Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC3230

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
C200500751/HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbetering van kennelijk fout in hoger beroep. Feit dat huurder (een stichting) is opgehouden te bestaan, staat aan verbetering niet in de weg. Is de nieuwe stichting rechtsopvolger in de huurschuld? Hetgeen gesteld wordt is ontoereikend om schuldoverneming te aanvaarden, terwijl ook niet aannemelijk is dat nieuwe stichting schulden van een andere stichting, zonder tegenprestatie, zou hebben overgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnr. C0500751/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 8 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 18 november 2004,

verder te noemen: [X.],

procureur: mr. W.J. Aardema,

tegen:

de stichting STICHTING MENS EN BEWEGING,

voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],

verder te noemen: de stichting Mens en beweging,

en

de stichting STICHTING KINOMICHI CENTRUM NEDERLAND,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder te noemen: de stichting Kinomichi,

geïntimeerden bij gemeld exploot,

advocaat: mr. C. Ketelaars,

procureur: mr. C.E.M. Renckens,

op het hoger beroep van het onder rolnummer 94/4 en zaaknummer 1038 door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven in reconventie gewezen vonnis van 19 augustus 2004 tussen de stichting Mens en beweging als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [X.] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgaande vonnissen.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover daarin in het dictum onder A. het bedrag € 17.243,64 staat en, kort gezegd, tot hoofdelijke veroordeling van de stichtingen om hem in plaats van dat bedrag € 53.546,07 te betalen.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de stichting Mens en beweging aangevoerd te zijn ontbonden door het bestuursbesluit van 23 december 2002 en geen verweer te zullen voeren en heeft de stichting Kinomichi betwist rechtsopvolgster te zijn van de stichting Mens en beweging en uit dien hoofde de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep jegens haar bepleit.

2.3. Partijen hebben uitspraak gevraagd. De stichtingen hebben daarna de gedingstukken overgelegd. In die stukken trof het hof niet aan de reactie van de kantonrechter op het verzoek van [X.] om toepassing van de artikelen 31 en 32 Rv (zo die schriftelijk is gegeven).

3. De gronden van het hoger beroep

[X.] voert aan dat het toegewezen bedrag van € 17.243,64 berust op een onjuiste berekening en dat bij juiste berekening de Stichtingen € 53.546,07 verschuldigd zijn.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. De Stichting Mens en beweging heeft van [X.] bedrijfsruimte gehuurd. Tussen partijen zijn daaromtrent geschillen gerezen. De onderhavige procedure is in 1993 aangevangen. In reconventie vorderde [X.] onder meer betaling van de huur ad fl. 1.000,- per maand ingaande 1 oktober 1992.

4.1.2. Bij akte van 24 oktober 2002 heeft [X.] een berekening gegeven die leidt tot een achter-stallige huur over de periode 1 juni 1999 tot en met 31 juli 2002 ter hoogte van € 34.464,33. In rov. 2.8 van het vonnis van 19 augustus 2004 heeft de kantonrechter dit bedrag gecorrigeerd en vastgesteld op € 17.243,64. Dit bedrag is vervolgens in het dictum toegewezen.

4.1.3. In hoger beroep wordt de door de kantonrechter uitgevoerde berekening niet betwist, maar wordt er op gewezen dat de kantonrechter daarmee verzuimd heeft de achterstallige huur over de periode van 1 oktober 1992 tot 1 juni 1999, dat wil zeggen 80 maanden, tegen een huurprijs van fl. 1.000,- per maand, totaal fl. 80.000,- zijnde € 36.302,42, toe te wijzen.

4.2. De grief is gegrond. De kantonrechter heeft inderdaad verzuimd de huur over laatstgenoemde periode toe te wijzen. Uit rov. 2.3 van dat vonnis volgt dat tussen partijen vaststaat dat sedert oktober 1992 geen huur is betaald, terwijl uit rov. 2.10 blijkt dat het beroep van de stichting Mens en beweging op verrekening wordt afgewezen.

4.3. Het feit dat de stichting Mens en beweging is ontbonden staat aan verbetering c.q. aanvulling van het vonnis niet in de weg. Bij het in het dictum onder A genoemde bedrag van € 17.243,64 wordt € 36.302,42 opgeteld tot € 53.546,06.

4.4. Hoewel lijkt dat [X.] zijn hoger beroep tegen de stichting Kinomichi slechts voorwaardelijk heeft ingesteld, namelijk ‘uit zekerheid’ (punt 6 mvg) en ‘indien Mens en Beweging niet in appel zou kunnen worden gedagvaard’ (punt 14 mvg), heeft hij anderszins onvoorwaardelijke hoofdelijke veroordeling van die stichting gevorderd.

Het hof zal (voor alle zekerheid) onderzoeken of de uitgesproken veroordeling tegen de stichting Mens en beweging kan worden uitgebreid met een veroordeling van de stichting Kinomichi.

4.5. [X.] stelt ter onderbouwing van zijn vordering tegen de stichting Kinomichi dat die stichting feitelijk een voorzetting is van de stichting Mens en beweging, althans dat stichting Kinomichi alle activa en passiva, waaronder de vordering van [X.] heeft overgenomen. Dat de stichting Kinomichi feitelijk als gelijke kan worden gesteld van de stichting Mens en beweging blijkt, volgens [X.], uit het feit dat zij op haar website foto’s toont die voorheen werden gebruikt en ook zijn gemaakt door de stichting Mens en beweging, dat Kinomichi is gehuisvest op hetzelfde adres als de stichting Mens en beweging en dat beide stichtingen dezelfde bestuurders hebben. [X.] biedt aan te bewijzen dat de stichting Kinomichi heeft te gelden als de rechtspersoon in wie Mens en Beweging ‘is opgegaan’ dan wel de rechtspersoon die zowel alle activa als passiva van Mens en Beweging heeft overgenomen. De stichting Kinomichi betwist de rechtsopvolging en dat zij schuldenaar te zijn geworden van [X.].

4.6. Naar het oordeel van het hof is niet kunnen blijken dat de stichting Kinomichi rechtsopvolgster is van de stichting Mens en beweging of dat zij ten aanzien van hier bedoelde schuld schuldenaar is geworden jegens [X.]. Daartoe neemt het hof het volgende in overweging.

4.6.1. Gesteld noch gebleken is van een rechtsopvolging onder algemene titel (zoal rechtens mogelijk).

4.6.2. De wet kent in situaties als deze geen specifieke regeling voor een rechtsopvolging van rechtswege (zoals bijvoorbeeld het arbeidsrecht geeft). Rechtsopvolging ten aanzien van de activa, de bestuursfuncties en het huurcontract met een derde, leidt er niet toe dat de stichting van rechtswege hoofdelijk (mede) aansprakelijk is geworden voor de schulden.

4.6.3. Voor rechtsopvolging onder bijzondere titel (overgang van activa en passiva) zijn de gestelde feiten (zelfde bestuurders, zelfde werkzaamheden, zelfde vestigingsplaats), zoal juist, ontoereikend. Die feiten laten immers de ruimte dat sprake is van een geheel nieuwe onderneming.

4.6.4. Voor schuldoverneming is bovendien een overeenkomst tussen de stichtingen vereist, aldus artikel 6:155 BW. Zodanige overeenkomst wordt door [X.] niet gesteld en is ook niet kunnen blijken.

Het is bovendien erg onaannemelijk dat de nieuw opgerichte stichting Kinomichi de openstaande schuld van de stichting Mens en beweging voor huurtermijnen uit het verleden zou hebben overgenomen, immers: welk belang zou zij daarbij hebben? In dit verband wijst het hof erop dat de stichting Mens en beweging de huurvordering betwist door zich op verrekening met door [X.] aan haar verbeurde dwangsommen te beroepen. De kantonrechter heeft dit verrekenverweer met toepassing van artikel 6:136 afgewezen, niet op inhoudelijke gronden. In de visie van de stichting Mens en beweging bestaat er geen vordering die vatbaar is voor overgang. Enige aanwijzing dat sprake is van een schuldoverneming wordt door [X.] niet gesteld. Uit de overname van activa volgt niet de overname van passiva.

Voorts is voor de schuldoverneming toestemming van [X.] nodig, aldus diezelfde wetsbepaling. [X.] stelt niet dat hem die toestemming is gevraagd, noch dat hij die verleend heeft. Daarbij komt dat de stelling van [X.], dat de stichting Kinomichi de schuld heeft overgenomen, niet, althans niet zonder meer, valt te verenigen met zijn stelling dat de stichting Mens en beweging nog steeds debiteur is, en ‘feitelijk nog immer bestaat’ (punt 4 mvg).

4.6.5. Gelet op een en ander kan de vordering tegen de stichting Kinomichi als onvoldoende onderbouwd niet worden toegewezen en zal het bewijsaanbod worden gepasseerd.

4.7. Daar hoger beroep alleen kan worden ingesteld tegen de oorspronkelijke procespartij, behoudens uitzonderingen waarvan hier niet is kunnen blijken, zal [X.] niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep tegen de stichting Kinomichi.

4.8. [X.] zal worden veroordeeld in de kosten van de stichting Kinomichi. Het hof ziet een aanleiding voor compensatie van proceskosten jegens stichting Mens en beweging nu het hier gaat om herstel van een fout door de kantonrechter gemaakt, die door die stichting niet is verdedigd.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 19 augustus 2004 tussen [X.] en de stichting Mens en beweging gewezen, maar alleen voor zover daarin onder A van het dictum het bedrag van € 17.243,64 is toegewezen,

en in zoverre opnieuw recht doende:

bepaalt dat voor dat bedrag gelezen moet worden € 53.546,06;

verklaart [X.] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de stichting Kinomichi;

veroordeelt [X.] in de proceskosten aan de zijde van de stichting Kinomichi gevallen, tot op heden begroot op € 122,- voor vast recht en op € 894,- voor salaris procureur;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in de relatie tussen [X.] en de stichting Mens en beweging, aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 8 januari 2008.