Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2999

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
20-001123-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI7097, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI7097
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensenhandel (273f Sr) en mensensmokkel (197a Sr). Ad 273f Sr. Het hof komt tot de gevolgtrekking dat bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden in de voorliggende zaak met het oog op de vraag of deze onder de strafbaarstelling van art. 273f Sr vallen, allereerst vastgesteld moet worden of er sprake is van handelen (werven, huisvesten of opnemen) door dwang, door een of meer feitelijkheden, door dreiging met een of meer feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik te maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht of door misbruik te maken van een kwetsbare positie. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat zulks een zeker initiatief en actief handelen van de dader(s) vooronderstelt, waarbij doelbewust misbruik wordt gemaakt van de zwakkere of kwetsbare positie van slachtoffers. Eerst indien zulks vastgesteld kan worden dient te worden beoordeeld of een en ander is geschied met het oogmerk van uitbuiting. Het hof is op grond van in het arrest genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte en/of een of meer anderen het initiatief hebben genomen, noch dat zij actief hebben gehandeld ten aanzien van de Chinezen, bijvoorbeeld door hen te benaderen of te overreden in het restaurant te komen werken. Zij hebben veeleer gereageerd op verzoeken en in een aantal gevallen zelfs op smeekbedes van de Chinezen. Onder die omstandigheden kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte en/of een of meer anderen bij het huisvesten of opnemen van de Chinezen doelbewust misbruik heeft/hebben gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht of van hun zwakkere/kwetsbare positie. Ten overvloede overweegt het hof dat geen sprake was van uitbuiting als bedoeld in art. 273f Sr. Ad 197a Sr. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het aannemen of uitbetalen van personeel. Derhalve kan onbesproken blijven of er sprake was van oogmerk van winstbejag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001123-07

Uitspraak: 30 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 maart 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-839263-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het onder 1 (kort gezegd: (medeplegen van) mensenhandel) en het onder 2 (kort gezegd: (medeplegen van) mensensmokkel) ten laste gelegde.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft een gedeelte van de motivering van de beslissing tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

Vrijspraak

Met de eerste rechter heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt het hof - evenals de eerste rechter - daartoe het navolgende.

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander.

Bij wet van 9 december 2004 (inwerkingtreding 1 januari 2005) is artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht ingevoegd, welk artikel op 1 september 2006 is vernummerd tot artikel 273f van dat wetboek. Dit artikel 273a is in de plaats gekomen van artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht beoogde alle vormen van seksuele uitbuiting strafbaar te stellen. Kenmerkend voor uitbuiting in dat artikel is de aanwezigheid van dwang in ruime zin of misleiding, blijkens de tekst van artikel 250a, eerste lid onder ten eerste: een persoon dwingen of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen, etc.

Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 2003/2004, 29291, nr.3) voorziet het wetsvoorstel (betreffende onder meer artikel 273a) in uitvoering van acht mondiale rechtsinstrumenten ter bestrijding van onder meer mensenhandel, waaronder het VN Protocol van 15 november 2000 inzake preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel (Trb. 2004/35) en het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel (Pb. L 203 d.d. 1 augustus 2002, pagina's 1-4).

De omschrijving van mensenhandel in artikel 3 van genoemd VN Protocol luidt - kort gezegd - als volgt: "het werven, bieden van onderdak aan of opnemen van personen door dwang, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie met het oogmerk van uitbuiting. Uitbuiting omvat tenminste gedwongen arbeid of diensten."

Bij de omschrijving van mensenhandel zowel in artikel 1 van het Kaderbesluit van de Raad inzake bestrijding van mensenhandel als in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de hiervoor weergegeven omschrijving van mensenhandel.

Blijkens de Memorie van Toelichting (pagina 16) heeft de redactie van bovengenoemd artikel 250a, eerste lid onder ten eerste, primair het oog op de uitbuiting.

De omschrijving van mensenhandel, zoals hiervoor omschreven in het VN Protocol, heeft primair betrekking op de activiteiten van mensenhandel. Deze activiteiten zijn gericht op de verwezenlijking van het einddoel: de uitbuiting.

Het gaat om een aantal gedragingen (werven, onderdak bieden etc.) gepaard met middelen (dwang, machtsmisbruik etc.) en gericht op uitbuiting.

Gelet op het bovenstaande komt het hof tot de gevolgtrekking dat bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden in de voorliggende zaak met het oog op de vraag of deze onder de strafbaarstelling van het huidige artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht vallen, allereerst vastgesteld moet worden of er sprake is van handelen (werven, huisvesten of opnemen) door dwang, door een of meer feitelijkheden, door dreiging met een of meer feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik te maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht of door misbruik te maken van een kwetsbare positie. Het hof zal zich bij die vaststelling beperken tot de vraag of er - kort gezegd - sprake is van misbruik van genoemd overwicht, dan wel misbruik van een zwakkere/kwetsbare positie, aangezien noch uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van dwang, (dreiging met) een of meer feitelijkheden of misleiding.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat zulks, gelet op het vorenstaande en de redactie van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, een zeker initiatief en actief handelen van de dader(s) vooronderstelt, waarbij doelbewust misbruik wordt gemaakt van de zwakkere of kwetsbare positie van slachtoffers. Eerst indien zulks vastgesteld kan worden dient te worden beoordeeld of een en ander is geschied met het oogmerk van uitbuiting.

Vooropgesteld kan worden dat de in de tenlastelegging bedoelde Chinezen in een kwetsbare/zwakkere positie verkeerden, reeds omdat zij illegaal in Nederland verbleven.

Voorts gaat het hof - met de eerste rechter - op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende vijf feiten en omstandigheden:

1. De in het Chinees restaurant [restaurant] aangetroffen illegale Chinezen die als getuigen zijn gehoord betroffen allen mensen die zelf de beslissing hebben genomen naar Nederland te gaan.

2. Zij deden dit om in Nederland geld te verdienen.

3. Zij hebben zichzelf gewend tot aanwezigen in voornoemd Chinees restaurant met het verzoek om werk en een aantal van hen heeft daarnaast gevraagd om eten en onderdak en een aantal van hen heeft alleen gevraagd om eten en onderdak. In dat laatste geval verrichtten zij vrijwillig werkzaamheden ([betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]).

4. Geen van hen had enige geldschuld of anderszins een verplichting aan aanwezigen in het restaurant.

5. Allen stond het vrij op ieder moment te vertrekken. Verschillenden van hen hadden tevoren reeds op één of meerdere andere plaatsen gewerkt.

Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte en/of een of meer anderen het initiatief hebben genomen, noch dat zij actief hebben gehandeld ten aanzien van voornoemde Chinezen, bijvoorbeeld door hen te benaderen of te overreden in het restaurant te komen werken. Zij hebben veeleer gereageerd op verzoeken en in een aantal gevallen zelfs op smeekbedes van de Chinezen.

Onder die omstandigheden kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte en/of een of meer anderen bij het huisvesten of opnemen van de Chinezen doelbewust misbruik heeft/hebben gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht of van hun zwakkere/kwetsbare positie.

Ten overvloede overweegt het hof - evenals de eerste rechter - nog het volgende.

Blijkens de Memorie van Toelichting bestaat uitbuiting tenminste uit gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij of met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken. Dat zijn alle vormen van moderne slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keus heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld kan worden genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden.

Weliswaar kan worden gezegd dat er in de onderhavige zaak sprake was van een maatschappelijk ongewenst geachte arbeidssituatie door lange werkdagen (11 tot 13 uur), vijf vrije dagen per maand, meerdere bedden op een slaapkamer en een inkomen tussen de EUR 450 en 800 per maand, doch dat brengt naar het oordeel van het hof nog niet mee dat geconcludeerd kan worden dat er sprake was van een uitbuitingssituatie, zoals bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet gebleken is dat de werkomstandigheden op zichzelf (los van de lengte van de werkdagen) slecht waren, dat vaststaat dat het verdiende inkomen geheel ter vrije beschikking stond van degene die het kreeg - immers kost en inwoning waren gratis - en dat van geen van de Chinezen, mede gelet op het hiervoor overwogene, kan worden gezegd dat zij in hun situatie redelijkerwijs geen andere keuze hadden dan te werken en/of verblijven in restaurant [restaurant].

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de rechtbank de vijf hiervoor genoemde feiten en omstandigheden ten onrechte beslissend heeft geacht voor de conclusie dat in de onderhavige zaak geen sprake is van uitbuiting in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (pagina's 10-11 van de aantekeningen bij het requisitoir).

Dit standpunt van de advocaat-generaal berust evenwel op een verkeerde lezing van het beroepen vonnis. De advocaat-generaal heeft de vijf voornoemde feiten en omstandigheden ten onrechte als dragend beschouwd voor het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van uitbuiting. De rechtbank heeft haar uitleg van het begrip uitbuiting immers niet gebaseerd op meergenoemde feiten en omstandigheden, maar heeft overwogen dat allereerst een zeker initiatief en actief handelen van verdachte vereist is, waarbij doelbewust misbruik wordt gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of van de zwakkere/kwetsbare positie van slachtoffers, alvorens beoordeeld dient te worden of een en ander is geschied met het oogmerk van uitbuiting. Gelet op meergenoemde feiten en omstandigheden is in de onderhavige zaak geen sprake van initiatief en actief handelen, zoals hiervoor bedoeld, zodat de rechtbank - behoudens in een overweging ten overvloede - niet toekwam aan de vraag of een en ander is geschied met het oogmerk van uitbuiting.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt het hof het navolgende.

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij (tezamen en in vereniging) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, dan wel daartoe gelegenheid of middelen heeft verschaft.

Uit de processen-verbaal van verhoor van zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] (opgenomen in het dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Vreemdelingenpolitie Eindhoven, nr. PL2220/06-006639, sluitingsdatum 9 november 2006) maakt het hof op dat [medeverdachte 1] degene is geweest die het keukenpersoneel aannam en het salaris vaststelde en uitbetaalde.

[medeverdachte 1] heeft hierover het volgende verklaard:

"lk ben de enige die beslist of er mensen in het restaurant worden aangenomen." (dossierpagina 414);

"Als het op aanname van nieuw personeel aankomt is dat alleen mijn verantwoordelijkheid." (dossierpagina 444).

Dit wordt bevestigd door verdachte:

"[bijnaam] [= [medeverdachte 1]] is degene die alles regelt. Hij is door de heer [medeverdachte 2] [= [medeverdachte 2]] aangewezen om alles te regelen. Dit betreft ook het personeel." (dossierpagina 324);

"Ik ben niet bevoegd mensen aan te nemen. Dit kan alleen door de bedrijfsleider of de baas gebeuren, dus door [bijnaam]." (dossierpagina 330).

Nu het bovenstaande voorts wordt bevestigd door [medeverdachte 2], de eigenaar van het restaurant (dossierpagina 215), heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het aannemen of uitbetalen van personeel. De op 10 oktober 2006 door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring (dossierpagina's 448-452), die op gespannen voet staat met de hierboven genoemde verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte, wordt door het hof als niet overtuigend terzijde gesteld. Gelet op het vorenstaande heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Derhalve kan onbesproken blijven of er sprake is van oogmerk van winstbejag.

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis, waarvan beroep.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. F.L. Muskens,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 30 januari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F.L. Muskens is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.