Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2747

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
C0601541-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

appellant] heeft zijn vordering primair gebaseerd op de stelling dat Goss in gebreke is gebleven met de nakoming van de ingevolge art. 7: 658, lid 1 BW op de werkgever rustende verplichting om "voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt".

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0060
JAR 2008, 91
JAR 2008/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolnr. C0601541/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 15 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], [gemeente],

appellant bij exploot van dagvaarding van 16 oktober 2006,

procureur: mr. P.H. Louwers,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GOSS CONTIWEB B.V.,

gevestigd te Boxmeer,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, lokatie Boxmeer gewezen vonnis van 18 juli 2006 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - Goss - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 418811 CV 906/05)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Goss de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna hun standpunten doen bepleiten door hun advocaten, waarbij voor [appellant] optrad mr. H.E. van Berckel-Dekker en voor Goss mr. A.M. Breedveld.

Van de gehouden pleidooien zijn pleitnota's overgelegd.

2.4. Partijen hebben vervolgens de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van [appellant] strekken ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van [appellant] heeft afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellant] (geboren op [1951]) is op 1 maart 1987 in dienst getreden bij Goss in de functie van constructeur plaatwerk bij de afdeling techniek. Vanaf 1995 had hij de functie van hoofdconstructeur in de afdeling Research & Development (R&D) die deel uitmaakt van de sector Techniek.

b. Op de arbeidsovereenkomst was van toepassing de CAO Metaalelektro.

Op de afdeling waar [appellant] werkzaam was werd gewerkt op projectmatige basis, in teams onder leiding van projectleiders. De hoofdconstructeur stuurde 2 tot 5 constructeurs aan, afhankelijk van de omvang van het project.

c. Op 15 april 1997 heeft [appellant] zich arbeidsongeschikt gemeld in verband met spanningsklachten.

d. In de periode vanaf 15 april 1997 tot 1 juni 2005 (datum einde dienstbetrekking) was [appellant] afwisselend arbeidsongeschikt dan wel aan het werk, als volgt:

- 15 april 1997: 100 % arbeidsongeschikt;

- 2 juni 1997: 50% arbeidsongeschikt, 50% hervatting werk;

- 3 juni 1997: 100% arbeidsongeschikt

- 8 december 1997: 50 % arbeidsongeschikt, 50% hervattingwerk in die zin dat [appellant] aangepast werk verrichtte;

- 7 januari 2003: 100% arbeidsongeschikt;

- januari 2004: 50 % hervatting aangepast werk;

- voorjaar 2004: 100 % arbeidsongeschikt;

- 7 juni 2004: hervatting werk;

- 12 juli 2004: 100 % arbeidsongeschikt;

e. Op 19 januari 2005 heeft het CWI op aanvraag van Goss vergunning verleend [appellant] te ontslaan. Bij brief van 26 januari 2005 heeft Goss aan [appellant] ontslag aangezegd met ingang van 1 juni 2005.

f. Per 16 april 1998 heeft [appellant] een WAO-uitkering ontvangen, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80%, vanaf 1 juni 1998 gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%, vanaf 1 januari 2002 op een percentage van 80-100%, vanaf 1 juli 2002 op een percentage van 55-65% en vanaf 1 februari 2003 op een percentage van 80-100%. Deze WAO-uitkering heeft Goss aanvankelijk gedurende twee jaar gesuppleerd tot 100% van zijn loon, welke suppletie daarna is voortgezet tot 31 december 2002. Bij brief d.d. 12 december 2002 van Goss aan [appellant] (prod. XIII cvr) heeft Goss medegedeeld dat de suppletie in twee stappen zal worden afgebouwd en per 1 april 2003 zal eindigen.

g. [appellant] ontvangt voorts uitkeringen op grond van de WAO hiaat verzekering en een arbeidsongeschiktheidspensioen. Deelname aan de pensioenvoorziening wordt premievrij voortgezet.

4.2. [appellant] heeft in dit geding - kort gezegd - gevorderd

a. een verklaring voor recht dat Goss aansprakelijk is voor de door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Goss geleden en nog te lijden, materiële en immateriële schade;

b. Goss te veroordelen die schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.3. Bij vonnis d.d. 18 juli 2006 heeft de kantonrechter deze vordering afgewezen.

4.4. [appellant] heeft zijn vordering primair gebaseerd op de stelling dat Goss in gebreke is gebleven met de nakoming van de ingevolge art. 7: 658, lid 1 BW op de werkgever rustende verplichting om "voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt".

4.5. De kantonrechter heeft dienaangaande - kort gezegd - het volgende overwogen.

a. In artikel 7: 658, lid 2 BW is bepaald:

De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

b. Deze bepaling behelst, aldus de kantonrechter, geen risicoaansprakelijkheid, maar een schuldaansprakelijkheid waarbij een voldoende concrete en kenbare norm moet zijn geschonden. [appellant] dient aan te geven om welke norm het gaat en de schending daarvan aan te tonen.

Uitgaande van dit juridische kader heeft de kantonrechter - naar het hof begrijpt - geoordeeld dat aansprakelijkheid van Goss (alleen dan) kan worden aangenomen indien er sprake is geweest van "werkomstandigheden van [appellant] die in objectieve zin abnormaal of excessief waren".

De kantonrechter oordeelt vervolgens dat [appellant] dergelijke omstandigheden niet heeft aangetoond en dat daarom de vordering op de primaire grondslag moet worden afgewezen.

4.6. In hoger beroep handhaaft [appellant] zijn vordering op de primaire grondslag.

4.7. Alvorens de grieven van [appellant] te behandelen, zal het hof het beroep van Goss op verjaring bespreken.

4.7.1. Goss stelt dat de op artikel 7: 658 BW gegronde vordering tot schadevergoeding van [appellant] is verjaard. Voor deze vordering geldt, aldus Goss, een verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3: 310 BW) en deze termijn is gaan lopen hetzij op 15 april 1997, hetzij in februari 1998, hetzij in januari/februari 1999 (mva punt 4.3.). Toen [appellant] bij aangetekende brief van 3 maart 2004 jegens Goss een beroep deed op (schending van) art. 7: 658 BW was de vordering dus reeds verjaard. In ieder geval was de vordering verjaard toen [appellant] op 15 september 2005 de inleidende dagvaarding liet uitbrengen, aldus Goss.

4.8. Het beroep op verjaring verwerpt het hof.

[appellant] is pas met de schade bekend geworden op het moment dat hem duidelijk is geworden dat terugkeer naar zijn werkzaamheden bij Goss redelijkerwijs niet meer te verwachten was. Aangenomen moet worden dat dit aan [appellant] duidelijk is geworden na afloop van de laatste werkhervatting in april 2004. Voorzover moet worden aangenomen dat [appellant] al eerder met de schade bekend is geworden, kan in elk geval niet worden aangenomen dat [appellant] daarmee al vóór 3 maart 1999 (vijf jaar vóór de brief van 3 maart 2004) dan wel al vóór 15 september 2000 (vijf jaar vóór datum dagvaarding) bekend is geworden. Dat geldt in het bijzonder voor de inkomensschade die een gevolg is van de beëindiging van de suppletie op de WAO-vervolguitkering. Met die inkomensschade kon [appellant] pas bekend zijn na ontvangst van de brief d.d. 12 december 2002 waarin Goss aankondigt de suppletie op de WAO-vervolguitkering te beëindigen.

4.9. Grief I van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er sprake moet zijn van werkomstandigheden van [appellant] die in objectieve zin abnormaal of excessief waren. Grief II is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij onder dergelijke omstandigheden bij Goss heeft gewerkt met als gevolg dat [appellant] daardoor, in verhouding tot zijn collega's, onredelijk zwaar belast zou zijn geweest.

4.10. Volgens [appellant] waren de omstandigheden op het werk wel degelijk abnormaal en excessief in objectieve zin. Daarbij wijst [appellant] met name op de werkdruk, die niet alleen door hem, maar ook door andere werknemers van Goss als te hoog werd ervaren, terwijl Goss jarenlang in gebreke bleef daar verandering in te brengen.

Ter adstructie daarvan verwijst [appellant] - onder meer - naar

a. De rapportage RIRE 1994 (risico-inventarisatie en -evaluatie) d.d. september 1994, pag. 29 (prod. 15 cva) en de rapportage RIRE 1999 pag. 26 en 27 (prod. II inl. dagv.).

b. De rapportage PAGO 2001 (periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek), pag. 4, pag. 5 en pag. 36 (prod. 19 cva).

4.11. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de genoemde rapportages onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat in objectieve zin de werkdruk op de afdeling R & D, waar [appellant] als hoofdconstructeur werkte, abnormale of excessieve vormen had aangenomen.

4.11.1. In de rapportage van het PAGO 2001 is vermeld dat in het algemeen de werkdruk hoog was, dat een hoge werkdruk onderdeel vormde van de cultuur van het bedrijf, dat het management dit tot in 2001 nog niet als probleem ziet, en dat er verontrustende signalen te zien zijn in de vorm van - onder meer - spanningsklachten bij werknemers ("15 personen hebben last van overspannenheid of burn-out"). Op de afdeling R & D wordt blijkens het PAGO 2001 (pag. 36) eveneens een hogere werkdruk ervaren (werken onder tijdsdruk, snel werken, te veel werk), maar "men zegt ook doorgaans geen problemen te hebben met het werktempo en de werkdruk". Door [appellant] is niet gesteld (ook niet in mvg punt 28) dat de uitval van 15 personen waarover in het PAGO 2001 wordt gesproken zich op zijn afdeling heeft voorgedaan, noch over welke periode die uitval heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft deze uitval ook niet met concrete gegevens onderbouwd.

4.11.2. Voorts wijst het hof op de inhoud van de schriftelijke verklaring van [persoon 1] d.d. 22 november 2005, die tot 1 oktober 2001 leidinggevende was van de afdeling R & D (prod. 9 cva). Deze schetst in zijn verklaring de wijze en de tijden waarop [appellant] destijds werkte. In de gesprekken die deze met [appellant] destijds heeft gevoerd is er wel sprake van geweest dat het druk was, maar niet dat het te druk was. Ook uit de inhoud van de schriftelijke verklaring van [persoon 2] d.d. 19 juli 2005 (prod. 10 cva), direct-leidinggevende van [appellant] tot november 1998, blijkt dat de werkdruk fors was, dat vaak gesproken is over hoge werkdruk, maar blijkt niet dat die werkdruk als abnormaal en excessief werd ervaren.

4.11.3. Ook hetgeen [appellant] voor het overige aan feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht (omtrent het gemis van werkplekonderzoek of terugkoppeling daarvan, van een functieomschrijving, van ondersteuning bij inlening van externe arbeidskrachten, van goede communicatie met de staf, van uitingen van waardering in het werk alsmede omtrent fysieke belasting) brengt het hof, in aanmerking genomen het daartegen door Goss gevoerde verweer, niet tot de conclusie dat in objectieve zin de omstandigheden op de afdeling R & D, waar [appellant] als hoofdconstructeur werkte, zo abnormaal en excessief waren dat zou moeten worden geconcludeerd dat Goss haar zorgplicht ex art. 7: 658, lid 1 BW heeft geschonden door daarin geen substantiële veranderingen aan te brengen.

In het midden kan blijven of het arbeidsomstandighedenbeleid van Goss voor verbetering vatbaar was; voor de beoordeling van de onderhavige vordering is immers niet maatgevend is of dat beleid optimaal was, maar of Goss bij het voeren van dat beleid de door haar in acht te nemen zorgverplichtingen ex art. 7: 658, lid 1 BW heeft geschonden.

4.12. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de norm dat er sprake moet zijn van werkomstandigheden die abnormaal en excessief waren in objectieve zin, moet worden genuanceerd in die zin dat "de werkgever rekening moet houden met omstandigheden de werknemer zelf, als persoon, betreffende" (mvg punt 17). [appellant] licht in de mvg punten 22 tot en met 27 toe dat een werkgever bij een werkdruk zoals die bij Goss aan de orde was, er rekening mee moet houden dat een man met de persoonlijksheidskenmerken van [appellant] (een man met narcistische kenmerken en een hoog beroepsethos: zie de medisch onderzoeksverslagen d.d. 5 april 2000 en 26 maart 2003, pag. 1: prod. X inl. dagv.) een extra groot risico loopt op overbelasting met als gevolg een burn-out.

4.13. Het hof is van oordeel dat het inderdaad tot de zorgplicht van de werkgever behoort rekening te houden met omstandigheden betreffende de persoon van de werknemer en, in aansluiting daarop, de door hem te treffen maatregelen of te geven aanwijzingen daarop dient af te stemmen voor-zover dat redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

4.13.1. Van de werkgever kan echter pas worden verlangd dat hij die maatregelen neemt en die aanwijzingen geeft op een tijdstip waarop hij redelijkerwijs heeft kunnen onder-kennen dat de werknemer persoonskenmerken heeft die een extra risico opleveren voor het ontstaan van overbelasting respectievelijk een burn-out.

4.13.2. Het hof zal er hierna veronderstellerwijs van uitgaan dat [appellant] voldoende heeft gesteld om te concluderen dat de schade die hij als gevolg van de burn-out lijdt, een gevolg is van de hoge werkdruk bij Goss in combinatie met zijn persoonlijksheidskenmerken en dat hij in zoverre heeft aangetoond dat hij schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden door de hoge werkdruk. Er zijn immers wel enige aanwijzingen in deze richting.

De rapporteur van het bedrijfsmaatschappelijk werk concludeert in 1998 (prod.VI, pag. 2, bij inl. dagv.): "De werkdruk (is = toev. hof) groot. De inzet van werknemers vereist een grote mate van flexibiliteit. De bedrijfscultuur is prestatiegericht en technisch. [appellant] is bij tijden niet opgewassen tegen mensen die assertief en zelfbewust opereren. Hij ervaart dat dan als kleinerend, voelt zich niet serieus genomen zonder dat kenbaar te maken en komt er verbaal niet meer uit."

Voorts valt te wijzen op de verklaring van de huisarts C.P. Mosch d.d. 9 april 2004 (prod. XI inl. dagv.), inhoudende: "1997 beeld passend bij surmenage met depressieve kenmerken. surmenage leek samen te hangen met werkomstandigheden".

4.13.3. Hiervan uitgaande dient dan op de voet van art. 7: 658, lid 2 BW onderzocht te worden het verweer van Goss dat zij haar in lid 1 van dat artikel omschreven zorgplicht is nagekomen.

4.14. Het hof is van oordeel dat Goss in voldoende mate heeft aangetoond dat zij in de periode vóór 12 februari 1999 haar zorgplicht jegens [appellant] is nagekomen. De datum van 12 februari 1999 ontleent het hof aan de brief van die datum, waarin door de psychiater drs. E.G.Th.M. Hartong bij [appellant] de diagnose burn-out wordt vastgesteld (prod. VII inl. dagv.). In die brief bericht Hartong voorts dat [appellant] heeft aangegeven dat hij zich overwerkt voelt en het werk als voornaamste oorzaak van zijn problemen beschouwt.

4.14.1. Er zijn geen aanwijzingen dat Goss redelijkerwijs reeds vóór 12 februari 1999 had moeten onderkennen dat [appellant] vanwege zijn bovengenoemde persoonlijkheidskenmerken bijzondere risico's liep op een burn-out vanwege de werkdruk of de werkomstandigheden bij Goss.

In de beoordelingsformulieren met betrekking tot [appellant] (prod. III, IV en V inl. dagv.) zijn daarvoor geen aanwijzingen te vinden. Goss heeft blijkens het formulier met betrekking tot het jaar 1993 wel onderkend dat [appellant] moeite heeft de eigen grenzen aan te geven, maar alstoen aan haar zorgplicht voldaan door [appellant] erop te wijzen dat hij moet "aangeven waar je eigen grenzen liggen".

Het eindverslag van het bedrijfsmaatschappelijk werk, daterend van begin 1998, (prod. VI inl. dagv.) bevat evenmin aanwijzingen op dit punt. Geadviseerd wordt een Assertiviteitstraining, een duidelijke functieomschrijving van taken en bevoegdheden en opgemerkt wordt: "Deadlines zijn deadlines. Daar valt niet aan te tornen. Maar als dit gebeurt binnen een duidelijk kader is het goed mogelijk door [appellant] hiermee overweg te kunnen".

Blijkens de daarop volgende rapportage van GAK Nederland bv van 27 maart 1998, pag 1 (prod. X inl. dagv.) werkt [appellant] op dat moment halve dagen, heeft hij wat meer gestructureerd werk gekregen en heeft hij goed contact en begeleiding van de personeelsfunctionaris. Voorts wordt vermeld (blz. 3): "Belanghebbende (= [appellant]: toev. hof) is aangewezen op gestructureerd werk met een beperkt aantal taken die hij goed kan overzien. Werken onder tijdsdruk, dwingend werktempo. conflicterende functie-eisen en conflicthantering zijn beperkt" (...) " De verwachting is dat de belastbaarheid op langere termijn nog aanzienlijk zal verbeteren" (....) "Bovenstaande werd met verzekerde ( = [appellant]: toev. hof) besproken, deze kon zich hierin vinden.".

Het hof verwijst voorts naar de rapportages van GAK Nederland bv van 29 april 1998 en 27 augustus 1998 (prod. X inl. dagv.).

4.14.2. Het hof concludeert op bovenstaande gronden dat Goss vóór 12 februari 1999 niet heeft verzuimd maatregelen te treffen of aanwijzingen te geven om een burn-out bij [appellant] te voorkomen. Van Goss kon in die periode redelijkerwijs niet worden gevergd dat zij meer maatregelen nam of aanwijzingen gaf dan zij heeft genomen/gegeven, in aanmerking genomen dat voor haar toen niet kenbaar was dat [appellant] vanwege zijn persoonlijkheidskenmerken een bijzonder risico vormde voor wie extra maatregelen of aanwijzingen nodig waren.

4.15. Het hof is van oordeel dat Goss voorts in voldoende mate heeft aangetoond dat zij in de periode na 12 februari 1999 haar zorgplicht jegens [appellant] is nagekomen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de door Hartong op 12 februari 1999 vastgestelde burn-out geen gevolg is van een schending door Goss van haar zorgplicht ingevolge art. 7:658, lid 1 BW.

4.15.1. In de periode na 12 februari 1999 dienden de door Goss te nemen maatregelen of te geven aanwijzingen erop gericht te zijn de schade die het gevolg zou zijn van een (blijvende) uitval door burn-out te voorkomen.

4.15.2. Goss heeft dienaangaande gewezen op de door haar na 12 februari 1999 verrichte inspanningen om [appellant] te reïntegreren. Zij wijst op de door de HSK-groep (drs. I.M.A.M. de Hing) uitgevoerde gedragstherapie (prod. 8 inl. dagv.), de UWV-rapportages uit deze periode (prod. X inl. dagv.), het verslag van een medisch onderzoek van 5 april 2000 en 26 maart 2003 (prod. X inl. dagv.) en het verslag van het arbeidsdeskundig onderzoek naar de reïntegratiemogelijkheden van [appellant] door T.P.G.M. Schattorjé d.d. mei/juni 2004 (prod. XI inl. dagv.).

4.15.3. Het hof komt op grond van dit een en ander tot de conclusie dat Goss in voldoende mate maatregelen heeft getroffen om werkhervatting door [appellant] mogelijk te maken. Dat werkhervatting niet mogelijk is gebleken is niet een gevolg van het feit dat Goss onvoldoende maatregelen heeft getroffen om dat mogelijk te maken, maar een gevolg van het feit dat de medische beperkingen die [appellant] had, meebrengen dat voor hem de weg is afsneden in zijn oude functie terug te keren dan wel in een andere functie zijn werk te hervatten (zie rapport Schattorjé,pag. 6).

4.16. De grieven I en II kunnen op bovenstaande gronden geen doel treffen.

4.17. Naar aanleiding van grief III overweegt het hof het volgende. In het midden kan blijven of [appellant] onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat er causaal verband bestaat tussen de burn-out en zijn werkomstandigheden. Indien en voorzover er enig causaal verband kan worden aangenomen (zie rov. 4.13.2.), leidt dat er niet toe dat [appellant] Goss op grond van art. 7: 658, lid 1 BW aansprakelijk kan houden voor de schade die hij als gevolg van die burn-out lijdt, nu Goss voldoende heeft aangetoond dat zij haar zorgplicht ingevolge art. 7: 658, lid 1 BW is nagekomen.

Grief III faalt dus.

4.18. Hetgeen [appellant] in de toelichting op grief IV aanvoert is tegenstrijdig. Enerzijds stelt hij dat hij vanwege de ongezonde werksfeer en de bedrijfscultuur niet kon klagen over de werkdruk (mvg punt 40) en anderzijds dat hij in 1993, 1995 en 1997 tijdens de beoordelingsgesprekken heeft aangegeven dat hij problemen had met de werkdruk (mvg punt 41). Dat de werkdruk bespreekbaar was en besproken is blijkt ook uit de hierboven vermelde schriftelijke verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2].

Terecht heeft de kantonrechter overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] erover heeft geklaagd dat zijn werkomstandigheden in objectieve zin onaanvaardbaar waren. Zulks blijkt immers niet uit de beoordelingsformulieren, noch uit andere gegevens.

Grief IV faalt dus.

4.19. Nu de grieven I tot en met IV falen, faalt ook grief V.

4.20. [appellant] heeft zijn vordering subsidiair gebaseerd op de stelling dat Goss in gebreke is gebleven met de nakoming van de ingevolge art. 7: 611 BW op de werkgever rustende verplichting om "zich als een goed werkgever te gedragen".

4.21. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen.

De kantonrechter oordeelt dat niet alleen niet is komen vast te staan dat [appellant] schade heeft geleden door zijn werkzaamheden, maar ook dat na tegenspraak niet voldoende is onderbouwd op grond van welke bijzondere omstandigheden Goss haar hierbedoelde verplichting jegens [appellant] niet is nagekomen.

4.22. In grief VI betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte aldus heeft geoordeeld. Het hof begrijpt dat [appellant] deze grief heeft toegelicht in de punten 10 tot en met 13 van de memorie van grieven.

Uit die toelichting blijkt dat [appellant] ter onderbouwing van deze subsidiaire grondslag dezelfde feiten of omstandigheden aanvoert als die welke hij aanvoert ter onderbouwing van de primaire grondslag. Nu die feiten en omstandigheden niet tot aansprakelijkheid van Goss op grond van art. 7: 658, lid 1 BW kunnen leiden, kunnen deze op dezelfde gronden evenmin leiden tot aansprakelijkheid van Goss op grond van art. 7: 611 BW.

4.22.1. [appellant] stelt (mvg punt 11) dat Goss als goed werkgever de risico's voor een werknemer tot een minimum moet terugbrengen en, als zich het risico toch verwezenlijkt, dit voor haar rekening moet nemen alsmede dat de werkgever ervoor moet zorgen dat werknemers risico's mijden door hen effectief te waarschuwen voor bijzondere risico's en de mogelijke gevolgen daarvan. Voorzover [appellant] deze stelling feitelijk heeft onderbouwd met dezelfde gegevens als die welke hij heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn vordering op de primaire grondslag, moet zijn vordering worden afgewezen op grond van dezelfde overwegingen als die waarop zijn vordering op de primaire grondslag is gestrand. Voor het overige heeft [appellant] onvoldoende feitelijke gegevens aangevoerd omtrent de norm die een goed werkgever in acht moeten nemen en omtrent de schending van die norm door Goss, om tot een eventuele aansprakelijkheid van Goss op grond van art. 7: 611 BW te kunnen concluderen.

Grief VI faalt dus.

4.23. Nu de grieven I tot en met VI falen, falen ook de grieven VII en VIII.

4.24. Als de in het ongelijk gestelde partij dient [appellant] te worden veroordeeld in de kosten van dit geding in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 18 juli 2006, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit geding, welke kosten voor zover aan de zijde van Goss gevallen worden begroot op € 248,- wegens griffierecht en € 2.682,- wegens salaris van de procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Zwitser en De Jonge en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terecht-zitting van dit hof op 15 januari 2008.