Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2787

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
C0501759-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 23 maart 2005 heeft een enquête plaatsgevonden. De zaak is vervolgens voor uitlating contra-enquête verwezen naar de rol van 20 april 2005. Per abuis is door de rechtbank echter reeds op 13 april 2005 een eindvonnis gewezen.

Nadat de procureur van Cehave hierover bij brief van 14 april 2005 zijn beklag had gedaan bij de President van de rechtbank, heeft de griffier aan beide partijen verzocht de originele grossen te retourneren.

Partijen hebben de originele grossen van het vonnis aan de rechtbank geretourneerd. [geïntimeerde] heeft hierbij bij brief van 21 april 2005 opgemerkt dat het retourneren van de grosse zijns inziens het probleem niet oploste, en dat de enige weg terug het wijzen van een herzieningsvonnis was, indien art. 31 Rv daartoe de mogelijkheid bood, en dat anders het hoger beroep zou moeten worden doorlopen.

In reactie op het retourneren van de grossen schreef de afdelingsvoorzitter en rolrechter van de civiele sector van de rechtbank op 25 april 2005 aan partijen:

"(..) De rechtbank (..) stelt voor dit verzuim te herstellen door het vonnis als niet gewezen te beschouwen, teneinde te voorkomen dat beide partijen in deze zaak een instantie missen. (..)"

Beide partijen hebben met dit voorstel van de rechtbank ingestemd.

Het hof is van oordeel dat, teneinde het probleem op te lossen, de oorspronkelijk door [geïntimeerde] aangedragen oplossing te prefereren was geweest boven die, welke de rechtbank heeft gekozen. Nu er echter, met instemming van beide partijen, voor is gekozen het vonnis van 13 maart 2005 als niet gewezen te beschouwen en beide partijen zich in appel ook niet op dit vonnis hebben beroepen, dient te worden geoordeeld dat dit vonnis door het latere vonnis in hetzelfde geschil van 23 november 2005 is achterhaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolnr. C0501759/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

tweede kamer, van 15 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap CEHAVE LANDBOUWBELANG VOEDERS B.V.,

gevestigd te Veghel,

appellante,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats], [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 4 september 2007 op het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 29 december 2004 en 23 november 2005.

6. Het arrest van 4 september 2007

In genoemd arrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken, als in dat arrest vermeld.

7. Het vervolg van de procedure

Cehave heeft een akte genomen, en daarbij een productie overgelegd. [geïntimeerde] heeft een antwoordakte met producties genomen. Partijen hebben vervolgens wederom de stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De stukken in het dossier van Cehave zijn in enkele gevallen voorzien van bijschrijvingen en markeringen met gekleurde stiften. Het hof heeft hierop geen acht geslagen. Voorts ontbreken in het dossier van Cehave de producties bij de antwoordakte van [geïntimeerde].

8. De verdere beoordeling (ten aanzien van de ontvankelijkheid)

8.1.1. Het hof heeft aan partijen om opheldering verzocht in verband met - kort gezegd - een in het door Cehave gefourneerde dossier aangetroffen kopie van een grosse van een eindvonnis van 13 april 2005, waarop met balpen "vernietigd" stond geschreven.

8.1.2. Uit de door partijen bij akte verstrekte informatie is het hof het volgende gebleken.

Op 23 maart 2005 heeft een enquête plaatsgevonden. De zaak is vervolgens voor uitlating contra-enquête verwezen naar de rol van 20 april 2005. Per abuis is door de rechtbank echter reeds op 13 april 2005 een eindvonnis gewezen.

Nadat de procureur van Cehave hierover bij brief van 14 april 2005 zijn beklag had gedaan bij de President van de rechtbank, heeft de griffier aan beide partijen verzocht de originele grossen te retourneren.

Partijen hebben de originele grossen van het vonnis aan de rechtbank geretourneerd. [geïntimeerde] heeft hierbij bij brief van 21 april 2005 opgemerkt dat het retourneren van de grosse zijns inziens het probleem niet oploste, en dat de enige weg terug het wijzen van een herzieningsvonnis was, indien art. 31 Rv daartoe de mogelijkheid bood, en dat anders het hoger beroep zou moeten worden doorlopen.

8.1.3. In reactie op het retourneren van de grossen schreef de afdelingsvoorzitter en rolrechter van de civiele sector van de rechtbank op 25 april 2005 aan partijen:

"(..) De rechtbank (..) stelt voor dit verzuim te herstellen door het vonnis als niet gewezen te beschouwen, teneinde te voorkomen dat beide partijen in deze zaak een instantie missen. (..)"

Beide partijen hebben met dit voorstel van de rechtbank ingestemd.

8.2.1. Het hof is van oordeel dat, teneinde het probleem op te lossen, de oorspronkelijk door [geïntimeerde] aangedragen oplossing te prefereren was geweest boven die, welke de rechtbank heeft gekozen. Nu er echter, met instemming van beide partijen, voor is gekozen het vonnis van 13 maart 2005 als niet gewezen te beschouwen en beide partijen zich in appel ook niet op dit vonnis hebben beroepen, dient te worden geoordeeld dat dit vonnis door het latere vonnis in hetzelfde geschil van 23 november 2005 is achterhaald.

8.2.2. Het hof komt tot dit oordeel op grond van het volgende. Uitgangspunt is dat een vonnis dat door de uitspraak ter terechtzitting tot stand is gekomen, niet zonder dat daartegen met succes een rechtsmiddel is aangewend, als nietig kan worden beschouwd. Evenmin kan een dergelijk vonnis als non-existent of als niet gewezen worden beschouwd. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een onjuiste rechterlijke uitspraak in beginsel uitsluitend door aanwending van het daartegen openstaande rechtsmiddel kan worden aangetast.

8.2.3. In het onderhavige geval zijn twee gelijkwaardige eindvonnissen gewezen op dezelfde vordering, te weten het eindvonnis van 13 april 2005, en het thans beroepen eindvonnis van 23 november 2005. Vaststaat dat het eindvonnis van 13 april 2005 door een misslag van de rechtbank is gewezen, nu zijdens Cehave niet was afgezien van contra-enquête en zijdens [geïntimeerde] niet was verzocht om vonnis, zoals in het vonnis ten onrechte is vermeld.

Ondanks deze misslag komt in beginsel rechtskracht toe aan het vonnis van 13 april 2005.

Het vonnis van 13 april 2005 is voorts in kracht van gewijsde gegaan, nu daartegen niet binnen de termijn een rechtsmiddel is ingesteld.

8.2.4. Dit alles brengt echter niet met zich dat Cehave niet ontvankelijk is in het hoger beroep tegen het vonnis van 23 november 2005, nu - gegeven de bijzondere omstandigheden van dit geval - dit laatste vonnis moet worden aangemerkt als een vonnis waarin de rechtbank opnieuw een beslissing heeft gegeven op dezelfde vordering. Hierdoor heeft het vonnis van 13 april 2005 zijn betekenis verloren, zodat het niet meer ten uitvoer gelegd zou kunnen worden (gesteld dat partijen nog over de grossen van dat vonnis zouden beschikken, hetgeen niet het geval is, nu zij deze hebben geretourneerd).

Het vonnis van 13 april 2005 ontbeert dus rechtskracht, en in deze bijzondere situatie als thans aan de orde valt een uitzondering te vinden op de regel dat een rechterlijke uitspraak slechts door een rechtsmiddel kan worden aangetast.

9. De verdere beoordeling (inhoudelijk)

9.1. In overweging 2.2-2.9 van het tussenvonnis van 29 december 2004 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de eerste grief wordt dit oordeel bestreden, deels terecht. Het hof zal een nieuwe samenvatting geven van de feiten en een omschrijving van het geschil. Het enkele feit dat deze grief slaagt brengt echter nog niet mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

9.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

9.2.1. [geïntimeerde] heeft een boerenbedrijf. [geïntimeerde] dient reeds lange tijd aanvragen in ter verkrijging van subsidie op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (akkerbouwsubsidie) bij het (toenmalige) Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Deze aanvragen worden beoordeeld door het agentschap Laser.

9.2.2. Cehave was de voerleverancier van [geïntimeerde]. Cehave heeft, in ieder geval tot en met 1998, aan agrariërs diensten verleend bij het invullen van de aanvraag van de akkerbouwsubsidie. [persoon 1] is een werknemer van Cehave.

9.2.3. [geïntimeerde] heeft in 2001 twee percelen grond, toebehorend aan [persoon 2] (een perceel genummerd [nummer], in de stukken aangeduid als perceel 4, en een perceel genummerd [nummer], in de stukken aangeduid als perceel 5) op basis van een zgn. Grondgebruikersverklaring in bruikleen gekregen. Perceel 4 heeft een oppervlakte van 1,90 hectare, perceel 5 heeft een oppervlakte van 2,10 hectare.

9.2.4. Medio april 2001 heeft [persoon 1], aanwezig op het bedrijf van [geïntimeerde], een aanvraagformulier voor de verkrijging van akkerbouwsubsidie voor [geïntimeerde] ingevuld. Het formulier is opgestuurd naar Laser, en aldaar ontvangen op 10 mei 2001. Het formulier vermeldt o.a. (prod. 1 inl. dagv.):

"Aanvraag oppervlakten/Gebruik gewaspercelen

Opgave 2001

Blad 2/overzicht van uw gewaspercelen in 2001

(..)

Volgnr. Perceelsnr. (..) Bestemde oppervlakte

1. (..) 1,00

2. (..) 4,00

3. (..) 0,80

4. 1400937798 4,00"

Bij dit formulier zat gevoegd een zgn. Bedrijfskaart, waarop de betreffende percelen waren ingetekend. De subsidieaanvraag is door [geïntimeerde] ondertekend.

Naderhand heeft [geïntimeerde] op een verzoek van Laser van 11 juli 2001 de aanvraag op een aantal punten nader ingevuld. Hierbij zijn geen wijzigingen in de eerder opgegeven percelen aangebracht.

9.2.5. Bij brief van 26 oktober 2001 (verzonden 31 oktober 2001) berichtte Laser aan [geïntimeerde] dat de aanvraag na beoordeling onvolledig en/of (deels) onjuist bleek te zijn. In de bijlage bij deze brief staat te lezen:

"(..) Bij de optelling van de oppervlakte van alle gewaspercelen van dit topografische perceel (perceel 4, hof), ook van andere aanvragers die een deel van dit topografische perceel hebben opgegeven, is gebleken dat de totaal aangevraagde oppervlakte 885 are is.

De topografische oppervlakte van dit perceel is 674 are.

De oppervlakte die door Laser is geregistreerd, komt echter niet overeen met de door u en andere aanvragers opgegeven totale oppervlakte. Laser is voornemens bij de berekening van de bijdrage uit te gaan van de topografische oppervlakte. Dit houdt in dat het verschil tussen de totale door u en andere (bedoeld zal zijn: anderen, hof) aangevraagde oppervlakte en de topografische oppervlakte proportioneel wordt verdeeld tussen u en de andere aanvragers. De andere aanvragers zijn: [persoon 3] te [plaats] en [persoon 2] te [plaats].

Ik verzoek u de reden aan te geven van de overschrijding van de perceelsoppervlakte. Als u tot de ontdekking komt dat u bij het invullen van vraag 6 (Overzicht van uw percelen in 2001) een fout perceelsnummer heeft vermeld, of als u een onjuiste oppervlakte voor een afzonderlijk gewasperceel vermeld heeft, of als u zich op een andere manier vergist heeft, dan verzoek ik u dit aan

Laser te melden. (..)".

9.2.6. [geïntimeerde] heeft de begeleidende brief van Laser op 5 november 2001 geretourneerd, voorzien van een bijschrift:

"Percelen 4 en 5 zijn samen 4.00 ha groot. Hier is mais op verbouwd geweest!"

en daarbij gevoegd een gewijzigde aanvraag waarop hij heeft aangegeven dat het ging om twee percelen (te weten volgnrs 4 en 5) van resp. 1,90 en 2,10 hectare groot, derhalve tezamen 4 hectare, voorzien van een gewijzigde

Bedrijfskaart.

In antwoord hierop heeft Laser bij brief van 11 januari 2002 aan [geïntimeerde] medegedeeld dat zijn aanvraag voor de akkerbouwsubsidie is afgewezen omdat, nu het verschil tussen de aangevraagde (8,88 ha) en de geconstateerde oppervlakte (6,78 ha) groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, het gehele recht op subsidie vervalt.

9.2.7. [geïntimeerde] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij Laser, welk bezwaar door (de Minister van landbouw, Natuurbeheer en Visserij, voor deze:) Laser op 24 april 2002 ongegrond is verklaard. Onder meer motiveert Laser haar beslissing met de overweging dat [geïntimeerde] als producent verantwoordelijk is voor het juist invullen van de eigen aanvraag, en dat de gevolgen van een onjuiste opgave in beginsel voor zijn rekening dienen te blijven, behalve in het geval van een duidelijke fout. Laser vervolgt met onder meer de constatering dat op het originele aanvraagformulier een akkerbouwsubsidie is aangevraagd voor perceel 4 met een beteelde oppervlakte van 4,00 ha en dat dit perceel op de bijbehorende Bedrijfskaart op de juiste wijze is ingetekend. In de gewijzigde opgave wordt de oppervlakte van het perceel verminderd en wordt subsidie voor een ander perceel (volgnr. 5) aangevraagd. De intekening op de bijbehorende Bedrijfskaart wijkt af van de oorspronkelijke intekening.

Dit alles brengt Laser tot de conclusie dat de aanvraag en de bijbehorende Bedrijfskaart geen tegenstrijdigheid bevat, de aanvraag niet onlogisch, niet onvolledig en consequent is ingevuld, zodat er geen sprake is van een duidelijke fout. Derhalve is er binnen de Regeling, aldus Laser, geen mogelijkheid om de door [geïntimeerde] bij zijn brief van 8 november 2001 opgegeven wijziging aan te brengen.

9.2.8. [geïntimeerde] heeft van deze beslissing beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Ter ondersteuning van dit beroep heeft hij onder meer aangevoerd dat hij geen intentie had om meer subsidie aan te vragen dan waarop hij recht had, doch dat hij heeft verzuimd om perceel 5 op te geven. Perceel 4 en 5 tezamen hebben een grootte van 4,14 ha, om discussie te voorkomen heeft [geïntimeerde] 4,00 ha opgegeven. De reden van het foutief vermelden van de perceelsgegevens ligt in het feit dat de percelen 4 en 5 op basis van een Grondgebruikersverklaring bij [geïntimeerde] in gebruik waren. Het College oordeelde dat de door [geïntimeerde] gemaakte vergissing niet is te beschouwen als een duidelijke fout in de zin van de Regeling, en verklaarde op 12 maart 2003 het beroep ongegrond.

9.2.9. [geïntimeerde] heeft vervolgens Cehave in rechte betrokken en, kort samengevat, vergoeding gevorderd van de schade, nader op te maken bij staat, die [geïntimeerde] heeft geleden en nog zal lijden doordat [persoon 1] het aanvraagformulier verkeerd had ingevuld. De rechtbank heeft in haar thans bestreden tussenvonnis geoordeeld dat sprake was van een overeenkomst van opdracht tot het behulpzaam zijn bij het invullen van de akkerbouwsubsidieaanvraag tussen Cehave en [geïntimeerde]. Zij heeft [geïntimeerde] te bewijzen opgedragen dat hij [persoon 1] bij het verstrekken van de opdracht de gegevens heeft verschaft die betrekking hadden op de tijdelijke grondruil tussen [geïntimeerde] en [persoon 2]. Bij het thans bestreden eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] in dit bewijs is geslaagd en heeft zij de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. Tegen dit oordeel zijn de grieven gericht.

9.3.1. Het hof ziet aanleiding om zich allereerst te buigen over een kwestie, die door de laatste grief wordt aangesneden, te weten de vraag naar het al dan niet bestaan van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen de gesteld gemaakte fout en de gestelde schade. Voor de toewijsbaarheid van de vordering is het bestaan van dit verband, dat door Cehave wordt betwist, onontbeerlijk. Bestaat het causaal verband niet, dan behoeven de door de overige grieven aangevoerde kwesties geen beantwoording meer, omdat de vordering van [geïntimeerde] dan reeds op die grond dient te worden afgewezen.

9.3.2. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn vordering gesteld dat de door hem ingediende aanvraag een fout bevatte, namelijk dat daarop was ingevuld dat perceel 4 een oppervlakte had van (afgerond) 4 ha, terwijl in werkelijkheid perceel 4 en perceel 5 tezamen een oppervlakte hadden van (afgerond) 4 ha. Door deze fout, aldus [geïntimeerde], heeft hij voor perceel 4 "overvraagd" met 2,10 ha, omdat bij de werkelijke oppervlakte van perceel 4 per abuis tevens de oppervlakte van perceel 5 was opgeteld. Deze onjuiste opgave heeft [geïntimeerde] van Laser (terecht, volgens het CBB) niet meer mogen corrigeren, omdat een dergelijke onjuiste opgave niet valt onder het begrip "duidelijke fout" in de Regeling.

Het is hierom, dat de subsidie is afgewezen aldus [geïntimeerde].

9.3.3. Cehave betwist deze stellingname. Zij stelt, dat [geïntimeerde] in beide gevallen - zowel bij een oppervlakte van 4 ha voor perceel 4 (de foute versie), als bij een oppervlakte van 4 ha voor perceel 4 en perceel 5 (de juiste versie) - voor 8,8 ha subsidie wilde aanvragen. Daar zit de fout, aldus Cehave, nu de topografische oppervlakte volgens Laser slechts 6,74 ha c.q. 6,78 ha bedroeg. Het is om deze reden dat de subsidie is afgewezen.

9.3.4. Naar het oordeel van het hof volgt niet uit de overgelegde stukken dat de subsidie is geweigerd omdat [geïntimeerde] voor teveel ha subsidie zou hebben aangevraagd. Weliswaar is door Laser op 11 januari 2002 die motivering aan haar afwijzing ten grondslag gelegd, maar uit de stukken blijkt naar het oordeel van het hof dat Laser die beslissing heeft gebaseerd op de eerdere foute aanvraag van [geïntimeerde], waarop perceel 5 niet stond vermeld. In de beslissing op het bezwaar van 24 april 2002 staat voorts dat de aanvankelijke verschrijving (bestaande uit de vermelding van slechts perceel 4 in plaats van perceel 4 en perceel 5) niet als een duidelijke fout wordt aangemerkt.

Hiermee is de feitelijke grondslag ontvallen aan het verweer van Cehave met betrekking tot het causale verband.

9.4.1. Met grief V komt Cehave op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] in het opgedragen bewijs is geslaagd.

9.4.2. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het leveren van het bewijs dat hij aan [persoon 1] de gegevens heeft verschaft die betrekking hadden op de tijdelijke grondruil tussen [geïntimeerde] en de maatschap [persoon 2]. Het betreft hier de kadastrale gegevens van de tijdelijk geruilde grond en in het bijzonder de kadastrale gegevens van perceel 5.

De getuige [persoon 4] heeft hieromtrent slechts verklaard dat zij, haar echtgenoot en [persoon 1] tezamen de topografische kaart hebben ingetekend, waarbij ook een stukje van het grotere perceel van [persoon 2] is ingetekend. Zij heeft echter niet verklaard dat haar man of zijzelf aan [persoon 1] de kadastrale gegevens van perceel 5 hebben doorgegeven. Evenmin heeft zij verklaard dat [persoon 1] hierover reeds beschikte of dat zij ervan uit mocht gaan dat [persoon 1] hierover op andere wijze kon beschikken. Aldus levert deze verklaring geen onvolledig bewijs op dat door de getuigenverklaring van [geïntimeerde] zelf bevestigd zou kunnen worden. [geïntimeerde] heeft overigens zelf ook niets verklaard over de kadastrale gegevens van perceel 5. Getuige [persoon 1] heeft verklaard dat hij bij [geïntimeerde] thuis onder meer de perceelsnummers heeft ingevuld. Uit de verklaring van [persoon 1] begrijpt het hof dat [persoon 1] daarbij alle op dat moment beschikbare informatie heeft ingevuld, zodat daaruit volgt dat hem de gegevens van perceel 5 niet ter beschikking zijn gesteld of reeds ter beschikking stonden.

9.4.3. Het hof overweegt voorts dat uit de in het geding gebrachte beslissing van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 12 maart 2003 (onder 4) volgt dat [geïntimeerde] in die procedure het standpunt heeft ingenomen dat hij de precieze gegevens van het perceel dat hij in gebruik kreeg niet kende en dat door de onduidelijkheid hierover er een fout is geslopen in het aanvraagformulier. Het hof overweegt dat, naast hetgeen reeds is overwogen, deze stellingname van [geïntimeerde] onverenigbaar is met het door hem te leveren bewijs.

9.4.4. Het hof komt hiermee tot een andere bewijswaardering dan de rechtbank omdat de rechtbank de door [geïntimeerde] in de procedure bij het CBB ingenomen stelling niet in de bewijswaardering heeft meegenomen. De rechtbank heeft wel meegewogen dat [persoon 1] wist waar het perceel van [persoon 2] gelegen was, maar naar het oordeel van het hof volgt uit deze enkele omstandigheid nog niet dat [persoon 1] daarmee ook op de hoogte was van de kadastrale gegevens van dat perceel of daarmee op de hoogte had moeten zijn.

9.4.5. [geïntimeerde] is dus niet geslaagd in het leveren van het hem opgedragen bewijs. Het hof overweegt nog dat [geïntimeerde] terecht in eerste aanleg is belast met de hem gegeven bewijsopdracht. [geïntimeerde] is voorts in eerste aanleg toegelaten tot het leveren van het door hem aangeboden bewijs. Hij heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep voldoende specifiek aangeboden meer of andere getuigen te doen horen. Het hof ziet derhalve geen aanleiding, ook niet gelet op de devolutieve werking van het appel, hem alsnog in de gelegenheid te stellen bewijs bij te brengen.

9.4.6. Grief V van Cehave slaagt hiermee. Dit leidt tot de vernietiging van de bestreden vonnissen. De overige grieven kunnen om die reden onbehandeld blijven. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

10. De uitspraak

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van 29 december 2004 en 23 november 2005;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vorderingen van [geïntimeerde];

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Cehave worden begroot op € 79,- aan verschotten en € 2.260,-aan salaris procureur in eerste aanleg en op € 460,93 aan verschotten en € 1.341,- aan salaris procureur voor het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Venhuizen en Fikkers en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 januari 2008.