Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC3222

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
C200600770/BR T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De werkneemster (loodsmedewerkster/codrice) stelt dat zij een carpaaltunnelsyndroom (CTS)/RSI heeft opgelopen door het verrichten van o.a. langdurig kort cyclische arbeid, te weten het scannen, met een scanpistool, van pakjes op een lopende band en het labelen daarvan. Zij heeft de werkgever aansprakelijk gesteld en vordert vergoeding van haar schade.

De werkgever heeft primair een beroep op verjaring van de vordering gedaan. Subsidiair heeft de werkgever het causaal verband tussen de gezondheidsklachten en het werk/de werkomstandigheden gemotiveerd betwist.

Het hof verwerpt het beroep op verjaring en oordeelt dat een medisch deskundigenbericht dient te worden uitgebracht in het kader van het door de werkneemster te leveren bewijs van vorenbedoeld causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0082
JA 2008/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnr. C0600770/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 8 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

VAN GEND & LOOS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 16 mei 2006,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. H.E.G. van der Flier,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom gewezen tussenvonnis van 22 maart 2006 tussen appellante - VGL - als gedaagde en geïntimeerde - [geintimeerde] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (rolnr. 05/1887)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft VGL vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot niet-ontvankelijkverklaring van [geintimeerde] in haar vorderingen, althans tot ontzegging aan [geintimeerde] van haar vorderingen, subsidiair [geintimeerde] te gelasten nadere informatie in het geding te brengen, althans (meer subsidiair) een deskundigenonderzoek te gelas-ten, één en ander met veroordeling van [geintimeerde] bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding in beide instanties, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest en (voor het geval voldoening niet binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met veroordeling van VGL in de nakosten ad € 131,00 dan wel, indien betekening van het vonnis (lees: arrest, toevoeging hof) plaatsvindt, ad € 199,00 en de eventuele verdere executiekosten.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, VGL door mr. Kruitwagen en [geintimeerde] door mr. Charlier. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Ter zitting heeft VGL nog een aantal producties overgelegd.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [geintimeerde], geboren op 18 juli 1954, is op 1 juni 1995 als loodsmedewerker (codrice) in dienst getreden bij VGL. Tevoren had zij als uitzendkracht dezelfde werkzaamheden voor VGL verricht gedurende een half jaar.

Haar werkzaamheden bestonden onder meer uit het met behulp van een scanpistool scannen van pakketjes en het bij tijd en wijle invoeren van gegevens in de computer. Zij werkte in ploegendienst. Vanaf medio 1999 heeft [geintimeerde] ook als heftruckchauffeur ten behoeve van VGL werkzaamheden verricht.

4.1.2. In juni 1997 respectievelijk in juni 1998 is [geintimeerde] aan haar linkerhand, respectievelijk haar rechterhand geopereerd vanwege een carpaal tunnel syndroom (hierna: CTS).

4.1.3. Met ingang van 4 oktober 1999 is [geintimeerde] volledig arbeidsongeschikt voor haar werk bij VGL geworden. Sindsdien heeft zij geen werkzaamheden meer voor VGL verricht.

4.1.4. [geintimeerde] ontvangt sinds eind september 2000 (of daaromtrent) een gedeeltelijke WAO-uitkering en (per 1 februari 2002) een aanvullende WW-uitkering.

4.1.5. Bij beschikking van 3 januari 2002 heeft de kantonrechter te Bergen op Zoom de arbeidsovereenkomst tussen partij ontbonden met ingang van 1 februari 2002 wegens, kort gezegd, een verstoorde arbeidsverhouding, met toekenning van een ontbindingsvergoeding van € 3.483,00 aan [geintimeerde] ten laste van VGL.

4.1.6. [geintimeerde] heeft bij brief van 4 juni 2002 VGL aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van de door haar voor VGL verrichte werkzaamheden.

4.2. [geintimeerde] heeft VGL bij inleidende dagvaarding van 21 maart 2005 in rechte betrokken omdat zij VGL op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW en in de Arbeidsomstandighedenwet aansprakelijk houdt voor de schade aan haar gezondheid en de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid, nu deze haar oorzaak vindt in de arbeidsomstandigheden bij VGL. Haar gezondheidsklachten zijn veroorzaakt doordat zij tijdens haar werkzaamheden voor VGL te lang achtereen, niet adequaat of geheel onbeschermd aan gevaren voor de gezondheid is blootgesteld. Als gevolg daarvan heeft zij een aandoening opgelopen, genaamd Carpaal Tunnel Syndroom, een diagnose van klachten aan de pols vallend onder de aandoeningen die worden aangeduid met de verzamelnaam RSI. Daarnaast heeft zij nek- en schouderklachten ontwikkeld, eveneens vallend onder de diagnose RSI.

Haar vordering strekte tot, kort gezegd:

een verklaring voor recht dat VGL aansprakelijk is voor de door haar, [geintimeerde], geleden en te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, als gevolg van haar arbeidsgerelateerde klachten, en VGL te veroordelen tot betaling van:

een voorschot op de materiële en immateriële schade groot € 5.000,00;

de overige materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

de wettelijke rente over voornoemde schade vanaf de datum van arbeidsongeschiktheid, te weten 4 oktober 1999 tot aan de dag van voldoening;

de kosten van het geding.

4.3. VGL heeft de vordering van [geintimeerde] gemotiveerd betwist. Zij heeft primair een beroep op verjaring van de vordering van [geintimeerde] gedaan. Voorts heeft VGL onder meer het volgende aangevoerd. Het ontstaan van CTS is niet gerelateerd aan de door [geintimeerde] voor VGL uitgevoerde werkzaamheden. Uit het medische dossier blijkt niet dat er bij [geintimeerde] sprake is van RSI-achtige/arbeidsgerelateerde klachten.

4.4. De kantonrechter heeft bij (tussen)vonnis van 22 maart 2006 het beroep op verjaring verworpen. De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat [geintimeerde] in voldoende mate heeft voldaan aan haar stelplicht, dat het bij [geintimeerde] geconstateerde CTS en de (vanaf 23 november 1998 bestaande) nek- en schouderklachten zijn ontstaan in de uitoefening van haar werkzaamheden.

De kantonrechter heeft aan VGL opgedragen te bewijzen feiten en/of omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid:

dat de voor [geintimeerde] geldende werkomstandigheden bij VGL indertijd zodanig zijn geweest, dat het bij [geintimeerde] geconstateerde CTS en de nek- en schouderklachten (vanaf 23 november 1998) door andere omstandigheden dan die werkomstandigheden, althans niet door die werkomstandigheden zijn veroorzaakt en/of

dat VGL als werkgeefster haar zorgplicht ten opzichte van [geintimeerde] als haar werknemer is nagekomen en/of

dat nakoming van die zorgplicht het ontstaan van CTS en de nek- en schouderklachten (vanaf 23 november 1998) bij [geintimeerde] niet had kunnen voorkomen.

De kantonrechter heeft tevens de mogelijkheid van hoger beroep tegen dat vonnis geboden.

4.5. Tegen dat vonnis komt VGL op.

verjaring

4.6. Volgens VGL heeft de kantonrechter het door haar gedane beroep op verjaring van de vordering van [geintimeerde] ten onrechte verworpen.

VGL heeft in dit verband onder meer het volgende aangevoerd.

[geintimeerde] was reeds (uiterlijk) medio 1996 op de hoogte van de eventuele relatie tussen haar klachten en de werkzaamheden voor VGL. In het door [geintimeerde] als productie 6 bij akte van 6 april 2005 overgelegde overzicht van het Bureau Beroepsziekten van het FNV staat vermeld dat [geintimeerde] in 1996 haar huisarts heeft bezocht vanwege polsklachten. [geintimeerde] heeft bij brief van 4 juni 2002 VGL aansprakelijk gesteld voor schade die zij zou hebben ondervonden en nog steeds zou ondervinden als gevolg van de werkzaamheden die zij voor VGL heeft verricht. [geintimeerde] meende op dat moment kennelijk dat er bij haar sprake was van klachten die voortkwamen uit haar werkzaamheden bij VGL. Die veronderstelling was niet gebaseerd op wezenlijk andere informatie dan die waarover zij in 1996 beschikte: zij had klachten. Zij vermoedde en vermoedt een relatie met de werkzaamheden. Dat vermoeden kan bevestigd worden door de huisartsenkaart, die volgens VGL in het geding dient te worden gebracht. Indien uit die informatie blijkt dat door de huisarts een vermoeden ter zake van het causaal verband is uitgesproken, is de vordering op grond van het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW verjaard.

4.7. [geintimeerde] heeft betwist dat zij gehouden is de huisartsenkaart over te leggen. Zij heeft voorts gesteld dat – zelfs op dit moment – er voor haar, gelet op in de jurisprudentie geldende eisen terzake, nog onvoldoende zekerheid bestaat omtrent de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.

4.8. Het hof oordeelt als volgt.

4.8.1. De vraag dient beantwoord te worden vanaf welk moment [geintimeerde] bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW, dit in verband met de vraag wanneer de verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen.

4.8.2. Vooropgesteld moet worden dat de woorden “bekend is geworden” in artikel 3:310 lid 1 BW moeten worden verstaan in de betekenis van: daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon.

Het enkele vermoeden van het bestaan van schade is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door ter zake deskundige artsen is gediagnosticeerd.

4.8.3. [geintimeerde] is op 20 juni 1997 voor de eerste keer geopereerd aan haar (linker)hand in verband met CTS. Het hof gaat ervan uit dat [geintimeerde] in ieder geval tot de eerste operatie niet bekend is geweest met de omstandigheid dat zij schade zou kunnen (gaan) lijden en dat VGL als haar werkgever hiervoor aansprakelijk zou kunnen zijn. Zelfs indien de huisarts van [geintimeerde] bij een eerste consultatie in 1996 het vermoeden tegenover [geintimeerde] zou hebben uitgesproken (en dit op haar patiëntenkaart zou hebben genoteerd) dat de polsklachten verband zouden kunnen houden met de werkzaamheden van [geintimeerde] voor VGL, dan acht het hof dit feit van onvoldoende belang. Immers, uit het medisch dossier blijkt niet van een langdurig ziekteverzuim van [geintimeerde] in de periode gelegen tussen het eerste consult bij de huisarts in 1996 en de operatie in juni 1997. Kennelijk waren de klachten niet zodanig ernstig, dat deze langdurig verzuim tot gevolg hadden. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de behandelend neurochirurg Verhagen van mening was dat het CTS in dit geval arbeidsgerelateerd is. Integendeel, uit zijn brief van

27 februari 2002 (genoemd in onderdeel 4.13. van dit arrest) blijkt dat deze neurochirurg zich op het standpunt stelt dat het bij [geintimeerde] geconstateerde CTS geen relatie tot het zogenoemde RSI-syndroom heeft. Ten slotte verdient opmerking dat CTS een aandoening is die weliswaar arbeidsgerelateerd kan zijn, maar ook andere oorzaken kan hebben. Voorts is niet gesteld of gebleken wat de reden van de korte verzuimen is geweest. Bekendheid met de thans gestelde schade (langdurige arbeidsongeschiktheid als gevolg van door het werk veroorzaakte gezondheidschade) kan dan niet worden aangenomen.

[geintimeerde] heeft VGL bij brief van BBZ van 4 juni 2002 aansprakelijk gesteld. Nu deze aansprakelijkheidstelling binnen vijf jaren na de eerste operatie van [geintimeerde] d.d. 20 juni 1997 is gedaan, is de verjaring tijdig gestuit. Daaruit volgt dat het door VGL gedane beroep op verjaring van de vordering van [geintimeerde], voor zover deze betrekking heeft op CTS, moet worden verworpen. Tevens volgt uit het vorenstaande dat het hof geen grond aanwezig acht om [geintimeerde] te bevelen de huisartsenkaart in het geding te brengen.

4.8.4. De tweede grief ziet blijkens de toelichting alleen op de polsklachten. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat van de nek- en schouderklachten van [geintimeerde] niet eerder dan vanaf 23 november 1998 is gebleken, is geen grief gericht. Ook het hof gaat daarom van dat feit uit. Nu de aansprakelijkheidstelling van 4 juni 2002 dateert, is de verjaring tijdig gestuit. Het hof verwijst in dit verband tevens naar hetgeen onder 4.8.3. is overwogen. Daaruit volgt dat het beroep op verjaring van de vordering van [geintimeerde], voor zover deze betrekking heeft op nek- en schouderklachten, moet worden verworpen.

de aard van de aandoening

4.9. [geintimeerde] is (zoals hiervoor vermeld) in juni 1997 respectievelijk in juni 1998 aan haar linker- respectievelijk aan haar rechterhand geopereerd vanwege CTS.

Dat [geintimeerde] aan CTS heeft geleden, staat dus vast. Tijdens de pleidooizitting heeft [geintimeerde] verklaard dat zij nog steeds klachten aan haar handen/polsen heeft als gevolg van CTS.

Dat [geintimeerde] sinds 23 november 1998 nek- en schouderklachten heeft, staat als onweersproken vast.

[geintimeerde] heeft haar klachten aangeduid met de verzamelnaam RSI, welke aanduiding door VGL gemotiveerd is betwist. In navolging van de kantonrechter zal het hof de term RSI niet gebruiken, nu deze geen zelfstandige betekenis heeft. Immers, het gaat om het CTS en de nek- en schouderklachten van [geintimeerde].

Causaal verband

4.10. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of het CTS en de nek- en schouderklachten van [geintimeerde] het gevolg zijn van de voor VGL verrichte werkzaamheden en de omstandigheden waaronder [geintimeerde] deze verrichtte.

4.10.1 [geintimeerde] heeft aangevoerd dat zij in tweeploegendienst hoofdzakelijk aan de lopende band pakjes heeft gescand en gelabeld. De labels werden ingetoetst op een computer, die haaks aan de lopende band stond. Het scannen gebeurde pakje voor pakje met een handscanner. Zij, [geintimeerde], is klein van stuk en zij heeft in ergonomisch slechte arbeidsomstandigheden langdurig kort cyclische arbeid verricht. Daarnaast heeft zij veelvuldig/regelmatig til – en reikwerkzaamheden in een onhandige lichaamshouding verricht. Voor een uitgebreide beschrijving van haar werkzaamheden heeft [geintimeerde] verwezen naar de (concept) rapportage van het Bureau Beroepziekten van het FNV, overgelegd als productie 6 bij akte van 6 april 2005 aan de zijde van [geintimeerde].

4.10.2 VGL heeft de door [geintimeerde] gestelde werkomstandigheden voor een deel betwist. Zij heeft onder meer aangevoerd dat die werkzaamheden niet belastend waren. Voor het in werking stellen van het scanpistool was een lichte druk van een vinger voldoende. De pakketjes werden op de lopende band gelegd door de zogenoemde opzetters, die ervoor zorgden dat de pakketjes met het etiket aan de juiste kant op de band werden gezet, zodat de codrice (die op een stoel naast de lopende band zat) slechts het scanpistool op het etiket behoefde te richten. Indien een etiket aan de verkeerde kant zat, diende een codrice op te staan om het etiket te kunnen scannen. Dat kwam echter weinig voor. Pakketjes tot ca. 25 kg kwamen op de lopende band terecht. Indien een pakket verkeerd op de band was gezet, moest het worden verplaatst. Dit gebeurde slechts incidenteel. Van til- en reikwerkzaamheden in een ongemakkelijke lichaamshouding was volgens VGL geen sprake. [geintimeerde] had voldoende pauzes.

Voorts heeft VGL gemotiveerd betwist dat de gezondheidsklachten van [geintimeerde] initieel te maken kunnen hebben gehad met haar werkzaamheden voor VGL. Vóór haar indiensttreding bij VGL had [geintimeerde] blijkens de door haar overlegde bescheiden verschillende gezondheidsklachten. Ook tijdens haar dienstverband met VGL had zij allerlei klachten die niet zijn terug te voeren op haar werkzaamheden. Gezien het ontstaan en het verloop van de klachten van [geintimeerde], de aard van die klachten, de afwezigheid van medisch objectiveerbare afwijkingen, de pretraumatische faktoren en het oordeel van de diverse artsen (waaronder dat van de behandelend neurochirurg Verhagen inhoudende dat het CTS geen relatie tot het RSI-syndroom heeft) is het onmogelijk, althans zeer onaannemelijk dat de kwalen van [geintimeerde] door de werkzaamheden voor VGL (kunnen) zijn veroorzaakt. Aldus VGL.

4.11. VGL heeft het causaal verband tussen de werkzaamheden van [geintimeerde] en de door haar gestelde schade gemotiveerd betwist. Met betrekking tot dit causaal verband is het volgende van belang.

Allereerst zal worden ingegaan op de inhoud en de aard van de werkzaamheden van [geintimeerde] en de omstandigheden waaronder zij deze voor VGL verrichtte.

Werkzaamheden en werkomstandigheden

4.12. Partijen zijn het erover eens dat de werkzaamheden van [geintimeerde] in haar functie van codrice, die zij heeft vervuld van december 1994 (aanvankelijk als uitzendkracht, later als werk-neemster) tot 4 oktober 1999 - met onderbrekingen, onder andere vanwege de twee voormelde operaties in juni 1997 respectievelijk in juni 1998 - hoofdzakelijk bestonden uit het scannen van pakketjes van verschillend formaat en gewicht (oplopend tot 35 kg per pakket volgens [geintimeerde], maximaal 25 kg per pakket volgens VGL) op een lopende band met behulp van een scanpistool. Het scanpistool werd met een lichte druk van een vinger in werking gesteld. [geintimeerde] zat tijdens die werkzaamheden op een stoel evenwijdig aan de lopende band. Voor haar stond op een tafel een computer, waarin zij af en toe gegevens invoerde. Daarnaast scande [geintimeerde] pallets op een palletstation. Ook verrichtte zij (in de nachtdienst) kantoor-werkzaamheden, zoals het verwerken van vrachtbrieven.

[geintimeerde] verrichtte haar werkzaamheden in een tweeploegendienst: zij werkte de ene week van 14.00 uur tot 22.30 uur en de andere week van 22.30 uur tot 07.00 uur. Gedurende haar dienst had zij tweemaal een pauze van elk een kwartier, na telkens één uur en driekwartier werken, en een pauze van een half uur na vier uur werken.

Als onvoldoende weersproken is komen vast te staan dat [geintimeerde] gemiddeld ca. 600 pakketjes per uur scande. Dit aantal wordt genoemd op blz. 5 van de onder 4.10.1. genoemde conceptrapportage van het BBZ van het FNV. Ook de medisch adviseur M.C.J. Klop aan de zijde van VGL gaat in zijn briefrapport van 25 mei 2005 (productie 2 bij conclusie van antwoord) uit van een frequentie van gemiddeld ca. 600 codeerhandelingen per uur, terwijl tevens het door de verzekeraar van VGL ingeschakelde expertisebureau Andriessen & Geurst blijkens zijn rapport van 26 juli 2002 (productie 3 bij conclusie van antwoord) van dat aantal is uitgegaan. Deze frequentie gold in beginsel (momenten van minder aanvoer van pakketten daargelaten) voor de beide diensten. Indien in de nachtdienst minder pakketten werden aangevoerd, verrichtte [geintimeerde] ook andere (namelijk kantoor-) werkzaamheden, zoals het verwerken van vrachtbrieven.

Het hof gaat voorts ervan uit dat het in de praktijk (mede gelet op het grote aantal te scannen pakketjes) regelmatig voorkwam dat een pakket scheef op de band stond en dat [geintimeerde] in dat geval het pakket moest verschuiven/ verplaatsen of - bij een groot pakket - mede gelet op haar lichaamslengte van 1.57 m - over dat pakket heen moest reiken om de scancode op het etiket te bereiken met het scanpistool.

4.13. Noch de aard van de door [geintimeerde] ten behoeve van VGL verrichte werkzaamheden en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht noch de door [geintimeerde] overgelegde be-scheiden, leveren, ook indien deze in samenhang worden bezien, voldoende grond op om te kunnen oordelen dat voldoende aannemelijk is geworden dat de gezondheids- klachten van [geintimeerde] (het CTS en de nek- en schouderklachten) het gevolg zijn van die werkzaamheden. Een aantal van bedoelde bescheiden wordt hierna kort weergegeven.

In het résumé van het medisch dossier (productie 1 bij akte van 6 april 2005 aan de zijde van [geintimeerde]) zijn wel-iswaar aanwijzingen te vinden voor de arbeidsgerelateerdheid van de klachten van [geintimeerde], maar daaraan kan onvoldoende belang worden gehecht nu onderliggende stukken van een medisch specialist ontbreken.

In het briefrapport van de reumatoloog Seys van 24 juli 2000 is vermeld dat een aantal van de klachten van [geintimeerde] initieel te maken kunnen hebben gehad met surmenage (RSI) door het coderen van pakketten op de band, maar de reumatoloog voegt daaraan toe dat dit nog weinig van toepassing lijkt, aangezien [geintimeerde] al meer dan een half jaar niet aan het werk is. Voorts is in het briefrapport vermeld dat een groot deel van het syndroom van [geintimeerde] is onder te brengen bij de entiteit fibromyalgie en verder dat [geintimeerde] “gewoon een slechte (duur)conditie” heeft.

Van de diagnose fybromyalgie wordt ook melding gemaakt in het rapport van de verzekeringsarts Engbers van het UWV GAK van 9 oktober 2001 en voorts in de brief van 12 februari 2002 van de huisartsen Pieters en Suijkerbuijk (productie 11 bij conclusie van repliek).

In de conceptrapportage van het Bureau Beroepsziekten FNV van juni 2002(productie 6 bij akte van 6 april van 2005 aan de zijde van [geintimeerde])is vermeld dat [geintimeerde] RSI-klachten heeft en dat deze klachten arbeidsgerelateerd zijn, mede gelet op de slechte ergonomische werkomstandigheden. Aan deze rapportage komt onvoldoende betekenis toe, nu (zoals ook VGL heeft gesteld) deze is gebaseerd op door [geintimeerde] zelf gepresenteerde klachten en er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat een medisch specialist de inhoud van het rapport onderschrijft.

Het hof acht voorts van belang dat de neurochirurg I.T.H.J. Verhagen die [geintimeerde] heeft behandeld, van mening is dat het bij [geintimeerde] geconstateerde CTS geen relatie tot het zogenoemde RSI-syndroom heeft, zoals blijkt uit zijn brief van 27 februari 2002 die eveneens als productie 1 bij akte van 6 april 2005 is overgelegd.

Gezien voormelde bescheiden, die deels onvoldoende onderbouwd en deels onderling tegenstrijdig zijn, kan eraan getwijfeld worden of de gezondheidsklachten van [geintimeerde] het gevolg zijn van het werk en de werkomstandigheden bij VGL.

4.14. Naar het oordeel van het hof dient een medisch deskundigenbericht te worden uitgebracht in het kader van het door [geintimeerde] te leveren bewijs van het causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en het werk / de werkomstandigheden bij VGL.

4.15. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] aangegeven niet bereid te zijn zich te onderwerpen aan een onderzoek door een neuroloog en/of een orthopeed. Zij vormen volgens [geintimeerde] niet de juiste disciplines voor een adequate evaluatie van RSI, althans het bij [geintimeerde] gediagnosticeerde klachtenbeeld.

Tijdens de pleidooizitting heeft [geintimeerde] verklaard dat zij wel bereid is een onderzoek van een neuroloog en/of een orthopedisch chirurg te ondergaan, indien het hof dit noodzakelijk acht. [geintimeerde] heeft erop aangedrongen dat in ieder geval een onderzoek door een revalidatiearts gelast wordt. [geintimeerde] heeft de namen van twee revalidatieartsen genoemd.

4.16. VGL heeft voorgesteld om een orthopedisch chirurg en een neuroloog, van wie zij eveneens de namen heeft opgegeven, als deskundige te benoemen.

4.17. Nu partijen het niet eens zijn geworden over de in dezen te benoemen deskundige(n), zal het hof tot deskundigen benoemen:

- Prof. dr. H.J. Stam, revalidatiearts

- Prof. dr. J.A.N. Verhaar, orthopedisch chirurg

- Dr. W.I.M. Verhagen, neuroloog

Deze personen hebben zich bereid verklaard een benoeming tot deskundige te aanvaarden.

4.18. [geintimeerde] heeft zich bij akte van 22 februari 2006 en VGL heeft zich bij conclusie van dupliek (in de daarbij gevoegde productie 20) uitgelaten over de door de deskundige(n) te beantwoorden vragen. Partijen zijn het niet eens geworden over die vragen.

Met inachtneming van de door partijen gedane suggesties bepaalt het hof dat de deskundigen gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dienen te geven op de navolgende vragen.

Met betrekking tot de disciplines is geen onderscheid gemaakt tussen de te beantwoorden vragen. Het hof gaat ervan uit dat, indien een vraag het vakgebied van de desbetreffende deskundige te buiten gaat, de deskundige daarvan melding maakt.

Vraagstelling

1A. Hoe luidt de anamnese? Wilt u bij de anamnese in ieder geval aandacht besteden aan de lichamelijke belasting van [geintimeerde] in haar werk voor VGL en de organisatie van dat werk in de relevante periode? Wat de door [geintimeerde] voor VGL verrichte werkzaamheden betreft wordt verwezen naar onderdeel 4.12. van dit arrest.

1B. Wat zijn uw bevindingen bij uw onderzoek en bij eventueel hulponderzoek?

1C. Welke diagnose(s) stelt u?

1D. Welke behandeling(en) werd(en) ingesteld en met welk resultaat?

2A. Acht u het, op grond van dossierstudie en onderzoek aannemelijk dat de door [geintimeerde] gepresenteerde klachten en afwijkingen hun oorzaak vinden in de door haar voor VGL uitgeoefende werkzaamheden?

2B. Wilt u, indien u de vraag onder 2A. bevestigend beantwoordt, aangeven welke handelingen binnen het werk van [geintimeerde] voor VGL verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de klachten en/of afwijkingen en op welke grond?

2C. Hebt u een andere verklaring voor het ontstaan van de klachten en afwijkingen? Wilt u bij de beantwoording van deze vraag onderscheid maken tussen het CTS en de later ontstane nek- en schouderklachten van [geintimeerde]. Volgens [geintimeerde] heeft zij nog steeds klachten aan haar handen/polsen als gevolg van het CTS. Vinden die klachten volgens u inderdaad hun oorzaak in het CTS?

2D. Zouden de door u vastgestelde klachten van het bewegingsapparaat ook zonder de werkzaamheden van [geintimeerde] voor VGL hebben kunnen ontstaan? Zo ja, welke van die klachten en/of verschijnselen zijn ontstaan door andere factoren, bijvoorbeeld prétraumatische factoren danwel genetische of anatomische aanleg?

NB

Voor de beantwoording van deze vraag (D) dient u contact op te nemen met de huisarts van [geintimeerde], de reumatoloog Seys en neurochirurg Verhagen (genoemd in onderdeel 4.13. van dit arrest).

2E. Wilt u, indien de bevindingen afwijken van die in een of meer van de in deze procedure overgelegde rapporten, die verschillen zo mogelijk van commentaar en/of een motivering voorzien?

Indien u van oordeelt bent dat een in die andere rapportage(s) genoemd aspect niet van belang is, dient u dit gemotiveerd aan te geven, met vermelding welke gevolgen dit voor het totale oordeel heeft.

2F. Zijn er aanvullende onderzoeken op andere (para)medische vakgebieden gewenst?

2G. Heeft u verder nog op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de onderhavige zaak van belang kunnen zijn.

2H. Heeft u bij het beantwoorden van voormelde vragen gebruik gemaakt van het Saltsa rapport van mei 2000? Wilt u toelichten waarom (of waarom niet)?

4.19. Indien de deskundigen ingaan op de inhoud van de brief van medisch adviseur Klop van 3 september 2007 (die ten behoeve van het pleidooi op voorhand is toegezonden door de procureur van VGL bij brief van 5 september 2007) dient [geintimeerde] door de deskundigen in de gelegenheid te worden gesteld om op de inhoud van genoemde brief van 3 september 2007 schriftelijk te reageren. De deskundigen dienen in dat geval ook de schriftelijke reactie van [geintimeerde] in hun oordeel te betrekken.

De deskundigen dienen eventuele nadere informatie die zij nodig hebben en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de procureurs op te vragen. De procureur die informatie verschaft dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de procureur van de wederpartij. De deskundigen wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen.

Het hof gaat ervan uit dat [geintimeerde] de deskundigen desgewenst zal machtigen om relevante gegevens op te vragen bij artsen of instanties.

Indien de deskundigen voor het onderzoek gebruik hebben gemaakt van informatie van derden, dienen zij daarvan melding te maken in het rapport.

4.20. Naar aanleiding van de opgaven van de drie deskundigen stelt het hof het voorschot van hen vast op een totaalbedrag van € 8.350,00.

Het hof ziet in de omstandigheden van dit geding aanleiding de kosten van de deskundigen voorshands gelijkelijk ten laste van partijen te brengen.

4.21. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de in onderdeel 4.18 van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundigen ter beantwoording van deze vragen:

Prof. dr. H.J. Stam, revalidatiearts

Universitair Medisch Centrum

kamer H.026

Postbus 2040

3000 CA ROTTERDAM

Prof. dr. J.A.N. Verhaar, orthopedisch chirurg

Universitair Medisch Centrum

kamer Hs-105

Postbus 2040

3000 CA ROTTERDAM

Dr. W.I.M. Verhagen, neuroloog

Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis

afdeling C-19

Postbus 9015

6500 GS NIJMEGEN;

verzoekt de deskundigen een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof;

verzoekt de deskundigen tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt dat de deskundigen eerst met het onderzoek zullen aanvangen nadat de griffier heeft bericht dat het voorschot is ontvangen;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat het voorschot is ontvangen en dat met het onderzoek kan worden aangevangen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op het door de deskundigen begrote totaalbedrag van € 8.350,00, tenzij partij/partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/ hebben gemaakt; in dat geval zal het hof op het bezwaar/de bezwaren beslissen en de hoogte van het voorschot bepalen;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van genoemd voorschot van € 8.350,00, derhalve € 4.175,00, binnen 4 weken na heden zal overmaken naar rekeningnummer 19.23.25.787 ten name van Arrondissement 536 ’s-Hertogenbosch onder vermelding van het rolnummer;

verzoekt de deskundigen, indien hun kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundigen zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundigen ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

benoemt mr. C.A.M. Walsteijn tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffie, dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 3 juni 2008 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van [geintimeerde];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Slootweg, Walsteijn en Koster-Vaags en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 8 januari 2008.