan de hierna te noemen werkstraf en uiterlijk binnen één maand na ingang van de proeftijd zal aanvangen.

Draagt aan die instelling op, aan de veroordeelde gedurende die proeftijd ter zake van de naleving van deze bijzondere voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Bepaalt dat verdachte gedurende het elektronisch toezicht in redelijkheid zijn werkzaamheden ten behoeve van zijn onderneming moet kunnen blijven uitoefenen.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

240 (tweehonderd veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door

120 (honderd twintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 6.000,00 (zesduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Gelast - in plaats van tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Rechtbak Maastricht van 27 januari 2005 onder parketnummer 03-095031-02 een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderd veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderd twintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. C.R.L.R.M. Ficq, voorzitter,

mr. C.H.W.M. Sterk en mr. J.W. de Ruijter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tent, griffier,

en op 6 februari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2008.

2 Proces-verbaal van bevindingen, regiopolitie Limburg-Zuid, district Maastricht, proces-verbaalnummer 2005099012-10, doorgenummerde pagina 8 en 9, gedateerd 10 mei 2006 en kennisgeving van inbeslagneming dossier pagina’s 30 en 31.

3 Proces-verbaal van onderzoek, regiopolitie Limburg-Zuid, district Maastricht, proces-verbaalnummer 2005099012-26, doorgenummerde pagina 113, gedateerd 28 juli 2005.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2008.

5 Proces-verbaal van verhoor [verdachte], regiopolitie Limburg-Zuid, district Maastricht, proces-verbaalnummer 2005099012-14, doorgenummerde pagina 80, laatste alinea en 81 eerste drie alinea’s, gedateerd 28 juli 2005, alsmede verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2008.

6 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], regiopolitie Limburg-Zuid, district Maastricht, proces-verbaalnummer 2005099012-23,doorgenummerde pagina’s 114, 115 en 116, gedateerd 30 augustus 2005.

7 Proces-verbaal van bevindingen, regiopolitie Limburg-Zuid, district Maastricht, proces-verbaalnummer 2005099012-10, doorgenummerde pagina 92, laatste drie alinea’s, gedateerd 27 juli 2005.

8 Proces-verbaal van verhoor, regiopolitie Limburg-Zuid, district Maastricht, proces-verbaalnummer 2005099012-4, doorgenummerde pagina 77-78, eerste twee alinea’s, gedateerd 26 juli 2005.

9 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2008, almede verklaring [medeverdachte], pagina 115 tweede alinea, zie noot 6.

10 Proces-verbaal van verhoor [verdachte], regiopolitie Limburg-Zuid, district Maastricht, proces-verbaalnummer 2005099012-14, doorgenummerde pagina 81 tweede alinea, gedateerd 28 juli 2005

11 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte], regiopolitie Limburg-Zuid, district Maastricht, proces-verbaalnummer 2005099012-23, doorgenummerde pagina 115, derde alinea, gedateerd 30 augustus 2005.

- 11 - 20-000402-07