Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC3319

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
C200601046/MA & R200701241 T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 2 WVP.

Verplichting tot afstorting van pensioenrechten die in eigen beheer zijn opgebouwd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2008, 19
JPF 2008/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0601046/MA en rekestnr. R200701241 T

ARREST tevens BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 15 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

[de vrouw],

hierna te noemen: [X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 19 juni 2006,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. L.P.M. van Erp,

tegen:

[de man],

hierna te noemen: [Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellant in incidenteel appel,

procureur: mr. P.J.A. van de Laar,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 22 maart 2006 tussen [Y.] als eiser in conventie tevens verweerder in reconventie en [X.] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg (zaaknr. 82843/HA ZA 03-348)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] zes grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van haar gewijzigde vordering, zoals geformuleerd in het petitum van haar memorie van grieven.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden en producties overgelegd. Voorts heeft hij incidenteel appel ingesteld, daarin twee grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van zijn memorie is vermeld.

2.3. [X.] heeft in incidenteel appel geantwoord en daarbij één productie in het geding gebracht.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Partijen zijn gehuwd geweest van 17 december 1979 tot 18 januari 1999 (de datum waarop de echtscheidings- beschikking d.d. 26 november 1998 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand). Zij waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap met een periodiek verrekenbeding.

Partijen hebben drie kinderen: [zoon A.], geboren [geboortejaar], [dochter B.], geboren [geboortejaar] en [zoon C.], geboren [geboortejaar].

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat [Y.] aan [X.] een kinderalimentatie van f. 500,- per kind per maand dient te betalen alsmede een partneralimentatie van f. 4.500,- per maand zolang [X.] de voormalige echtelijke woning nog bewoont en van f. 6.000,- per maand vanaf het tijdtip dat zij die woning heeft verlaten.

4.1.2. In verband met de echtscheiding is tussen partijen op 11 december 1998 een echtscheidingsconvenant gesloten, waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen (waarin [Y.] is aangeduid als "de man" en [X.] als "de vrouw"):

Artikel 5

5.1. Voor zoveel nodig verklaren partijen dat alle aandelen van de te [vestigingsplaats] gevestigde besloten vennootschap Maasrust Holding BV volledig eigendom zijn en blijven van de man en dat de vrouw daarop op geen enkele wijze aanspraak kan en zal maken.

5.2. De vrouw zal verder geen rechten kunnen doen gelden op vorderingen die de man heeft op Maasrust Holding BV (en/of dochtermaatschappijen van Maasrust Holding BV), maar evenmin zal zij aansprakelijk zijn voor schulden van de man aan Maasrust Holding BV (c.q. aan dochtermaatschappijen van Maasrust Holding BV).

Artikel 11

11.1. De man verplicht zich om aan de vrouw wegens overbedeling en tevens op grond van het in de akte huwelijksvoorwaarden opgenomen verrekenbeding, alsmede op grond van de verplichtingen van de man uit hoofde van moraal en fatsoen, aan de vrouw uit te betalen een bedrag van f. 350.000,-.

(….)

Artikel 12

12.1. De man heeft tijdens huwelijk pensioen opgebouwd bij Deloitte en Touche Pensioenfonds onder deelnemersnummer [deelnemersnummer] en de vrouw heeft tijdens huwelijk pensioen opgebouwd bij het ABP onder deelnemersnummer [deelnemersnummer].

12.2. Voornoemde door partijen opgebouwde pensioenaanspraken zullen worden verevend conform de in artikel 3 lid 1 van de Wet Verevening Pensioenaanspraken opgenomen standaard regeling.

(….)

Artikel 13

13.1. De vrouw is van mening dat de man tevens binnen Maasrust BV ouderdomspensioen in de zin van de Wet Verevening Pensioenaanspraken heeft opgebouwd en dat dat pensioen op grond van voornoemde wet verevend dient te worden. De man betwist dat en is van mening dat de vrouw ten aanzien van de door hem binnen voornoemde vennootschap opgebouwde pensioenaanspraken geen aanspraken op verevening, noch anderszins toekomen, temeer daar er, kort samengevat, geen sprake is van een reële pensioenvoorziening doch enkel van een fiscale en niet volgestorte pensioenvoorziening.

13.2. Partijen handhaven hun respectievelijke standpunten vooralsnog en zullen nader bij elkaar te rade gaan ter zake deze problematiek.

Artikel 15

(….)

15.2. De man verplicht zich de verzorging van de kinderen en de hond gedurende drie weken van de zomervakantie voor zijn rekening te nemen. Indien de man onverhoopt niet aan deze verplichting kan voldoen en de vrouw dientengevolge de verzorging gedurende die periode of een gedeelte daarvan op zich moet nemen, verplicht de man zich om aan de vrouw een extra bijdrage te betalen van f. 500,- per kind per week.

(….)

15.6. Partijen komen overeen dat, wanneer de bruto inkomsten uit arbeid (waarin begrepen de arbeidsbeloning uit [Y.] BV) van de vrouw meer bedragen dan f. 21.000,- per jaar, de man de alimentatiebijdrage met dat meerdere mag verminderen. De vrouw verplicht zich hiertoe jaarlijks afschriften van haar belastingaangifte en van de aanslag aan de man te doen toekomen.

(….)

Artikel 16

16.1. Partijen verklaren de huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding aldus naar wederzijdse tevredenheid te hebben geregeld en, behoudens uitvoering van het vorenstaande, niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar over en weer finale kwijting te verlenen.

16.2. Behoudens het bepaalde in artikel 15 van deze overeenkomst doen partijen over en weer uitdrukkelijk afstand van het recht om ontbinding van deze overeenkomst te vorderen, op welke rechtsgrond dan ook. Partijen doen uitdrukkelijk afstand van het recht als bedoeld in artikel 3:196 BW om vernietiging van deze overeenkomst te vorderen wegens benadeling voor meer dan eenvierde gedeelte.

(….)

4.1.3. Tussen partijen zijn geschillen gerezen ten aanzien van de volgende punten:

- de uitleg van artikel 15.6 omtrent de partneralimentatie;

- de uitleg van artikel 15.2 omtrent de extra kinderbijdrage;

- de door [X.] gevorderde verevening van het binnen Maasrust BV opgebouwde pensioen (art. 13 convenant);

- de door [X.] gevorderde verrekening van het ten behoeve van [Y.] in Maasrust Holding BV gevestigde stamrecht.

4.1.4. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep in conventie voor recht verklaard dat [X.]s inkomsten uit arbeid (te weten arbeid bij derden), voorzover die een bedrag van f. 15.000,- (€ 6.806,70) te boven gaan, in mindering strekken op de door [Y.] aan [X.] verschuldigde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. [X.] is door de rechtbank veroordeeld om aan [Y.] een bedrag van € 13.053,57 wegens te veel ontvangen partneralimentatie te betalen. Verder is [X.] veroordeeld om jaarlijks de aangiften en aanslagen IB aan [Y.] te doen toekomen, met het oog op het bepaalde in art. 15.6 van het convenant.

In reconventie is [Y.] door de rechtbank veroordeeld om aan [X.] uit hoofde van art. 15.2 van het echtscheidingsconvenant een bedrag van € 2.042,01 te betalen. [Y.] is verder veroordeeld om een gedocumenteerde opgave te verstrekken van de aanspraken van [X.] krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding ter zake van het ouderdomspensioen van [Y.], alsmede om inzicht te verschaffen in aard en opbouw van de dekking die nodig en aanwezig zijn ter voldoening van de verplichtingen van [Y.] BV, in het bijzonder de verplichtingen jegens [X.].

De overige vorderingen in conventie en reconventie zijn door de rechtbank afgewezen.

4.1.5. Het hoger beroep van [X.] heeft betrekking op de partneralimentatie, de kinderbijdrage, de pensioenverevening en het stamrecht. Ten aanzien van al deze punten heeft zij haar eis gewijzigd.

Het hoger beroep van [Y.] heeft betrekking op de partneralimentatie en de kinderbijdrage.

4.2. Tegen de wijziging van eis van [X.] is geen bezwaar gemaakt, zodat het hof recht zal doen op de vorderingen zoals deze na de eiswijziging in hoger beroep luiden.

4.3. De partneralimentatie en de kinderbijdrage.

4.3.1. Partijen zijn het oneens over de uitleg van de artikelen 15.2 en 15.6 van het convenant. In die bepalingen is een regeling getroffen omtrent de bijdrage van [Y.] in de kosten van levensonderhoud van [X.] en omtrent de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen. Aldus gaat het om kwesties die betrekking hebben op onderhoudsbijdragen, verschuldigd krachtens boek 1 BW, waarvoor het volgen van de verzoekschriftenprocedure dwingend is voorgeschreven, ook indien de ingestelde vorderingen zijn gebaseerd op een tussen partijen gesloten overeenkomst (HR 2 mei 2003, NJ 2003/467).

Vooralsnog gaat het hof ervan uit dat dit onderdeel van het geschil tussen partijen ten onrechte bij dagvaarding is aangebracht. Met inachtneming van artikel 69 Rv dient dit onderdeel te worden behandeld volgens de regels van de verzoekschriftenprocedure, zodat een mondelinge behande-ling dient plaats te vinden.

4.3.2. Het hof zal een mondelinge behandeling bepalen, welke mondelinge behandeling gelijktijdig met de hierna te bepalen comparitie van partijen inzake de pensioenkwestie zal plaats vinden.

Bij de mondelinge behandeling met betrekking tot de alimentatiekwestie kunnen partijen zich omtrent het voorlopig oordeel van het hof omtrent de toepasselijkheid van de verzoekschriftenprocedure uitlaten. Verder zal het hof met partijen de geschilpunten inzake de partneralimentatie en de kinderbijdrage nalopen en met hen bezien of ten aanzien van deze geschillen een (nadere) minnelijke regeling mogelijk is.

4.4. De pensioenverevening.

4.4.1. [X.] stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat zij recht heeft op verevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: de Wvp), niet alleen ten aanzien van de in artikel 12 van het convenant genoemde pensioenrechten die bij het Deloitte en Touche pensioenfonds zijn opgebouwd, maar ook ten aanzien van het pensioen dat door de man in eigen beheer is opgebouwd in Maasrust BV.

Zij heeft in dit verband verwezen naar de pensioenovereenkomst die is gesloten tussen [Y.] BV als werkgever en [Y.] als werknemer, in welke pensioenovereenkomst is bepaald dat ingaande 1 januari 1995 ten behoeve van [Y.] (onder meer) een ouderdomspensioen wordt opgebouwd en ten behoeve van [X.] een nabestaandenpensioen. In de overeenkomst is vermeld dat de opbouw van de pensioenen plaatsvindt in Maasrust BV, de pensioenvennootschap van [Y.].

[X.] stelt zich op het standpunt dat de in de periode 1 januari 1995 tot 18 januari 1999 (datum ontbinding huwelijk) opgebouwde pensioenrechten, verevend dienen te worden.

4.4.2. [Y.] betwist dat er binnen Maasrust BV een pensioenopbouw heeft plaatsgevonden. Weliswaar is er administratief pensioen opgebouwd, maar afstorting van pensioenpremies heeft nooit plaatsgevonden omdat daarvoor de baten ontbraken; de vennootschappen van [Y.] waren in de desbetreffende perioden verliesgevend.

[Y.] beroept er zich verder op dat een correcte mededeling aan de pensioenuitvoerder, zoals voorgeschreven is in artikel 2 lid 2 Wvp, ontbreekt.

Voorts beroept hij zich erop dat hij de aandelen in Maasrust BV in september 1999 aan een derde heeft verkocht en dat die vennootschap inmiddels is gefailleerd.

4.4.3. Ter voldoening aan het vonnis waarvan beroep heeft [Y.] aan [X.] een rapport verstrekt dat is opgemaakt door mr. C.A.H. Luijken van de afdeling Pensioen & Actuariaat van Deloitte Belastingadviseurs BV te [vestigingsplaats]. [X.] heeft dit rapport als productie 3 bij haar memorie van grieven in het geding gebracht.

Mr. Luijken heeft het aandeel van [X.] in de pensioenen die in Maasrust BV zijn opgebouwd als volgt berekend:

- deel opgebouwd levenslang ouderdomspensioen ingaande op 60-jarige leeftijd: € 2.460,- per jaar;

- deel opgebouwd tijdelijk ouderdomspensioen van 60 tot 65 jaar: € 660,- per jaar;

- volledig opgebouwd nabestaandenpensioen: € 3.443,- per jaar.

[Y.] handhaaft ook in hoger beroep zijn hiervoor onder 4.4.2. vermelde verweer.

4.4.4. [X.] heeft naar aanleiding van het rapport van Luijken aangevoerd dat het voor haar onmogelijk is om zonder achterliggende bescheiden te controleren of de uitkomsten in het rapport juist zijn. Voor een controle van de cijfers in het rapport bestaat volgens haar temeer reden omdat het rapport is opgemaakt door een collega van [Y.] die werkzaam is bij hetzelfde accountantskantoor.

[X.] vordert in hoger beroep:

- dat een onafhankelijke deskundige zal worden benoemd die de opgave van [Y.] van de in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten op juistheid zal controleren en zonodig corrigeren;

- veroordeling van [Y.] om de relevante jaarstukken alsmede belastingaangiften en –aanslagen over te leggen;

- vaststelling van de hoogte van de in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten;

- afzondering van het kapitaal dat nodig is voor de nakoming van de aanspraken van [X.] op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen en storting van dat kapitaal onder een door [X.] aan te wijzen (levens)verzekeringsmaatschappij.

4.4.5. Het hof is van oordeel dat, indien vast komt te staan dat in de periode van 1 januari 1995 tot aan de datum van de huwelijksontbinding pensioenrechten zijn opgebouwd in de pensioen-BV van [Y.], de vordering van [X.] tot afzondering en afstorting van het kapitaal dat nodig is voor de nakoming van haar aandeel in de pensioenrechten, toewijsbaar is, dit in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt (HR 19 januari 1996 NJ 1996,617, HR 12 maart 2004, NJ 2004,636 en HR 9 februari 2007 en NJ 2007, 306). [Y.] heeft er destijds voor gekozen zijn pensioenvoorziening in eigen beheer op te bouwen. Dit brengt mee dat hij jegens [X.] gehouden was toereikende zorg te besteden aan de waarborging van de aanspraken van [X.] op haar aandeel in de opgebouwde pensioenrechten. Aan die zorgplicht heeft [Y.] niet voldaan. Hij heeft de aandelen van de pensioen-BV verkocht en daarmee de kans geschapen dat de aanspraken van [X.] illusoir zouden worden.

Voor het geval eventuele opgebouwde pensioenrechten door toedoen van [Y.] zijn "verdwenen" (de pensioen-BV zou na de verkoop zijn gefailleerd) heeft [X.] zich terecht beroepen op onrechtmatig handelen van [Y.], dit in het licht van het hiervoor overwogene. Hij zal in dat geval [X.] schadeloos dienen te stellen, hetgeen kan geschieden door het afzonderen en afstorten bij een levensverzekeringsmaatschappij van een bedrag dat nodig is voor de financiering van de pensioenaanspraken van [X.].

Het hiervoor overwogene betekent dat de zesde grief van [X.] terecht is aangevoerd.

4.4.6. Voordat definitief op dit onderdeel kan worden beslist, dient beoordeeld te worden óf er tijdens het huwelijk in eigen beheer pensioenrechten zijn opgebouwd en zo ja, wat de omvang daarvan is.

Vooralsnog is het hof van oordeel dat in dit verband een onderzoek door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk is.

Deze kwestie zal met partijen worden besproken bij gelegenheid van de hierna te bepalen comparitie van partijen.

4.5. Het ten behoeve van [Y.] in Maasrust Holding BV gevestigde stamrecht.

4.5.1. In 1995 is het aandeel van [Y.] in de maatschap Deloitte en Touche ingebracht in de vennootschap Maasrust Holding BV. Daarbij is de schuld die door hem was aangegaan ter financiering van de accountantpraktijk, privé gebleven. Voor het (positieve) inbrengsaldo van het maatschapaandeel is een stamrecht bedongen met een lijfrenteclausule.

4.5.2. [X.] stelt zich op het standpunt dat het stamrecht aangemerkt moet worden als overgespaard inkomen dat voor verrekening ingevolge de huwelijkse voorwaarden in aanmerking komt. Volgens [X.] is het stamrecht niet in het convenant betrokken. Bovendien is de lijfrente bedoeld als oudedagsvoorziening; ook om die reden meent [X.] dat zij aanspraak kan maken op de helft van de waarde van het stamrecht op de datum van ontbinding van het huwelijk.

Voor het geval beslist zou worden dat het stamrecht wél in het convenant is betrokken, beroept [X.] zich op dwaling ten aanzien van de waarde van het stamrecht. Zij meent dat zij voor meer dan eenvierde deel is benadeeld en zij vordert in hoger beroep de partiële vernietiging van het convenant.

4.5.3. [Y.] stelt zich op het standpunt dat het stamrecht mede betrokken is bij de financiële regeling die partijen in het convenant hebben getroffen. Op grond van de artikelen 5.2, 11 en 16 van het convenant komt aan [X.] geen aanspraak meer toe op een aandeel in het stamrecht. Bovendien gaat het niet aan dat [X.] wél een aandeel in het stamrecht wil, terwijl de schuld die bij de inbreng van het maatschapaandeel in Maasrust Holding BV privé is gebleven, volledig ten laste van [Y.] zou komen.

Voor wat betreft de vordering tot vernietiging wegens dwaling beroept [Y.] zich op verjaring.

4.5.4. Het hof overweegt allereerst, dat het hier bedoelde stamrecht met lijfrenteclausule niet valt aan te merken als een pensioenvoorziening die ingevolge de Wvp verevend moet worden.

4.5.5. Het hof is voorts van oordeel dat de inhoud van het tussen partijen gesloten convenant zich ertegen verzet dat [X.] thans aanspraak maakt op de helft van het stamrecht. In artikel 5.2 van het convenant is bepaald dat [X.] geen rechten zal kunnen doen gelden op vorderingen die [Y.] heeft op Maasrust Holding BV. Verder zijn partijen in artikel 11 van het convenant overeengekomen dat [Y.] aan [X.] ingevolge het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden alsmede wegens overbedeling en wegens een natuurlijke verbintenis van [Y.] jegens [X.], een bedrag van f. 350.000,- zal betalen. In artikel 16 hebben partijen verklaard dat zij inzake de afwikkeling van hun huwelijkse vermogen niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar over en weer finale kwijting verlenen.

4.5.6. Een beroep op artikel 3:196 BW (vernietiging wegens benadeling met meer dat eenvierde deel) komt aan [X.] niet toe, nu het convenant dateert van vóór 1 september 2002 (vergelijk HR 1 september 2006 LJN AT4544).

Een beroep op de gewone dwalingregeling komt evenmin aan [X.] toe, nu de vordering tot vernietiging ingevolge artikel 3:52 BW is verjaard. Het beroep op dwaling is door [X.] gedaan in haar memorie van grieven d.d. 28 november 2006, terwijl zij op 11 juni 2003 aanspraak heeft gemaakt op een aandeel in het stamrecht.

4.5.7. [X.] voert weliswaar aan dat aan [Y.] geen beroep op verjaring toekomt, maar zij heeft dat standpunt niet nader onderbouwd, zodat het door het hof wordt verworpen.

4.5.8. Het voorgaande betekent dat de grieven 4 en 5 van [X.] falen.

4.6. Op grond van het hiervoor overwogene dient thans als volgt te worden beslist.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

in de dagvaardingzaak met rolnummer C0601046:

bepaalt dat partijen in persoon zullen verschijnen voor het hof (meervoudige kamer) dat daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door het hof te bepalen datum, met de hiervoor onder 4.4.6. vermelde doel;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 januari 2008 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun raadslieden in de maanden mei en juni 2008;

bepaalt dat de procureur van [X.] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de voorzitter van deze kamer van het hof na genoemde rolzitting dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

in de verzoekschriftprocedure met rekestnummer R200701241:

bepaalt dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden tegelijk met de voormelde comparitie van partijen;

in beide zaken:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest respectievelijk deze beschikking is gewezen respectievelijk gegeven door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 januari 2007.