Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2730

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
C0600040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Van de kant van in ieder geval [appellant] is een affectieve relatie ontstaan en [geïntimeerde] heeft [appellant] in die opvatting bevestigd. [geïntimeerde] heeft [appellant] met een beroep op die relatie, door het voorwenden van financiële nood en inzet voor een gemeenschappelijk ideaal, bewogen tot het ter beschikking stellen van EUR 190.044,79 zodat daarmee de hypothecaire schuld van [geïntimeerde] in de Verenigde Staten kon worden afgelost. [geïntimeerde] was, nadat [appellant] dit bedrag betaald had, opeens van mening dat de relatie tussen partijen geen toekomst had. [geïntimeerde] heeft [appellant] dit geld afhandig gemaakt onder het mom van een geldlening. [geïntimeerde] heeft nooit de intentie en/of de mogelijkheid gehad dit bedrag terug te betalen. [geïntimeerde] heeft jegens [appellant] onrechtmatig gehandeld als gevolg waarvan [appellant] schade heeft geleden voor een bedrag van EUR 190.044,79

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolnr. C0600040/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 15 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], [gemeente],

appellant,

procureur: mr. I.K. Kolev,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

voorheen wonende te [plaats], [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 7 november 2006, tevens arrest in het incident, op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 113389/HA ZA 04-1610 gewezen vonnis van

7 september 2005 tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde.

Het hof zal appellant in het navolgende wederom aanduiden als [appellant] en geïntimeerde als [geïntimeerde].

5. Het verdere verloop van de procedure

5.1. In het door het hof op 7 november 2006 gewezen arrest in het incident is [appellant] ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 september 2005.

5.2. Bij tussenarrest van 7 november 2006 heeft het hof de hoofdzaak verwezen naar de rolzitting van 5 december 2006 voor beraad.

5.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

6. De gronden van het hoger beroep

De grieven strekken ten betoge dat de rechtbank de vordering van [appellant] ten onrechte heeft afgewezen.

7. De beoordeling

7.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellant] en [geïntimeerde] hebben elkaar via het internet leren kennen. In augustus 2003 hebben [appellant] en [geïntimeerde] elkaar voor het eerst ontmoet.

b. [geïntimeerde] was destijds ingezetene van Virginia, Verenigde Staten.

c.Op 27 oktober 2003 heeft [geïntimeerde] zich ingeschreven op het adres [adres] te [plaats], tevens het adres van [appellant]. Op dit adres is ook gevestigd de [[de stichting]] (hierna: [de stichting]). [appellant] is bestuurslid van deze stichting.

d. [geïntimeerde] had toentertijd in verband met zijn woning in Virginia een hypothecaire schuld bij Washington Mutual Home Loans.

e. [appellant] en [geïntimeerde] zijn op 14 november 2003 met elkaar in het huwelijk getreden nadat zij op 13 november 2003 huwelijkse voorwaarden hadden laten opmaken inhoudende - onder meer - uitsluiting van elke gemeenschap.

f. [appellant] heeft op 30 december 2003, met toestemming van [geïntimeerde], ten gunste van de Rabobank een recht van hypotheek gegeven op zijn woning aan de [adres] te [plaats]. Deze bank heeft vervolgens aan [appellant] een krediet verstrekt tot een maximum van EUR 200.000,-.

g. [appellant] heeft op 31 december 2003 een bedrag van EUR 190.044,79 (= USD 239.431,81) overgeboekt naar een rekening bij de US Bank in Milwaukee (Washington Mutual Home Loan) welke rekening op naam stond van [geïntimeerde].

h. [geïntimeerde] is op 4 februari 2004 teruggekeerd naar de Verenigde Staten.

7.2. [appellant] heeft in eerste aanleg, na wijziging van zijn eis, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) primair voor recht verklaart dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en [geïntimeerde] veroordeelt tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade van EUR 190.044,79, vermeerderd met de wettelijke rente;

b) subsidiair de rechtshandeling vernietigt waarbij [appellant] het bedrag van EUR 190.044,79 aan [geïntimeerde] heeft afgegeven en [geïntimeerde] veroordeelt dit bedrag aan [appellant] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

c) meer subsidiair [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van EUR 190.044,79, te vermeerderen met de wettelijke rente, in alle gevallen vermeerderd met de proceskosten.

7.3. [appellant] heeft in hoger beroep de grondslag van zijn vordering aangevuld en daaraan de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

7.3.1. [appellant] heeft het bedrag van EUR 190.044,79 niet als gift ter beschikking gesteld, maar als geldlening. Daaraan doet niet af dat geen afspraken zijn gemaakt over (de wijze van) terugbetaling van dit bedrag. Partijen hebben besloten dat [appellant] zelf in Nederland een hypothecaire lening zou aangaan en met het geleende bedrag de hypothecaire schuld van [geïntimeerde] zou aflossen. Afgesproken is dat [geïntimeerde] zich zou inzetten voor [de stichting], daarmee inkomsten zou verwerven en aldus [appellant] zou helpen bij het aflossen van de hypotheekschuld. Dit betekent dat, indien er al sprake is van een gift of een schenking, deze onder voorwaarden is gedaan.

7.3.2. De rechtshandeling tussen partijen - te kwalificeren hetzij als een overeenkomst van geldlening, hetzij als een andere overeenkomst - dient op de voet van artikel 3:44 lid 3 BW te worden vernietigd, nu deze door wilsgebreken tot stand is gekomen.

7.3.3. Van de kant van in ieder geval [appellant] is een affectieve relatie ontstaan en [geïntimeerde] heeft [appellant] in die opvatting bevestigd. [geïntimeerde] heeft [appellant] met een beroep op die relatie, door het voorwenden van financiële nood en inzet voor een gemeenschappelijk ideaal, bewogen tot het ter beschikking stellen van EUR 190.044,79 zodat daarmee de hypothecaire schuld van [geïntimeerde] in de Verenigde Staten kon worden afgelost. [geïntimeerde] was, nadat [appellant] dit bedrag betaald had, opeens van mening dat de relatie tussen partijen geen toekomst had. [geïntimeerde] heeft [appellant] dit geld afhandig gemaakt onder het mom van een geldlening. [geïntimeerde] heeft nooit de intentie en/of de mogelijkheid gehad dit bedrag terug te betalen. [geïntimeerde] heeft jegens [appellant] onrechtmatig gehandeld als gevolg waarvan [appellant] schade heeft geleden voor een bedrag van EUR 190.044,79.

7.3.4. [geïntimeerde] is ten koste van [appellant] ongerechtvaardigd verrijkt. Deze verrijking is ongerechtvaardigd doordat [geïntimeerde] alle banden met [appellant] heeft verbroken.

7.4. [geïntimeerde] heeft de vordering gemotiveerd betwist. [geïntimeerde] heeft zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat [appellant] er zelf voor gekozen heeft het bedrag van EUR 190.044,74 te betalen, dat daaraan geen overeenkomst van geldlening tussen partijen ten grondslag ligt en dat [appellant] meermalen (bij e-mail) heeft bevestigd dat [geïntimeerde] niets aan [appellant] verschuldigd is. Er is sprake van een gift, althans van een overeenkomst van schenking. Van onrechtmatig handelen of van een wilsgebrek is geen sprake.

7.5. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 februari 2005 een comparitie van partijen bevolen. Deze comparitie heeft plaats gehad op 15 april 2005.

7.6. Bij vonnis van 7 september 2005 heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen.

7.7. Beide partijen zijn er van uit gegaan dat hun rechtsverhouding tussen partijen door Nederlands recht wordt beheerst. Het hof onderschrijft dit uitgangspunt, nu beide partijen in de voor dit geding relevante periode in Nederland woonplaats hadden.

7.8. Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.

7.9. [appellant] erkent dat tussen partijen nooit is gesproken over terugbetaling of aflossing door [geïntimeerde] inzake het door [appellant] voor [geïntimeerde] betaalde bedrag van EUR 190.044,74. Volgens [appellant] is afgesproken dat hij de hypothecaire schuld die [geïntimeerde] had, zou aflossen en dat [geïntimeerde] door werkzaamheden te verrichten voor [de stichting], althans zich voor [de stichting] in te zetten, [appellant] zou helpen met het betalen van de door hem verschuldigde rente. Deze stellingen kunnen niet leiden tot de conclusie dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening is gesloten. Met de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat er van een dergelijke overeenkomst tussen partijen geen sprake is.

7.10. [appellant] heeft voorts betoogd dat [geïntimeerde] de afspraak niet is nagekomen om [appellant] financieel te helpen bij het voldoen aan diens financiële verplichtingen als gevolg waarvan [appellant] schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 190.044,74. Ook in die stelling kan het hof [appellant] niet volgen. Uit de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] de schijn heeft opgewekt dat hij op lange termijn [appellant] zou helpen met het aflossen van de schuld, begrijpt het hof dat [appellant] er hooguit van uit ging dat er ooit een moment zou komen waarop [geïntimeerde] zou gaan participeren in de schuld aan de Rabobank. [appellant] heeft zich moeten realiseren dat dit moment alleen dan zou aanbreken indien de werkzaamheden of inzet voor [de stichting] door [geïntimeerde] inkomen zou(den) opleveren. Gesteld noch gebleken is dat dit een reële verwachting was en evenmin dat partijen enig beeld hadden over de omvang van dat mogelijke inkomen. Op dat punt heeft [appellant] niets gesteld. [appellant] heeft dus moeten begrijpen dat alle afspraken over een in de toekomst door [geïntimeerde] te verdienen inkomen een ongewis en voorwaardelijk element bevatten. Niet-nakoming door [geïntimeerde] van de door [appellant] gestelde - en door [geïntimeerde] betwiste - afspraak om op deze wijze te participeren in zijn schuld aan de Rabobank kan dus niet tot de conclusie leiden dat [appellant] tot het bedrag van EUR 190.044,74 schade heeft geleden.

7.11. Op het vorenstaande stuiten de stellingen af die inhouden dat er sprake is van schenking onder de voorwaarden dat [geïntimeerde] zich zou inzetten voor [de stichting], daarmee inkomsten zou verwerven en aldus [appellant] zou helpen bij het aflossen van de hypotheekschuld.

7.12. Nu er, zoals in rechtsoverweging 7.9. is aangegeven, geen sprake is van een overeenkomst van geldlening, behoeft de stelling dat deze is gesloten onder invloed van een wilsgebrek, geen bespreking.

7.13. Ook indien er geen sprake is van een overeenkomst van geldlening, maar van een andere overeenkomst of van een eenzijdige rechtshandeling, is deze volgens [appellant] tot stand gekomen onder invloed van een wilsgebrek. Hieraan legt [appellant] deels dezelfde stellingen ten grondslag als hiervoor besproken. Daarenboven stelt [appellant] dat [geïntimeerde] wist of moest weten dat [appellant] heeft besloten het bedrag van EUR 190.044,74 te betalen omdat hij ervan uit ging dat [geïntimeerde] zich definitief in Nederland had gevestigd en zich zou inzetten voor [de stichting]. [geïntimeerde] heeft volgens [appellant] opzettelijk verzwegen dat hij - [geïntimeerde] - van plan was op korte termijn naar de Verenigde Staten te vertrekken en [appellant] definitief te verlaten.

7.14. Het hof overweegt als volgt. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij eind 2003 van plan was [appellant] te verlaten en terug te keren naar de Verenigde Staten. Volgens [geïntimeerde] veranderde het gedrag van [appellant] jegens [geïntimeerde] begin januari 2004, nadat [appellant] het bedrag had overgemaakt, zodanig dat de situatie onhoudbaar werd en is [geïntimeerde] om die reden teruggekeerd naar de Verenigde Staten. Tegenover deze betwisting door [geïntimeerde] staan geen feiten en omstandigheden die leiden, mits bewezen, tot de conclusie dat [appellant] door [geïntimeerde] is bedrogen doordat deze het vooropgezette doel had [appellant] te verlaten nadat deze het geld zou hebben betaald. Het hof gaat er dus van uit dat van bedrog geen sprake is. Hetgeen [appellant] overigens heeft gesteld, kan evenmin leiden tot de conclusie dat [appellant] heeft gedwaald of dat [geïntimeerde] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. De enkele stelling dat [appellant] door zijn gevoelens van liefde voor [geïntimeerde] werd gedreven om diens schuld af te lossen, is onvoldoende. Dit wordt niet anders door de mededeling van [geïntimeerde] dat hij in de Verenigde Staten hypothecaire verplichtingen had. Vast staat immers dat [geïntimeerde] deze verplichtingen daadwerkelijk had en ook staat vast dat [appellant] wist dat [geïntimeerde] de praktijk die hij in de Verenigde Staten had en waarmee hij daar zijn inkomen verdiende, in Nederland niet kon voortzetten. Daar komt bij dat [appellant] niet de door [geïntimeerde] gestelde reden voor zijn terugkeer naar de Verenigde Staten heeft betwist, voor zover gelegen in het gedrag van [appellant].

7.15. Nu [appellant] het door hem gestelde misbruik van omstandigheden volstrekt ontoereikend heeft onderbouwd en de door [geïntimeerde] genoemde redenen voor zijn vertrek niet heeft betwist, ziet het hof geen reden [geïntimeerde] te belasten met het bewijs dat de gift of schenking niet door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen (artikel 7:176 juncto artikel 7:186 BW).

7.16. De stellingen die inhouden dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, zijn gelet op het vorenstaande onvoldoende onderbouwd en feitelijk toegelicht, zodat het hof ook deze stellingen verwerpt.

7.17. Uit het hiervoor overwogene volgt dat [geïntimeerde] door de betaling door [appellant] is verrijkt en dat [appellant] door deze betaling is verarmd. Voor een terecht beroep op ongerechtvaardigde verrijking is echter ook vereist dat de verrijking ongerechtvaardigd is. [appellant] heeft het bedrag, naar hij heeft gesteld, overgemaakt met de bedoeling daarmee de hypothecaire schuld van [geïntimeerde] af te lossen. Uit die stelling volgt dat voor de verrijking een grondslag bestaat, zodat de verrijking niet ongerechtvaardigd is. De vordering van [appellant] is derhalve ook op deze grondslag niet toewijsbaar.

7.18. Nu de vordering van [appellant] op geen van de door hem aangevoerde grondslagen toewijsbaar is, dient deze te worden afgewezen. De grieven worden verworpen en het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde].

8. De uitspraak

Het hof:

I. bekrachtigt het vonnis van 7 september 2005 waarvan beroep;

II. veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op EUR 1.120,- aan vast recht en op EUR 2.632,- aan salaris procureur;

III. verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter open-bare terechtzitting van dit hof op 15 januari 2008.