Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2667

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
R200701226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging beschikking rechtbank wegens afwijzing verzoek omgangsregeling voor onbepaalde tijd, terwijl er sprake is van gezamenlijk gezag op grond waarvan het recht op omgang slechts voor bepaalde tijd kan worden geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

24 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200701226

Zaaknummer eerste aanleg: 80730/FA RK 07-887

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

procureur: mr. M.J.M. Strijbosch,

t e g e n

[B.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

procureur: mr. T.J.R. Knopper.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 31 oktober 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 13 november 2007, heeft de moeder verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en alsnog een omgangsregeling tussen haar en haar minderjarige zoon vast te stellen als het hof, al dan niet na het inwinnen van het advies van de Raad, voor de Kinderbescherming juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 december 2007, heeft de vader

verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit te ontzeggen, als zijnde onjuist en ongegrond en te bepalen dat de bestreden beschikking juist is en in stand kan blijven.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2007.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. M.J.M. Strijbosch,

- de vader, bijgestaan door mr. A.M.A. Kok-Verheijde,

- mevrouw M. van Dooren, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift,

- de producties, overgelegd bij het verweerschrift.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het op 30 juli 1996 te Kozakli (Turkije) gesloten huwelijk tussen de vader en de moeder is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] [Z.] (hierna: [Z.]) geboren.

4.2. Op 25 juni 2003 heeft de moeder het gezin verlaten. [Z.] is bij de vader blijven wonen. Bij beschikking van 20 december 2005 - verbeterd bij beschikking van 9 januari 2006 - heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 9 februari 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. Het ouderlijk gezag berust bij de ouders.

4.3. Bij genoemde echtscheidingsbeschikking zijn onder meer de beslissingen inzake het hoofdverblijf en de omgang pro forma aangehouden. Bij beschikking van 14 februari 2006 is een voorlopige omgangsregeling tussen de moeder en [Z.] vastgesteld. Verder is de raad verzocht om informatie over het verloop daarvan. Tevens is de raad om advies over de mogelijkheden van een definitieve structurele omgangsregeling gevraagd. Iedere beslissing is vervolgens pro forma aangehouden.

4.4. Bij beschikking van 8 maart 2006 heeft de rechtbank Roermond [Z.] per die datum onder toezicht gesteld van de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg voor een periode van één jaar. Deze beschikking is vervolgens op 30 augustus 2006 door dit hof vernietigd op grond van de volgende overwegingen.

De ondertoezichtstelling is in de eerste plaats uitgesproken om de omgang tussen [Z.] en de moeder vlot te trekken, aldus het hof. Uit de proefcontacten is gebleken dat voornoemde omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [Z.]. Voor zover omgang als deugdelijke grond voor de ondertoezichtstelling gold, is deze komen te vervallen. Van andere gronden als bedoeld in artikel 1:254 lid 1 BW is niet gebleken.

Het hof meent dat de enkele vrees voor scheefgroei in de ontwikkeling van [Z.] als gevolg van het ontbreken van contact met zijn moeder onvoldoende grond vormt om de ondertoezichtstelling te handhaven. Hetzelfde geldt voor de vrees dat [Z.] opstandig gedrag gaat vertonen vanwege de onmogelijkheid om de scheiding van zijn moeder goed te verwerken. Evenmin staat volgens het hof vast dat de vader, eventueel met vrijwillige hulpverlening, niet in staat zal zijn [Z.] in voldoende mate te ondersteunen.

4.5. Bij beschikking van 27 oktober 2006 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch het hoofdverblijf van [Z.] bij de vader bepaald. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. De omgang tussen [Z.] en de moeder kan niet in het belang van [Z.] worden geacht, aldus de rechtbank. Hierbij heeft de rechtbank de overwegingen van dit hof in de voornoemde beschikking van 30 augustus 2006 aangehaald.

Daarnaast heeft de rechtbank zich gebaseerd op het raadsadvies, zoals neergelegd in een brief van 29 juni 2006. De raad heeft in haar brief en later ter zitting van de rechtbank geadviseerd om momenteel geen omgang vast te leggen, aangezien de ontmoetingen met de vrouw voor [Z.] te belastend zijn gebleken.

Uit het verslag van Bureau Jeugdzorg van 15 juni 2006 is namelijk gebleken dat [Z.] tijdens de proefcontacten bij Bureau Jeugdzorg, ondanks de goede voorbereidingen, bijzonder angstig reageerde op de visuele ontmoetingen met zijn moeder en wegloopgedrag vertoonde.

De moeder heeft tegen deze beschikking geen hoger beroep ingesteld.

4.6. De moeder heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 26 juni 2007, aan de rechtbank Roermond opnieuw verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [Z.].

4.6.1. De rechtbank heeft bij beschikking waarvan beroep de moeder niet - ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De rechtbank heeft hiertoe aangevoerd dat niet is gebleken van een wijziging van omstandigheden.

4.6.2. In het beroepschrift stelt de moeder zich in de eerste plaats op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet gebleken is van een wijziging van omstandigheden te rekenen vanaf de eindbeschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2006 en dat op grond daarvan de moeder niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar verzoek.

Zij voert hiertoe aan dat zowel de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij haar beschikking van 27 oktober 2006 als de rechtbank Roermond bij de thans bestreden beschikking niets heeft overwogen en beslist met betrekking tot de eventuele tijdsduur van de ontzegging van het omgangsrecht. De beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch houdt volgens de moeder een miskenning in van het feit dat de wet in een geval waarin de ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag geen grondslag biedt voor een ontzegging van de omgang voor onbepaalde tijd.

De moeder is van mening dat de rechtbank Roermond met inachtneming van de genoemde miskenning door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onterecht heeft geoordeeld dat de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch slechts voor wijziging in aanmerking zou kunnen komen op grond van gestelde en vastgestelde gewijzigde omstandigheden.

Als tweede grief heeft de moeder aangevoerd dat de rechtbank Roermond ten onrechte geen wijziging van omstandigheden aanwezig heeft geoordeeld op grond van haar tijdens de zitting in eerste aanleg aangegeven bereidheid een extra GSM aan te schaffen ten behoeve van het contact in het kader van de omgangsregeling en het telefoonnummer daarvan aan de vader beschikbaar te stellen, alsmede haar mededeling dat zij de cursus gebarentaal heeft gevolgd en in haar huidige functie nog steeds met gebarentaal te maken heeft.

De moeder is tot slot uiterst bezorgd over de opvoedingssituatie van [Z.] mede gezien zijn extreme reactie op de moeder in het kader van de proefcontacten. Zij is van mening dat nader onderzoek en/of behandeling noodzakelijk is. Het gaat volgens de moeder om het belang van het kind. De formele uitspraak in de bestreden beschikking draagt niet bij tot een oplossing.

4.6.3. In het verweerschrift stelt de vader dat de rechtbank Roermond in de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld dat niet gebleken is van een wijziging van omstandigheden. De vader stelt daarnaast dat er in eerste aanleg noch in hoger beroep door de moeder wordt aangetoond dat enige wijziging van omstandigheden is opgetreden sinds de beschikking van de rechtbank

’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2006.

Ten aanzien van de eerste grief stelt de vader zich op het standpunt dat er geen sprake is van een ontzegging van de omgang voor onbepaalde tijd. De moeder kan immers bij wijziging van omstandigheden op ieder moment een verzoek bij de rechtbank indienen tot vaststelling van een omgangsregeling. De vader stelt dat deze wijziging zich niet heeft voorgedaan, zodat de rechtbank Roermond in de bestreden beschikking de moeder terecht en op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek.

Ten aanzien van de tweede grief brengt de vader het volgende naar voren. Hij stelt dat de moeder nog steeds, zonder dat hier een reden voor bestaat, weigert haar werkelijke verblijfplaats kenbaar te maken. Alleen al dit feit acht de vader voldoende reden om geen omgang te laten plaatsvinden; hij vindt het van groot belang om te weten waar [Z.] zou verblijven.

In 2003 is de moeder vertrokken naar Turkije met achterlating van [Z.] bij de vader. De vader vreest dat de moeder [Z.] mee zal nemen naar Turkije.

De vader stelt daarnaast dat het aanschaffen van een extra GSM door de moeder geen enkele zekerheid biedt voor de vader. De moeder kan immers de GSM op ieder moment uitzetten en niet beantwoorden. Wat betreft de cursus gebarentaal betwist de vader dat de moeder deze gevolgd zou hebben. Het is de vader bovendien niet duidelijk wat de huidige functie van de moeder is waarin zij te maken zou hebben met gebarentaal.

De moeder heeft volgens de vader geen enkele reden om bezorgd te zijn over de opvoedingssituatie van [Z.]. Uit alle rapportages en verklaringen van zowel de school alsmede huisartsen blijkt dat de vader perfect voor [Z.] zorgt. Het gaat goed met [Z.].

De vader concludeert dat de moeder [Z.] rust dient te gunnen. De raad heeft verklaard dat omgang tussen de moeder en [Z.] niet in belang van [Z.] is en de vader meent dat het niet in het belang van [Z.] is om wederom een onderzoek te laten plaatsvinden.

4.7. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen overweegt het hof als volgt.

4.7.1. Bij beschikking van 31 maart 2006, NJ 2006, 392, heeft de Hoge Raad

geoordeeld dat de wet geen grondslag biedt voor een definitieve ontzegging van omgang aan de ouder die mede met het gezag is belast. Wel is een tijdelijke schorsing van de omgang mogelijk en wel op grond van artikel 1:253a BW. Artikel 1:253a BW geeft de rechter niet de bevoegdheid een ouder die gezamenlijk met de andere ouder het gezag uitoefent, het recht op omgang voor onbepaalde tijd te ontzeggen (zie ook HR 18 november 2005, NJ 2005, 574).

Deze opvatting stemt ook overeen met het in de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel 30145. Hierin wordt het contact tussen het kind en beide ouders tot norm verheven. In de gevallen waarin de ouders na scheiding belast blijven met het gezamenlijk gezag is voorgesteld dat ouders bij de verdeling van de zorg en opvoedingstaken niet kunnen vastleggen dat het kind geen contact meer heeft met één van zijn ouders. Het wetsvoorstel biedt echter wel ruimte om, indien het belang van het kind dat vergt, tijdelijk geen contact tussen een ouder en zijn kind te laten bestaan.

4.7.2. Het hof oordeelt op grond van het voorgaande dat de rechtbank in de bestreden beschikking (alsnog) een termijn had dienen vast te stellen gedurende welke de omgang zou worden geschorst. Nu de rechtbank in de bestreden beschikking aan het voorgaande voorbij is gegaan, oordeelt het hof dat de eerste grief van de moeder slaagt. Het hof vernietigt derhalve de bestreden beschikking.

Omgang

4.7.3. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het thans nog steeds in strijd met de belangen van [Z.] is om een omgangsregeling tussen de moeder en [Z.] vast te stellen. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.7.4. Uit de brief van de raad van 29 juni 2006 is gebleken dat [Z.] een kwetsbaar kind is. Hij heeft naast zijn handicap (doofheid) een gesloten karakter en kan zich moeilijk uiten. De eerdere proefcontacten met de moeder zijn voor [Z.] te belastend geweest. Angst voor onbekende actie en reactie speelt hierbij een grote rol. [Z.] heeft veel structuur nodig, hetgeen hem ook geboden wordt op school en bij de vader. Door de onderlinge spanningen van de ouders en het feit dat er telkens onderlinge diskwalificatie en wantrouwen is, kan [Z.] geen rust en vertrouwen krijgen in omgang met beide ouders, aldus de raad.

4.7.5. Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat er nog steeds geen enkele communicatie is tussen partijen. De moeder is bang voor de vader en zijn familie en houdt daarom haar adres geheim. De vader heeft mede daarom geen vertrouwen in de moeder. Daarbij speelt een rol dat de moeder op 25 juni 2003 plotseling uit het gezin is vertrokken. Dat de moeder thans wellicht in staat is om door middel van gebarentaal met [Z.] te communiceren, is naar het oordeel van het hof niet voldoende om het geschonden vertrouwen weer te herstellen.

4.7.6. Het hof is van oordeel dat de omgang tussen [Z.] en de moeder tot 1 juli 2009 dient te worden geschorst.

4.7.7. Ten einde na 1 juli 2009 tot vaststelling van een omgangsregeling te kunnen komen, acht het hof het van belang dat de vader en de moeder in de eerste plaats het vertrouwen in elkaar herstellen. De moeder dient opnieuw het vertrouwen te winnen van zowel de vader als van [Z.]. Hiervoor is het van belang dat de moeder inziet welke impact haar (plotselinge) vertrek in 2003 op [Z.] en de vader heeft gehad. Het herwinnen van vertrouwen zou kunnen aanvangen met het verzenden van een kaart of een brief aan [Z.]. Daarnaast is het van belang dat de moeder helderheid verschaft aan de vader over haar (woon) situatie, haar dagelijkse bezigheden etc. De vader dient aan de andere kant open te staan voor het herstel van communicatie met de moeder om op die manier te bewerkstellingen dat het vertrouwen in elkaar - in het belang van [Z.] - weer wordt hersteld.

In de tweede plaats zal er, na het herstel van het vertrouwen over en weer, moeten worden gewerkt aan contactherstel tussen de moeder en [Z.].

Hierbij is het naar het voorhandse oordeel van het hof van belang dat er voor [Z.] professionele begeleiding wordt gezocht om hem voor te bereiden op dit contactherstel. Daarnaast is er voor de vader een belangrijke rol weggelegd om voor [Z.] een positief moederbeeld te creëren zodat [Z.] de rust krijgt zich voor te bereiden op en vertrouwen heeft in (toekomstige) omgang met de moeder.

Het verdient wellicht de aanbeveling dat ook partijen zelf bij een en ander professionele hulp zoeken.

4.8. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten compenseren.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 31 oktober 2007;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2006, voor zover daarbij het verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en [Z.], is afgewezen;

wijst het verzoek van de moeder thans om een omgangsregeling tussen haar en [Z.] vast te stellen af met dien verstande dat het recht op omgang van de moeder en [Z.] met elkaar wordt geschorst tot 1 juli 2009;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden, en Pellis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.