Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2758

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
C0600159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pronova heeft een aantal opleverpunten niet afgewerkt en heeft daarenboven ondeugdelijk werk geleverd. Volgens een offerte van 22 november 2004 bedragen de kosten van herstel EUR 195.237,35 inclusief BTW. [geïntimeerden] hebben zich beroepen op een rapport van [persoon 2] Interieurarchitect (hierna: [persoon 2]) van 13 oktober 2003 en een offerte van 22 november 2004 van [bedrijf 1]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0600159/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 22 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PRONOVA B.V.,

gevestigd te Goes,

appellante in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 23 januari 2006,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

1.[GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [plaats],

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerden in principaal appel bij voormeld exploot,

appellanten in incidenteel appel,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 21 december 2005 tussen principaal appellante - hierna Pronova - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en principaal geïntimeerden

- hierna tezamen te noemen [geïntimeerden] en afzonderlijk als [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] - als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 138452/HA ZA 04-1846)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

in het principaal en het incidenteel appel

2.1. Pronova is van het vonnis van 21 december 2005 tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft Pronova één grief aangevoerd. [geïntimeerden] hebben bij memorie van antwoord, onder overlegging van één productie, de grief bestreden.

2.2. [geïntimeerden] hebben bij memorie van grieven in incidenteel appel, onder overlegging van één productie, zes grieven aangevoerd. Pronova heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel de grieven van [geïntimeerden] bestreden.

2.3. Vervolgens hebben [geïntimeerden] een akte in principaal appel en in incidenteel appel genomen, waarna Pronova een antwoordakte tevens akte rectificatie heeft genomen.

2.4. Tot slot hebben partijen de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

3.1. De grief van Pronova houdt in dat de rechtbank de vordering van Pronova in conventie ten onrechte heeft afgewezen. De grieven van [geïntimeerden] kunnen worden herleid tot de klacht dat de rechtbank hun vorderingen in reconventie ten onrechte heeft afgewezen. Met de grieven in het principaal en het incidenteel appel is het geschil tussen partijen in conventie en in reconventie in volle omvang aan het hof voorgelegd.

3.2. Voor de tekst van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling in het principaal en het incidenteel appel

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. Pronova heeft in opdracht van [geïntimeerden] werkzaamheden verricht en materialen geleverd op basis van onder meer een "finale verzamelde orderbevestiging" d.d. 21 februari 2002 voor een bedrag van EUR 295.000,- inclusief BTW (hierna: de orderbevestiging woonhuis). De orderbevestiging is op 21 februari 2002 door partijen ondertekend.

b. In deze orderbevestiging is onder het kopje "Termijnen" vermeld:

33% bij verstrekken van opdracht [...]

33% Voor aanvang montage [...]

34% bij 1e oplevering [...]

c. Op een brief van Pronova van 6 juni 2002 aan [geïntimeerden] is met de hand een aanvullende opdracht van [geïntimeerden] aan Pronova voor een bedrag van EUR 40.500,- inclusief BTW vermeld. Onder deze tekst hebben partijen op 1 juli 2002 hun handtekening geplaatst.

d. Voorts heeft Pronova in opdracht van [geïntimeerden] meerwerk verricht. Tussen partijen is afgesproken dat meerwerk in onderling overleg wordt uitgevoerd tegen een uurtarief van EUR 45,- exclusief BTW.

e. Bij brief van 2 december 2003 heeft [geïntimeerde sub 1] vanaf 1 december 2003 aanspraak gemaakt op betaling door Pronova van "direct en indirecte kosten" wegens volgens [geïntimeerden] opgelopen vertraging van de oplevering met zes weken. Voorts heeft [geïntimeerde sub 1] zich in voormelde brief op het standpunt gesteld dat het renteverlies tot het moment van definitieve oplevering EUR 378,08 per dag bedroeg.

f. Op 18 december 2003 heeft [geïntimeerde sub 1] samen met [persoon 1] (namens Pronova) het werk bekeken. [geïntimeerde sub 1] heeft een proces-verbaal van opname interieur werkzaamheden Pronova d.d. 26 december 2003 opgesteld.

g. Pronova heeft bij faxbericht van 2 februari 2004 een "opleverlijst" aan [geïntimeerde sub 1] toegezonden. Deze is door [geïntimeerde sub 1] op 13 februari 2004, ook namens [geïntimeerde sub 2], ondertekend en aan Pronova teruggezonden. Door of op verzoek van [geïntimeerde sub 1] is in de kop van het bericht, van het woord "eindoplevering", "eind" doorgestreept.

h. Pronova heeft bij faxbericht van 18 maart 2004 gesteld dat tien van de dertien opleverpunten waren afgewerkt. Verder heeft Pronova in deze brief [geïntimeerden] gewezen op volgens Pronova bestaande betalingsverplichtingen van [geïntimeerden] en aan [geïntimeerden] medegedeeld dat Pronova haar werkzaamheden opschortte totdat [geïntimeerden] volledig aan hun betalingsverplichtingen hadden voldaan.

i.[geïntimeerden] hebben in reactie op het faxbericht van Pronova, bij faxbericht van eveneens 18 maart 2004, Pronova gewezen op twaalf volgens [geïntimeerden] niet uitgevoerde opleverpunten. Tevens hebben [geïntimeerde sub 1] medegedeeld tot geen enkele betaling te zullen overgaan, althans niet eerder dan nadat de opleverpunten voor het grootste gedeelte waren aangebracht.

j. Pronova heeft in reactie op het faxbericht van [geïntimeerden], onder verwijzing naar haar eerdere faxbericht van 18 maart 2004, bij brief van 22 maart 2004 medegedeeld dat de opleverpunten van [geïntimeerden] grotendeels waren uitgevoerd.

k. Inzake meerwerk heeft Pronova bij factuur van 7 april 2004 een bedrag van EUR 88.338,97 inclusief BTW aan [geïntimeerden] in rekening gebracht. [geïntimeerden] hebben een viertal voor meerwerk verzonden facturen retour gezonden.

l. [geïntimeerden] hebben in totaal EUR 338.900,50 inclusief BTW aan Pronova betaald.

4.2. Pronova heeft [geïntimeerden] in eerste aanleg gedagvaard en gevorderd [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van EUR 135.158,98, vermeerderd met contractuele rente.

4.3. [geïntimeerden] hebben de vordering van Pronova bestreden en in reconventie betaling door Pronova gevorderd van EUR 241.976,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2004.

4.4. De rechtbank heeft bij vonnis van 21 december 2005 zowel de vordering in conventie als de vordering in reconventie afgewezen.

4.5. Pronova vordert in het principaal appel dat het vonnis van 21 december 2005 wordt vernietigd en dat haar vordering in conventie alsnog wordt toegewezen.

4.6.1. Pronova legt aan haar vordering onder meer de volgende stellingen ten grondslag.

4.6.2. Pronova had in totaal van [geïntimeerden] te vorderen een bedrag van EUR 471.136,47, namelijk EUR 295.000,- wegens de orderbevestiging van 21 februari 2002, EUR 43.988,35 wegens een - niet ondertekende - orderbevestiging voor de keuken en EUR 132.148,12 wegens meerwerk. Van dit bedrag hebben [geïntimeerden] ten onrechte EUR 131.372,04 onbetaald gelaten. Pronova heeft het totale werk opgeleverd. Er resteerde op 2 februari 2004 nog een aantal opleverpunten. Afgesproken is dat Pronova die opleverpunten zou uitvoeren nadat [geïntimeerden] een deel van de openstaande factuurbedragen hadden voldaan. Aangezien [geïntimeerden] deze afspraak slechts gedeeltelijk nakwamen, heeft Pronova haar werkzaamheden opgeschort. Pronova heeft [geïntimeerden] bij brief van 2 juni 2004 in gebreke gesteld en aanspraak gemaakt op betaling van de contractuele rente over het nog volgens Pronova openstaande bedrag, te weten een bedrag van EUR 131.372,04 inzake facturen met de nummers 03.122, 03.336, 03.337, 04.077 en 04.113 en een bedrag van EUR 3.786,94 inzake rente, dus in totaal een bedrag van EUR 135.158,58.

4.7. [geïntimeerden] vorderen in incidenteel appel dat het vonnis van 21 december 2005 wordt vernietigd en dat hun reconventionele vorderingen ad in totaal EUR 241.976,60 alsnog worden toegewezen.

4.7.1. [geïntimeerden] leggen aan hun vordering de volgende stellingen ten grondslag.

4.7.2. Pronova heeft een aantal opleverpunten niet afgewerkt en heeft daarenboven ondeugdelijk werk geleverd. Volgens een offerte van 22 november 2004 bedragen de kosten van herstel EUR 195.237,35 inclusief BTW. [geïntimeerden] hebben zich beroepen op een rapport van [persoon 2] Interieurarchitect (hierna: [persoon 2]) van 13 oktober 2003 en een offerte van 22 november 2004 van [bedrijf 1]

4.7.3. Doordat [geïntimeerde sub 1] tijdens het noodzakelijk herstel niet in zijn woning zal kunnen verblijven en de meubels en dergelijke moeten worden opgeslagen, zullen [geïntimeerden] kosten ad EUR 27.000,- en EUR 8.925,- moeten maken voor vervangende woonruimte gedurende drie maanden respectievelijk kosten voor opslag en gedeeltelijke verhuizing meubilair.

4.7.4. De eerste oplevering vond plaats op 2 februari 2004. Dat was 63 dagen te laat, waardoor Pronova een bedrag van EUR 23.819,04 (63 dagen x EUR 378,08) aan [geïntimeerden] is verschuldigd. Pronova dient bovendien nog te leveren en aan te brengen de trap in de studeerkamer, een neuslijst in de kelder en vijf spiegels. Al deze posten tezamen bedragen EUR 7.556,50 inclusief BTW.

4.7.5. Op grond van de hiervoor vermelde bedragen van EUR 195.237,35, EUR 27.000,- en EUR 8.925,- is Pronova een bedrag van EUR 31.375,54 inclusief BTW aan [geïntimeerden] verschuldigd indien geen rekening wordt gehouden met een bedrag wegens meer- en minderwerk ad in totaal EUR 20.561,29 inclusief BTW, aldus [geïntimeerden].

4.8. Het hof stelt het volgende voorop. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg, in punt 9 van de conclusie van eis in reconventie, gesteld dat het saldo ten bate van [geïntimeerden] EUR 10.814,25 bedraagt welk saldo [geïntimeerden] in reconventie hebben gevorderd. In hoger beroep stellen [geïntimeerden] dat zij hun reconventionele vordering met betrekking tot het bedrag van EUR 31.375,54 handhaven. Nu [geïntimeerden] in het petitum hun eis echter niet hebben vermeerderd, gaat het hof uit van een vordering van [geïntimeerden] van EUR 10.814,25.

4.9. De rechtbank heeft - met juistheid - vooropgesteld dat het geschil moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van Boek 7A, titel 7A, afdeling 6 BW, nu de overeenkomst tussen partijen is gesloten in 2002 en Boek 7, titel 12 BW krachtens artikel 217 lid 1 Overgangsweg NBW toepassing mist (r.o. 3.13.). Tegen deze overweging van de rechtbank is ook geen grief gericht.

De vordering in conventie

4.10. In rechtsoverweging 3.14. heeft de rechtbank overwogen dat de opleverlijst van 2 februari 2004 een opsomming van werkzaamheden bevat die nog door Pronova dienden te worden verricht. Nu [geïntimeerden] niet de stelling van Pronova hadden weersproken dat het totale werk is geaccepteerd en als zodanig in gebruik is genomen, heeft de rechtbank vastgesteld dat het werk op 2 februari 2004 is opgeleverd (r.o. 3.14.) Hiertegen is grief 4 van het incidenteel appel gericht.

4.11. [geïntimeerden] betogen dat het werk niet op 2 februari 2004 is geaccepteerd en dat er toen een zodanige achterstand in het werk en een zodanige reeks van opleverpunten bestonden dat het werk op 2 februari 2004 niet opleveringsklaar was. [geïntimeerde sub 1] heeft dan ook, zo stellen zij, het pand niet op 2 februari 2004 in gebruik genomen, maar medio juni 2004.

4.12. Het hof overweegt als volgt. In het algemeen moet onder oplevering worden verstaan het in overeenstemming met de inhoud en strekking van de overeenkomst ter beschikking stellen van het werk aan de opdrachtgever. Het gaat hier om het ontwerp en de vervaardiging van het interieur, alsmede montage en inrichting van een woonhuis met gastenverblijf, onder levering van materialen. [geïntimeerden] hebben gesteld, en Pronova heeft dit onvoldoende betwist, dat Pronova de trap in de studeerkamer en een neuslijst in de kelder niet heeft afgeleverd. Volgens [geïntimeerden] zijn bovendien vijf spiegels niet afgeleverd, hetgeen Pronova heeft betwist. Ten aanzien van de overige zaken staat als onweersproken vast dat deze zijn geleverd. Op grond van de door partijen op 2 februari 2004 (door Pronova) en op 13 februari 2004 (door [geïntimeerden]) ondertekende "opleverlijst" stelt het hof vast dat partijen op die datum het werk hebben opgenomen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aan oplevering het bestaan van opleverpunten op zichzelf niet in de weg staat. Indien [geïntimeerden] zich op het standpunt stellen dat zich in dit geval een uitzondering op die regel voordeed, had het op de weg van [geïntimeerden] gelegen om gespecificeerd en onderbouwd aan te geven welke andere opleverpunten nog dienden te worden verricht en waarom deze aan een oplevering in de weg stonden. [geïntimeerden] hebben dit niet gedaan. [geïntimeerden] hebben slechts, in het algemeen, verwezen naar een achterstand in het werk en een reeks met "pijn- en opleverpunten". [geïntimeerden] hebben gesteld dat zij pas medio juni 2004 het pand hebben kunnen betrekken door alle onvolkomenheden, maar die stelling is niet onderbouwd. Ook het hof gaat er derhalve van uit dat, met uitzondering van de trap in de studeerkamer, de neuslijst in de kelder en de vijf spiegels, op 2 februari 2004 de oplevering heeft plaats gehad doordat [geïntimeerden] het werk heeft geaccepteerd. Grief 4 faalt.

4.13. Daarmee is aan de orde het beroep van Pronova op haar bevoegdheid haar verplichting tot het verrichten van voormelde (herstel)werkzaamheden op te schorten omdat [geïntimeerden] de betalingsafspraken niet nakwamen. Op dit punt heeft Pronova zich beroepen op haar faxbrief van 18 maart 2004, waarin zij [geïntimeerden] tot 26 maart 2004 de gelegenheid geeft aan hun betalingsverplichtingen te voldoen. In reactie hierop hebben [geïntimeerden] niet ontkend nog betaling verschuldigd te zijn. [geïntimeerden] hebben zich echter van hun kant beroepen op een bevoegdheid tot opschorting van hun betalingsverplichting (zie r.o. 4.1. onder i van dit arrest).

4.14. Het hof stelt voorop dat [geïntimeerden] op grond van de orderbevestiging van 21 februari 2002 34% van de overeengekomen som van EUR 295.000,- als slotbetaling op of omstreeks 2 februari 2004 waren verschuldigd. Gesteld noch gebleken is dat het beroep van [geïntimeerden] op opschorting alleen betrekking heeft op het bedrag dat Pronova als - betwist - meerwerk of wegens de aanvullende opdracht d.d. 1 juli 2002 in rekening had gebracht. Het hof moet er dus van uit gaan dat [geïntimeerden] op 18 maart 2002 nog niet aan al hun betalingsverplichtingen jegens Pronova hadden voldaan. [geïntimeerden] stellen wel dat zij op 10 maart 2004 een bedrag van EUR 45.000,- te veel hadden betaald, maar zij hebben niet gesteld welk bedrag zij, gerekend tot 10 maart 2004, in totaal hadden betaald. Dit betekent dat Pronova zich terecht op opschor-ting heeft beroepen. Dit brengt mee dat aan [geïntimeerden] geen beroep op opschorting van hun betalingsverplichting toekwam, zodat zij op 26 maart 2004 met de nakoming van die verplichting in verzuim zijn geraakt.

4.15. Daarmee is aan de orde de vraag of Pronova zich terecht op het standpunt stelt dat [geïntimeerden] nog een bedrag van EUR 131.372,04 verschuldigd zijn. Pronova gaat daarbij uit van een aanvankelijk totaal verschuldigd bedrag van EUR 471.136,47 inclusief BTW. [geïntimeerden] hebben zich daarentegen op het standpunt gesteld dat zij twee overeenkomsten met Pronova hebben gesloten waarvoor een totaalbedrag van EUR 335.500,- inclusief BTW was verschuldigd, en dat zij voor niet meer dan voor EUR 20.561,29 inclusief BTW aan meerwerk hebben opgedragen waarvan EUR 7.556,50 inclusief BTW niet is uitgevoerd.

4.16. Van Pronova mocht worden verwacht dat zij, gelet op de betwisting door [geïntimeerden], duidelijk had gemaakt welke overeenkomsten tussen partijen tot stand zijn gekomen en welke meerwerkopdrachten door [geïntimeerden] zijn verstrekt. Op Pronova rust immers de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast van hetgeen zij stelt. Pronova heeft niet aan deze stelplicht voldaan. Pronova heeft, na betwisting door [geïntimeerden], slechts verwezen naar de eerder door haar overgelegde orderbevestigingen waarvan één niet is ondertekend, namelijk de orderbevestiging met betrekking tot de keuken. Ten aanzien van het gestelde meerwerk heeft Pronova zich slechts beroepen op opdrachten die "keer op keer" zouden zijn gegeven (cvr in conventie, punt 3) en zij heeft verwezen naar door haar zelf opgestelde overzichten. Nu Pronova op dit punt onvoldoende heeft gesteld, komt het hof aan bewijslevering niet toe. Uit het vorenstaande volgt dat de grief van het principaal appel niet leidt tot vernietiging van het in conventie gewezen vonnis van de rechtbank.

De vordering in reconventie

4.17. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] wegens te late oplevering afgewezen omdat [geïntimeerden] niet hebben gesteld op grond waarvan Pronova wegens te late oplevering een boete verschuldigd zou worden (r.o. 3.8.). Hiertegen is grief 2 van het incidenteel appel gericht.

[geïntimeerden] hebben in hoger beroep verwezen naar de in eerste aanleg overgelegde brief van [geïntimeerde sub 1] van 2 december 2003 (zie r.o. 4.1. onder e van dit arrest).

4.18. De stellingen van [geïntimeerden] in appel op dit punt kunnen niet leiden tot toewijzing van dit onderdeel van hun vordering. Gesteld noch gebleken is dat Pronova gehouden was op een bepaalde datum op te leveren, zodat Pronova ook niet tekort geschoten kan zijn in die verplichting. [geïntimeerden] stellen op dit punt slechts dat volgens de planning een eerste oplevering op 30 september 2003 zou plaatsvinden en dat op 2 december 2003, rekening houdende met twee weken extra wegens vakantie van [geïntimeerde sub 1], die planning met zes weken was overschreden. Dit is in de gegeven omstandigheden onvoldoende. Uit de stelling van [geïntimeerde sub 1] dat op 30 september 2003 een eerste oplevering zou plaatsvinden, volgt immers niet dat Pronova een boete verschuldigd is door de enkele overschrijding van deze - gestelde - termijn, nu gesteld noch gebleken is dat partijen met deze datum een fatale datum hebben bedoeld.

4.19. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] wegens de niet geleverde trap in de studeerkamer, een neuslijst in de kelder en - volgens [geïntimeerden] - vijf spiegels ad in totaal EUR 7.556,50 inclusief BTW afgewezen omdat [geïntimeerden] niet hebben onderbouwd waarom niet geleverde zaken tot een schadepost leiden (r.o. 3.9. van het vonnis van 21 december 2005). Hiertegen is grief 3 van het incidenteel appel gericht. In appel stellen [geïntimeerden] dat Pronova deze zaken heeft gefactureerd en dat [geïntimeerden] deze zaken hebben betaald. Pronova heeft dit op haar beurt weer betwist.

4.20. [geïntimeerden] leggen, naar het hof begrijpt, aan dit onderdeel van de vordering onverschuldigde betaling ten grondslag. Van een andere grondslag is niet gebleken. Deze grondslag is evenwel ondeugdelijk, aangezien aan de gestelde betalingen een koopovereenkomst ten grondslag ligt. De stelling van [geïntimeerden] dat de bestelde goederen niet geleverd zijn, is in dit verband niet relevant.

4.21. De grieven 2 en 3 van het incidenteel appel leiden dus niet tot vernietiging van het bestreden vonnis en daarmee faalt ook grief 1 van het incidenteel appel.

4.22. De rechtbank heeft overwogen dat een gevolg van de oplevering op 2 februari 2004 is dat aan [geïntimeerden] niet meer het recht toekomt te klagen over gebreken die zij bij een normaal, met de vereiste zorgvuldigheid verricht, onderzoek bij de oplevering hadden moeten ontdekken (r.o. 3.15.). Hiertegen is geen grief gericht, zodat het hof dit oordeel als uitgangspunt zal nemen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerden] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt dat punten in het rapport van [persoon 2] ook voorkomen op de opleverlijst (r.o. 3.16.). Hiertegen is grief 5 van het incidenteel appel gericht. Ook in appel geven [geïntimeerden] niet concreet aan welke punten in het rapport van [persoon 2] worden genoemd die ook voorkomen op de lijst van 2 februari 2004. [geïntimeerden] stellen zich echter op het standpunt dat het niet zo relevant is of punten in het rapport van [persoon 2] ook voorkomen op de lijst van 2 februari 2004, in de eerste plaats omdat het rapport van [persoon 2] als een algehele klachtenlijst van de niet plaatsgevonden hebbende oplevering moet worden beschouwd en in de tweede plaats omdat er sprake zou zijn van zaken die bij een oppervlakkige bezichtiging niet aan het licht konden komen.

4.23. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4.13. ten aanzien van het verzuim van [geïntimeerden] is overwogen, betekent het vorenstaande dat [geïntimeerden] slechts aanspraak kunnen maken op vergoeding van definitief geleden schade doordat na 2 februari 2004 gebreken aan het licht zijn gekomen die zij bij een normaal, met de vereiste zorgvuldigheid verricht, onderzoek bij de oplevering hadden moeten ontdekken. [geïntimeerden] hebben op dit punt, onder verwijzing naar de opgave herstelkosten van [bedrijf 1], een inferieure ondervloer van het parket genoemd. Volgens de opgave van [bedrijf 1] zijn de parketvloeren niet uitgevoerd met de afgesproken ondergrond, zodat onder meer "het geheel" moet worden verwijderd en de juiste ondergrond en het parket volgens legplan opnieuw moeten worden aangebracht.

4.24. Het hof overweegt als volgt. Om te kunnen vaststellen of er op dit punt sprake is van een gebrek en of [geïntimeerden] als gevolg daarvan definitief schade hebben geleden, moet allereerst vast staan welke afspraken partijen hebben gemaakt over de ondergrond van het parket. [geïntimeerden] stellen dat in plaats van een eiken ondervloer spaanplaat broodjes zijn aangebracht. Pronova heeft in reactie hierop betwist dat de ondervloer ondeugdelijk is gelegd en heeft gesteld dat het aanbrengen van spaanplaat broodjes nu juist is geschied op advies van de leverancier van het parket. [geïntimeerden] hebben daarop gereageerd met een handgeschreven commentaar van [geïntimeerde sub 1] waarin slechts is te lezen dat Pronova volgens afspraak bij de eindafrekening een bedrag als minderwerk zou verrekenen wegens een uitvoering die afwijkt van de offerte. In het rapport van [persoon 2] wordt geen melding gemaakt van een inferieure ondervloer en evenmin blijkt waarom de gelegde ondergrond niet deugdelijk zou zijn. Dit betekent dat [geïntimeerden] te weinig hebben gesteld om te kunnen concluderen dat de gehele vloer inclusief ondervloer moet worden verwijderd en vervangen. Het vorenstaande leidt het hof tot de slotsom dat [geïntimeerden] geen aanspraak kunnen maken op een schadevergoeding van EUR 195.237,35 wegens herstelkosten. De gestelde kosten wegens vervangende woonruimte, opslag en verhuizing die daarmee samenhangen, kunnen onbesproken blijven. Ook dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerden] is terecht door de rechtbank afgewezen. Grief 5 faalt dus.

4.25. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank [geïntimeerden] op goede gronden in de kosten in reconventie aan de zijde van Pronova heeft veroordeeld, zodat ook grief 6 faalt.

4.26. Het hiervoor overwogene leidt het hof tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Pronova zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel aan de zijde van [geïntimeerden]. [geïntimeerden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel aan de zijde van Pronova.

5. De uitspraak

in het principaal en het incidenteel appel

het hof:

I. bekrachtigt het vonnis van 21 december 2005 waarvan beroep;

II. veroordeelt Pronova in de proceskosten van het principaal hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerden] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op EUR 4.055,- wegens vast recht en op EUR 2.632,- aan salaris procureur;

III. veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Pronova tot de dag van deze uitspraak worden begroot op

EUR 2.447,25 aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-Van Dijken, Meulenbroek en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 januari 2008.