Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2663

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
R200701236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

24 januari 2008

Sector Civiel Recht

Rekestnummer R200701236

Zaaknummer eerste aanleg 161400/JE RK 07-1250

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de moeder,

procureur: mr. J.J.J.M. van Ruth,

t e g e n

de Raad voor de Kinderbescherming

regio Noord - en Zuidoost-Brabant, gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

hierna: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de heer [Y.], hierna: de vader;

- de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te Eindhoven, hierna: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 augustus 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 november 2007, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te vernietigen.

2.2. Het verweerschrift van de stichting is na de daarvoor geldende termijn ter griffie ingekomen, terwijl niet is gebleken dat dit verweerschrift al per fax op 1 december 2007 naar de (civiele) griffie van dit hof zou zijn verzonden; het verweerschrift van de stichting is - uiteindelijk - dan ook niet betrokken bij de behandeling van deze zaak.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2007.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de advocaat van de moeder, mr. J.J.J.M. van Ruth. De moeder is niet verschenen ter zitting; haar advocaat heeft gemeld dat zij door ziekte verhinderd zou zijn om de zitting bij te wonen;

- mevrouw M. van Dooren, namens de raad;

- de vader;

- mevrouw I.T.M. Hendriks, gezinsvoogdijwerker, en de heer H. van Ham namens de stichting.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de producties, overgelegd bij het beroepschrift.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en de moeder zijn te [geboorteplaats] [A.] ([geboortejaar]) en [B.] ([geboortejaar]) geboren, hierna: [A.] en [B.].

De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over hen. [A.] en [B.] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. Zij hebben omgang met de vader gehad, tot de moeder in oktober 2006 haar medewerking daaraan heeft gestaakt.

4.2. Bij beschikking waarvan beroep, heeft de rechtbank [A.] en [B.] voor de duur van één jaar onder toezicht van de stichting gesteld. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter heeft overwogen, dat gezien de stukken en gehoord de ter zitting verschenen personen, de in artikel 1:254 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) gestelde voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld. De kinderrechter heeft het voorts van groot belang geacht dat er in het kader van de ondertoezichtstelling zo spoedig mogelijk een omgangsregeling tussen de vader en de beide kinderen wordt opgestart.

De moeder kan zich niet met deze beslissing verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

4.3. In het beroepschrift stelt de moeder, kort gezegd, het volgende.

4.3.1. De moeder meent dat de rechtbank op onjuiste gronden is overgegaan tot de ondertoezichtstelling. Hiertoe voert zij onder meer het volgende aan.

Nadat de moeder zich in het najaar van 2006 met een hulpvraag voor [A.] heeft gemeld bij de stichting, is er hulpverlening vanuit Acute Zorg gestart.

De door Acute Zorg gestelde doelen zijn vervolgens bereikt waarna deze hulpverlening is geëindigd.

Vervolgens heeft de stichting diagnostische beelden opgesteld. Het laatste diagnostisch beeld dateert van 6 februari 2007.

De raad heeft op verzoek van de stichting een onderzoek ingesteld naar de opvoedingssituatie van [A.]. De moeder ontkent dat, zoals in het raadsrapport van 3 juli 2007 wordt gesteld, zij niet open zou staan voor hulpverlening ten behoeve van de kinderen dan wel alle hulp heeft afgewezen. Bovendien bevreemdt het haar dat door de raad tevens onderzoek is gedaan naar de situatie van [B.].

De moeder stelt dat de door de stichting beloofde intensief ambulante hulpverlening niet van de grond is gekomen. Ditzelfde geldt voor de speltherapie van [A.]. Na de hulpverlening van Acute Zorg heeft moeder geen hulp meer ontvangen. De stichting heeft op 17 augustus 2007 schriftelijk laten weten geen tijd te hebben voor de toewijzing van een gezinsvoogdijwerker. Uiteindelijk is dit per 4 oktober 2007 alsnog gebeurd. Er is echter geen plan van aanpak gemaakt.

De moeder constateert dat er inmiddels een jaar voorbij is gegaan na de door haar ingediende hulpvraag en dat het thans goed gaat met het gezin. Zij meent dat de zorgen met betrekking tot de kinderen die er destijds waren bij de stichting kennelijk niet erg groot zijn geweest nu de hulpverlening zo lang op zich heeft laten wachten.

4.4. De raad heeft ter zitting aangegeven dat de situatie rondom [A.] en [B.] ernstig is. Er is sprake van medische klachten bij [A.], terwijl [B.] problemen heeft op school. Daarbij speelt tevens de problematische omgangssituatie met de vader een rol. De raad heeft verklaard dat het hoger beroep van de moeder in deze zaak de raadsonderzoeker heeft verrast. De raad was - getuige onder meer het onder 12. gestelde in het raadsrapport van 3 juli 2007 - in de veronderstelling dat de moeder het eens was met de uitkomsten van het rapport.

4.5. De stichting heeft ter zitting verweer gevoerd.

4.5.1. De stichting stelt dat er de ondertoezichtstelling terecht is uitgesproken. Beide kinderen hebben een loyaliteits- probleem en hebben behoefte aan veiligheid en structuur. Hun ontwikkeling wordt op alle fronten bedreigd. Volgens de stichting lijkt de moeder open te staan voor hulpverlening, maar tot nu toe heeft zij alle hulp afgewezen.

Het plan van aanpak is wat vertraagd omdat er bewust voor gekozen is eerst contact met de moeder te leggen teneinde een goede samenwerking met haar te realiseren.

De moeder frustreert volgens de stichting de hulpverlening indien en zodra het niet loopt zoals zij het wil. Bij hulp in een vrijwillig kader worden de belangen van de kinderen volgens de stichting dan ook niet gewaarborgd.

Na een kennismakingsgesprek is in het kader van de ondertoezichtstelling vanaf oktober 2007 de hulpverlening gestart. Aan het plan van aanpak wordt thans gewerkt; het zal naar verwachting voor het einde van 2007 gereed zijn. Bij zowel de opvoedingssituatie van de moeder als de vader is hulp geïndiceerd, aldus de stichting ter zitting

4.6. De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij het op prijs stelt dat de hulpverlenende instanties de zorgen oppakken om zo doende [A.] en [B.] te helpen. Hij is het eens met de ondertoezichtstelling.

4.7. Het hof overweegt als volgt.

4.7.1. Artikel 1:254 lid 1 BW geeft de kinderrechter de bevoegdheid over te gaan tot een ondertoezichtstelling van een minderjarige indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4.7.2. Op grond hetgeen ter zitting en uit de stukken naar voren is gekomen is het hof, met de raad en de stichting en anders dat de advocaat van de moeder van oordeel dat de artikel 1:254 lid 1 BW gestelde voorwaarden voor ondertoezichtstelling in het onderhavige geval zijn vervuld. Ter onderbouwing van dit, eerder ook door de rechtbank uitgesproken, oordeel, wijst het hof onder meer op het raadsrapport van 28 juni 2007, het (concept) diagnostisch beeld van de stichting d.d. 6 februari 2007 alsook het in de tweede helft van 2006 door het Catharinaziekenhuis te [vestigingsplaats] verrichte psychologisch onderzoek aangaande [A.]. Hieruit komt, kort samengevat, het volgende beeld naar voren.

4.7.3. [A.] en [B.] laten op sociaal-emotioneel gebied klachtgedrag zien.

[A.] heeft last van woedeaanvallen, heeft geen echte vriendjes of vriendinnetjes en doet uitspraken waarvan betwijfeld wordt of deze op de waarheid berusten. [A.] kent een zeer lage zelfwaardering alsmede enkele depressieve tendensen. Zij kent daarnaast ook een hoge mate van angst alsook een gebrek aan gevoel van veiligheid. De indruk bestaat dat [A.] klem zit tussen de beide ouders en dat zij niet weet hoe ze hiermee om moet gaan.

[B.] is wisselvallig in haar gedrag. Ze zoekt conflicten en grenzen op, kan boos worden en ze is ook erg bepalend.

Beide kinderen lijken belast te worden met volwassen problematiek. Met name bij [A.] lijkt sprake te zijn van parentificatie. Daarnaast hebben [A.] en [B.] met regelmaat lichamelijke klachten, waarvan de oorzaak en het herstel niet altijd geheel duidelijk is.

[A.] en [B.] hebben er last van dat de ouders nauwelijks, dan wel op een zeer negatieve wijze, met elkaar communiceren. Zij proberen zich aan de tegenstrijdige verwachtingen van beide ouders aan te passen en komen daardoor volledig klem te zitten tussen de ouders. Dit maakt dat voor hen de situatie onverminderd onduidelijk en instabiel blijft.

Of er sprake is geweest van misbruik/mishandeling door de vader jegens [A.] is niet duidelijk geworden. Gesteld kan worden dat [A.] zich op negatieve wijze heeft geuit over de vader, maar geen uitlatingen heeft gedaan over misbruik/mishandeling. Duidelijk is wel dat [A.] verstoord gedrag laat zien. Misbruik of mishandeling zou hier een oorzaak van kunnen zijn. Aan het gedrag van [A.] kunnen echter ook legio andere oorzaken ten grondslag liggen. Daarbij kan worden gedacht wordt aan depressie, hechtingsproblematiek en persoonlijkheidsproblematiek.

4.7.4. Wat de moeder zelf betreft: uit vorenbedoelde stukken komt onder meer naar voren, dat zij zeer op het welzijn van [A.] en [B.] is betrokken, maar dat zij zich zeer wisselvallig en tegenstrijdig in haar uitspraken toont; illustratief hiervoor is onder meer de omstandigheid dat moeder thans appelleert tegen de door de rechtbank uitgesproken ondertoezichtstelling waar zij, getuige het raadsrapport van 28 juni 2007, nog zou hebben verklaard het eens te zijn met de ondertoezichtstelling, mede omdat er duidelijkheid in de opvoedingssituatie moet komen. Anderzijds komt de moeder erg overtuigend over, mede waardoor ze anderen op het verkeerde been zet. De situatie wordt hierdoor zeer verwarrend en er worden gemakkelijk foutieve/ineffectieve maatregelen getroffen. Deze factoren belemmeren de moeder om op een pedagogisch verantwoorde wijze te handelen in het belang van [A.] en [B.]. Een voorbeeld hiervan is het feit dat [A.] niet wilde deelnemen aan de door de stichting voorgestelde speltherapie. De moeder is hierin, onterecht zo oordeelt het hof, meegegaan, mede waardoor de speltherapie uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden.

4.7.5. Naar het oordeel van het hof dient er stabiliteit en continuïteit te komen in de opvoedingssituatie van [A.] en [B.]. De ouders dienen meer vertrouwen te scheppen door eenduidige signalen af te geven en afspraken na te komen, zodat [A.] en [B.] weten waar ze aan toe zijn. Om het loyaliteitsconflict en de bijbehorende gedragsproblemen op te lossen is er hulpverlening nodig. Hulpverlening in een vrijwillig kader is niet voldoende aangezien de moeder heeft laten zien onvoldoende betrouwbaar te zijn in haar medewerking en hulpvraag.

4.7.6. Wat betreft het contact/omgangsregeling tussen [A.], [B.] en de vader is het hof met de raad van mening dat dit zo snel mogelijk hervat dient te worden. Dit dient gedoseerd, begeleid en op een neutrale plek met behulp van een professional opgebouwd te worden.

4.7.7. Hoewel het spijtig is dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [A.] en [B.] verlaat op gang is gekomen, bestaat er, met name gelet op hetgeen ter zitting is gebleken, bij het hof de indruk dat er thans door de stichting voortvarend aan gewerkt wordt.

4.8. Het hof zal de bestreden beschikking op grond van het voorgaande bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 15 augustus 2007 ten aanzien van de ondertoezichtstelling van [A.] en [B.] .

Deze beschikking is gegeven door mr. Pellis, Smeenk-van der Weijden, Everaars-Katerberg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.