Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2972

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
C0600495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof volgt [appellanten] niet in hun primaire stelling. De omstandigheid dat [appellanten] in de kosten van het incident ad EUR 452,- zijn veroordeeld, kan geen reden zijn om artikel 337 lid 2 Rv buiten toepassing te laten. Voor [appellanten] bestaat overigens, zoals zij zelf ook opmerken, de mogelijkheid om zo nodig in kort geding schorsing van de executie te vorderen van het vonnis waarvan beroep. Verder merkt het hof op dat de uitvoerbaarheid bij voorraad naar haar aard juist geheel los staat van de appellabiliteit. Ook indien [appellanten] wel ontvankelijk zouden zijn, kan [geïntimeerde] de kostenveroordeling executeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolnr. C0600495/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 15 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma [APPELLANTE SUB 1],

gevestigd te [plaats],

en haar beherend vennoten:

2. [APPELLANT SUB 2],

wonende te [plaats],

3. [APPELLANTE SUB 3],

wonende te [plaats],

appellanten,

procureur: mr. C.M. van de Corput,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats], [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 maart 2006 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Maastricht onder rolnummer 106397/HA ZA 05-1192 gewezen vonnis van 8 maart 2006 inzake een vrijwaringsincident waarbij appellanten (hierna [appellanten]) - gedaagden in de hoofdzaak en wederpartij [geïntimeerde] als eiser in de hoofdzaak - als eisers in dat vrijwaringsincident vorderen dat de rechtbank zal gelasten dat [bedrijf 1] door [appellanten] in vrijwaring mogen worden opgeroepen.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [appellanten] onder overlegging van twee producties - twee grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven staat omschreven.

2.2. Geïntimeerde - [geïntimeerde] - heeft bij memorie van antwoord twee producties overgelegd, de grieven bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellanten], althans hun vrijwaringsverzoek niet toe te staan, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van beide procedures.

2.3. Daarop hebben [appellanten] onder overlegging van twee producties een akte uitlating producties genomen, waarna [geïntimeerde] een antwoordakte heeft genomen.

2.4. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

De grieven van [appellanten] strekken er toe dat de rechtbank ten onrechte hun verzoek - kennelijk bedoelen zij: hun vordering in het incident - tot het oproepen van [bedrijf 1] in vrijwaring heeft afgewezen en ten onrechte [appellanten] in de kosten van het incident heeft veroordeeld.

4. De beoordeling

4.1. [geïntimeerde] heeft bij de rechtbank te Maastricht bij exploot van 22 november 2005 een procedure aanhangig gemaakt tegen [appellanten]. In die procedure hebben [appellanten] een incidentele conclusie tot oproeping in (voorwaardelijke) vrijwaring genomen en gevorderd dat de rechtbank toestemming verleent [bedrijf 1] in vrijwaring op te roepen.

4.2. Bij het beroepen vonnis heeft de rechtbank na verweer van [geïntimeerde] de incidentele vordering van [appellanten] afgewezen. Tegen deze afwijzing van de incidentele vordering zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen.

4.3. [geïntimeerde] heeft in de memorie van antwoord opgemerkt dat er in dit geval sprake is van een tussenvonnis in de zin van de artikelen 232 lid 1 en 337 lid 2 Rv, zodat hoger beroep slechts tegelijk met dat van een eindvonnis kan worden ingesteld, nu een uitzondering die dit anders kan doen zijn, zich niet voordoet.

4.4. Dit standpunt is juist (vergelijk Van Maanen in Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, aantekening 4 onder d bij artikel 210 Rv). In het systeem van de wet is een tussenvonnis een vonnis waarin in het dictum geen enkele beslissing in de hoofdzaak is genomen. Daarvan is in dit geval sprake. Op grond van artikel 337 lid 2 Rv dient hoger beroep van tussenvonnissen tegelijk met dat van het eindvonnis ingesteld te worden, tenzij de rechter anders heeft bepaald of artikel 75 lid 1 Rv van toepassing is. In dit geval is artikel 75 lid 1 Rv niet van toepassing en ook doet zich niet de situatie voor dat de rechtbank verlof heeft verleend om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing tot afwijzing van de incidentele vordering.

4.5. Daarop hebben [appellanten] gesteld dat de rechtbank bij het incidentele vonnis waarvan beroep, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] heeft veroordeeld in de kosten van het incident, zodat het in strijd met de wet zou zijn wanneer [appellanten] geen hoger beroep zouden kunnen instellen, terwijl [geïntimeerde] wel dit vonnis kan executeren. Subsidiair verzoeken [appellanten] over te gaan tot verbetering van het beroepen vonnis in dier voege dat de proceskostenveroordeling wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak is beslist.

4.6. Het hof volgt [appellanten] niet in hun primaire stelling. De omstandigheid dat [appellanten] in de kosten van het incident ad EUR 452,- zijn veroordeeld, kan geen reden zijn om artikel 337 lid 2 Rv buiten toepassing te laten. Voor [appellanten] bestaat overigens, zoals zij zelf ook opmerken, de mogelijkheid om zo nodig in kort geding schorsing van de executie te vorderen van het vonnis waarvan beroep. Verder merkt het hof op dat de uitvoerbaarheid bij voorraad naar haar aard juist geheel los staat van de appellabiliteit. Ook indien [appellanten] wel ontvankelijk zouden zijn, kan [geïntimeerde] de kostenveroordeling executeren.

4.7. Het hof zal niet aan het subsidiair gedaan verzoek van [appellanten] voldoen, reeds omdat [appellanten] niet kunnen worden ontvangen in hun beroep en het hof dus aan een inhoudelijke behandeling van de incidentele vordering van [appellanten] niet toekomt.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat [appellanten] in hun beroep niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden. De grieven behoeven derhalve geen verdere behandeling. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

I. verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun beroep;

II. veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde], tot op deze uitspraak begroot op EUR 296,- aan verschotten en op EUR 1.158,- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, De Klerk-Leenen en Hofkes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 januari 2008.