Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2720

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
C0601180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep (petitum sub 5 in de appeldagvaarding en mvg punt 3.1.) heeft [appellante] haar vordering vermeerderd. Zij vordert nu tevens toekenning van de volledige schadevergoeding ter hoogte van het bedrag van het misgelopen pensioen, zulks vanaf 19 november 2004 (datum overlijden van [persoon 1]) tot de overlijdensdatum van [appellante]. Zij wijst er in dat verband op (mvg punt 6.2.) dat zij bij brief van 15 december 2005 aan het ABP (prod. VII mvg) en in een door haar geschreven brief (in dit geding als productie VI bij memorie van grieven overgelegd) opgave heeft gedaan van haar schade (rond

€ 1.000,- per maand).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2008, 25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolnr. C0601180/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 22 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [plaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 14 september 2006,

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

de STICHTING PENSIOENFONDS ABP,

gevestigd te Heerlen,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.M. Jonkergouw,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen vonnis van 21 juni 2006 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - het ABP - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 212102 rolnr. 06-111)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] onder overlegging van producties acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft het ABP de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna hun standpunten doen bepleiten, waarbij voor [appellante] optrad mr. R.G. Riemersma en voor het ABP mr. ing. J.G. van Ek.

Van de gehouden pleidooien zijn pleitnota's overgelegd.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van [appellante] strekken ten betoge dat de kantonrechter haar vordering ten onrechte heeft afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellante] is op 19 september 1997 gehuwd met de heer [persoon 1]. [persoon 1], geboren op [1915], was toen 82 jaar oud. [persoon 1] was vanaf 6 september 1940 gehuwd met mevrouw [persoon 2], totdat laatstgenoemde overleed op 7 september 1994.

b. [persoon 1] ontving vanaf 1 augustus 1973 een invalideitspensioen en vanaf 1 maart 1980 een ouderdomspensioen van het ABP.

c. Bij brief van 25 september 1997 (prod. IV mvg) heeft [persoon 1] aan het ABP medegedeeld dat hij op 19 september 1997 met [appellante] was gehuwd.

d. Bij brief van 28 augustus 1998 (prod. V mvg) heeft [appellante] aan het ABP het volgende verzocht:

"Geachte heer/mevr.

Mede namens mijn man zou ik graag van u willen vernemen wat mijn pensioenrechten zijn, na zijn overlijden.

Wilt u ons dit laten weten ?

(....)"

e. Op deze brief van 28 augustus 1998 heeft het ABP bij brief d.d. 21 september 1998 (prod. 1 inl. dagv), gericht aan [persoon 1], als volgt gereageerd:

"Geachte [persoon 1],

Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 28 augustus 1998 doe ik u onderstaand een opgave toekomen van het nabestaandenpensioen ingeval van uw vooroverlijden.

Het betreft de situatie per 01-09-1998.

ABP-pensioen per jaar bruto f 35. 287,34

bruto-pensioen per maand f 2. 940,61

bij - AOW-pensioen f 1. 639,22

totaal bij f 1. 639,22

f 4. 579,83

af - loonheffing (tariefgroep 2) f 606,41

(...)

totaal af f 606,41

netto-pensioen per maand f 3. 973,42

(....)

GHMM Maes

Servicemedewerker Pensioengerechtigden"

Onder de brief is in voorgedrukte letters vermeld:

"Deze inlichtingen worden onder alle voorbehoud verstrekt. Hierbij wordt in geen enkel opzicht vooruit gelopen op een te zijner tijd te nemen beslissing. Die beslissing zal worden genomen aan de hand van alle van belang zijnde stukken en naar de dan geldende bepalingen en toepassing daarvan".

f. [persoon 1] is op 19 november 2004 overleden.

g. Bij brief d.d. 1 december 2004 (prod. 2 inl. dagv.) heeft [appellante] bij het ABP een aanvraag ingediend voor een nabestaandenpensioen onder de vermelding: "Dit op grond van uw schrijven d.d. 21 september 1998, waarin u toezegging doet van dat nabestaandenpensioen."

h. Bij brief van 6 december 2004 (prod. IV inl. dagv.) deelt het ABP aan [appellante] het volgende mede:

"Geen nabestaandenpensioen van ABP

Uw huwelijkspartner ontving pensioen van ABP. Door zijn overlijden eindigt dit pensioen op 1 december 2004.

Wij hebben voor u gekeken of u in aanmerking komt voor een nabestaandenpensioen van ABP.

Helaas kunnen wij u geen ABP-nabestaandenpensioen toekennen, omdat uw huwelijk is gesloten na de ontslagdatum van uw huwelijkspartner. U bent getrouwd op 19 september 1997 en uw huwelijkspartner is met ontslag gegaan op 1 maart 1980. Vanaf die datum is ook zijn deelnemersschap bij ABP beëindigd."

4.2. [appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd het ABP te veroordelen tot nakoming van de bij brief d.d.

21 september 1998 gedane pensioentoezegging met betrekking tot het nabestaandenpensioen, zulks op straffe van een dwangsom, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

4.3. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen.

4.4. In hoger beroep (petitum sub 5 in de appeldagvaarding en mvg punt 3.1.) heeft [appellante] haar vordering vermeerderd. Zij vordert nu tevens toekenning van de volledige schadevergoeding ter hoogte van het bedrag van het misgelopen pensioen, zulks vanaf 19 november 2004 (datum overlijden van [persoon 1]) tot de overlijdensdatum van [appellante]. Zij wijst er in dat verband op (mvg punt 6.2.) dat zij bij brief van 15 december 2005 aan het ABP (prod. VII mvg) en in een door haar geschreven brief (in dit geding als productie VI bij memorie van grieven overgelegd) opgave heeft gedaan van haar schade (rond

€ 1.000,- per maand).

4.5. Het ABP heeft zich verzet tegen de vermeerdering van eis wegens strijd met de goede procesorde (mva punt 2).

4.5.1. Het hof acht dit verzet ongegrond, nu het ABP zijn stellingname op dit punt niet heeft onderbouwd en het hof de vermeerdering van eis overigens niet in strijd acht met de goede procesorde.

4.6. In grief I stelt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheidsstelling van het ABP geen onderdeel uitmaakt van het geschil.

Volgens [appellante] vormde een vordering tot schadevergoeding wel onderdeel van de de procedure in eerste aanleg, hoewel deze schade niet "in afzonderlijke zin" is gevorderd.

In grief IV stelt [appellante] verder dat de kantonrechter ten onrechte aan haar geen schadevergoeding heeft toegekend op basis van onrechtmatige daad door het ABP.

4.7. Deze beide grieven falen.

[appellante] heeft in eerste aanleg geen schadevergoeding gevorderd, niet op grond van onrechtmatige daad en ook niet op een andere grond, zodat de kantonrechter reeds daarom terecht geen schadevergoeding aan [appellante] heeft toegekend.

Omdat in de procedure voor de kantonrechter een dergelijke vordering in het geheel niet aan de orde was, was er voor aanvulling van rechtsgronden in het kader van een beoordeling van een dergelijke vordering ook geen plaats. Aan de kantonrechter was door [appellante] ook anderszins niet gevraagd een oordeel te geven over het bedrag van de schadevergoeding waarvoor [appellante] het ABP aansprakelijk had gesteld in haar brief d.d. 15 december 2005 (prod. VII mvg). De kantonrechter heeft dan ook terecht overwogen dat die aangelegenheid geen onderdeel uitmaakt van het voorliggende geschil.

In rov. 4.16. zal het hof ingaan op de in hoger beroep ingestelde vordering tot schadevergoeding.

4.8. De kantonrechter heeft geconcludeerd dat [appellante] aan de brief van het ABP van 21 september 1998 geen recht op nabestaandenpensioen kan ontlenen.

Daartoe wijst de kantonrechter op het hierboven geciteerde voorbehoud dat is vermeld in die brief.

Een beroep op een dergelijk voorbehoud is, aldus de kantonrechter, niet beperkt tot gevallen waarin sprake is van wijziging van wets- of beleidsregels, en wijziging van omstandigheden of aanpassing van tabellen door bijvoorbeeld indexering. Op een aldus geformuleerd voorbehoud kan het ABP zich ook beroepen indien de inhoud van de brief in strijd is met de bepalingen en het systeem van het pensioenreglement van het ABP. Tussen partijen is niet in discussie dat van een dergelijke strijdigheid sprake is en dat de brief op een vergissing berust.

4.9. Tegen dit oordeel is grief II gericht. Volgens [appellante] legt de kantonrechter het voorbehoud veel te ruim uit en kan dit voorbehoud geen betrekking hebben op "de primaire inhoud van de brief als zodanig". Het hof begrijpt dat [appellante] hiermee bedoelt te zeggen dat het ABP zich tegenover haar niet op dit voorbehoud kan beroepen ten betoge dat [appellante] in het geheel niet in aanmerking komt voor een recht op nabestaandenpensioen. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij op grond van die brief erop mocht vertrouwen dat zij recht had op nabestaandenpensioen nu alle gegevens bij het ABP bekend waren.

4.10. Het hof is van oordeel dat [appellante] aan de inhoud van de brief van ABP d.d. 25 september 1997 geen recht op nabestaandenpensioen kan ontlenen.

4.10.1. De brief van het ABP is gericht aan [persoon 1], niet aan [appellante]. De brief houdt een opgave in van het bedrag van het nabestaandenpensioen per datum 1 september 1998 ingeval van vooroverlijden van [persoon 1], zulks als antwoord op het verzoek van [appellante], gedaan in haar brief van 28 augustus 1998. In beide brieven wordt geen melding gemaakt van de bijzondere situatie dat [persoon 1] eerst op zijn 82ste levensjaar met [appellante] is getrouwd.

4.10.2. Zoals blijkt uit het aan de voet van de brief van het ABP vermelde voorbehoud, strekt de brief ertoe inlichtingen te verstrekken, waarbij "in geen enkel opzicht" vooruit wordt gelopen op een te zijner tijd te nemen beslissing. Hieruit had [persoon 1] (en ook [appellante]) moeten begrijpen dat het ABP met het geven van bedoelde inlichtingen niet beoogde een pensioentoezegging te doen of een pensioenovereenkomst te sluiten. Dat is ook in het geheel niet de strekking van die brief. Zij hadden zich moeten realiseren dat het ABP met deze brief beoogde hen te informeren omtrent het bedrag van het nabestaandenpensioen indien ingeval van vooroverlijden van [persoon 1] dat pensioen tot uitkering zou

komen.

4.10.3. Nu de brief van het ABP ertoe strekte de brief van [appellante] van 28 augustus 1998 te beantwoorden, mochten [persoon 1] en [appellante] er in beginsel wél vanuitgaan dat [appellante] degene was die in aanmerking zou komen voor een nabestaandenpensioen en dat dit pensioen dus ten behoeve van haar tot uitkering zou komen. [persoon 1] en [appellante] wisten echter dat zich bij hen de bijzondere situatie voordeed dat zij waren gehuwd op een tijdstip dat [persoon 1] reeds 82 jaar oud was. Weliswaar was deze bijzondere situatie bij het ABP geregistreerd en heeft het ABP daarom foutief gehandeld door zonder controle daarop de onderhavige brief te laten uitgaan, maar, nu in de brief van

28 augustus 1998 van [appellante] zelf dit bijzondere gegeven niet was vermeld en evenmin uit de bewuste brief van het ABP op enigerlei wijze bleek dat dit gegeven door het ABP in aanmerking was genomen, terwijl bovendien uit het op de brief van het ABP gemaakte voorbehoud bleek dat een definitieve beslissing omtrent de toekenning van het recht op nabestaandenpensioen pas te zijner tijd zou worden genomen, moesten [persoon 1] en [appellante] rekening houden met de mogelijkheid dat het ABP op dit voorbehoud een beroep zou doen wanneer bij het nemen van de definitieve beslissing zou blijken dat aan [appellante] geen recht op nabestaandenpensioen toekwam omdat het pensioenreglement van het ABP daarin niet voorziet.

4.10.4. De kantonrechter heeft dan ook terecht aangenomen dat het ABP zich met betrekking tot de vergissing in het onderhavige geval kan beroepen op dit voorbehoud.

Grief II faalt daarom.

4.11. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ABP onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van "strijd met een beginsel van algemene bekendheid". De door [appellante] gevorderde nakoming van de gestelde pensioentoezegging kan dan ook niet reeds op deze grond worden afgewezen, aldus de kantonrechter. Het hof begrijpt dit oordeel aldus dat de kantonrechter de vordering van [appellante] niet reeds afwijst op de grond dat zij moest weten dat wie trouwt met een gepensioneerde man van 65 jaar of ouder, geen recht op nabestaandenpensioen heeft ingeval van vooroverlijden van die man, omdat dit gegeven van algemene bekendheid zou zijn.

4.11.1. Nu de kantonrechter de vordering van [appellante] niet op deze grond heeft afgewezen, heeft [appellante] geen belang bij behandeling van grief III. Overigens faalt deze grief, omdat deze uitgaat van een onjuiste lezing van het vonnis op dit onderdeel.

4.12. Grief V kan geen doel treffen omdat deze gericht is tegen een overweging die de beslissing van de kantonrechter niet draagt.

4.13. Grief VI faalt.

In de brief d.d. 21 september 1998 doet het ABP geen toezegging omtrent het nabestaandenpensioen, maar doet het ABP opgave van het bedrag van het nabestaandenpensioen, kennelijk in de veronderstelling dat [appellante] recht heeft op een nabestaandenpensioen ingeval van vooroverlijden van [persoon 1]. Indien en voorzover [persoon 1] en [appellante] deze opgave hebben opgevat als een toezegging, kan het ABP zich op het gemaakte voorbehoud

beroepen, zoals hierboven is overwogen.

4.14. Naar aanleiding van grief VII overweegt het hof het volgende.

Voor toepassing van de (anti)hardheidsbepaling van artikel 19.1 van het pensioenreglement van het ABP is geen plaats omdat het in het onderhavige geval niet gaat om een situatie waarin toepassing van het pensioenreglement van het ABP leidt tot een niet voorziene of niet beoogde uitkomst. Integendeel, toepassing van het pensioenreglement leidt tot een uitkomst die door partijen bij de pensioenregeling uitdrukkelijk wél is voorzien en beoogd en die dus met de strekking van het reglement overeenkomt.

Grief VII faalt dus.

4.15. Nu de grieven I tot en met VII falen, faalt ook grief VIII. Het beroepen vonnis moet worden bekrachtigd.

4.16. De (in hoger beroep toegevoegde) vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

4.16.1. [appellante] mocht er op grond van de brief van het ABP van 21 september 1998, mede gelet op het daarin opgenomen voorbehoud, niet vanuit gaan dat het ABP een beslissing had genomen aan haar een recht op nabestaandenpensioen toe te kennen. Die brief houdt geen toezegging van dien aard aan [appellante] in, doch behelst een opgave van het bedrag van het nabestaandenpensioen ingeval van vooroverlijden van [persoon 1].

4.16.2. Voorzover [persoon 1] en [appellante] na ontvangst van die brief uitgaven hebben gedaan die zij bij achterwege blijven van die brief niet zouden hebben gedaan en aldus schade hebben geleden, hebben zij de beslissing om die uitgaven te doen genomen in een situatie waarin het ABP hen nog geen zekerheid had verschaft over de vraag of voor hen een nabestaandenpensioen was voorzien. Nu het ABP hen die zekerheid nog niet had verschaft en hen dit gelet op de inhoud van de brief van 21 september 1998 duidelijk had moeten zijn, is de gestelde schade niet een gevolg van enig onrechtmatig handelen van het ABP, maar van de keuze van [persoon 1] en [appellante] om vooruitlopend op die zekerheid die uitgaven te doen.

4.16.3. Ook de vermeerderde vordering moet dus worden

afgewezen.

4.17. Als de in het ongelijk gestelde partij moet [appellante] worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af de vordering van [appellante], voorzover deze in hoger beroep is vermeerderd;

veroordeelt [appellante] in de kosten van dit geding, welke kosten, voorzover aan de zijde van het ABP gevallen, worden begroot op € 248,- wegens griffierecht en op € 2.682,- wegens salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Zweers-Van Vollenhoven en Van Rijen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 januari 2008.