Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2643

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
R200700407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening hoogte eventueel mee te nemen zorg- en/of huurtoeslag bij wijziging belastbaar inkomen alimentatieplichtige door wijziging onderhoudsbijdrage.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WSdH

23 januari 2008

Sector civiel recht

Rekestnummer R200700407

Zaaknummer eerste aanleg 162308 FA RK 06-2870

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

de man,

procureur mr. M.C.A. Geerts,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

de vrouw,

procureur mr. J.E. Lenglet.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 30 januari 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 april 2007, heeft de man verzocht om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

I

- primair de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 18 april 2001 in die zin te wijzigen dat de daarin opgenomen partneralimentatie van € 841,62 bruto per maand gewijzigd wordt in een bedrag van € 80,-- per maand dat de man dient te voldoen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van haar levensonderhoud, met ingang van 9 maart 2006;

- subsidiair de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 18 april 2001 in die zin te wijzigen dat de daarin opgenomen partneralimentatie van € 841,62 bruto per maand gewijzigd wordt in een bedrag van € 80,-- per maand dat de man dient te voldoen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van haar levensonderhoud, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank;

- meer subsidiair de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 18 april 2001 in die zin te wijzigen dat de daarin opgenomen partneralimentatie ter hoogte van € 841,62 bruto wordt gewijzigd in een lager bedrag nader door het hof in goede justitie te bepalen, primair met ingang van 9 maart 2006, subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank;

II

- de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 18 april 2001 in die zin te wijzigen dat de daarin opgenomen partneralimentatie met ingang van 1 juli 2007 op nihil wordt gesteld, voor zover de man per 1 juli 2007 een

WW-vervolguitkering ontvangt;

III

- de alimentatieverplichting van de man te limiteren in duur, in die zin dat de alimentatieverplichting van de man ten behoeve van de vrouw zal eindigen één jaar na de datum van de door de rechtbank gewezen beschikking.

Kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift tevens houdende incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 3 juli 2007, heeft de vrouw verzocht in principaal appel het appel van de man af te wijzen en in incidenteel appel voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw recht doende het oorspronkelijk verzoek van de man strekkende tot nihilstelling van de alimentatie af te wijzen.

2.3. Bij verweerschrift in het incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 11 september 2007, heeft de man verzocht het door de vrouw ingediende incidenteel appel af te wijzen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift, het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel en het verweerschrift in incidenteel appel;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 12 januari 2007;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 23 april 2007, 23 mei 2007 en 17 augustus 2007;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 26 november 2007;

- het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 3 december 2007.

2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel.

4. De beoordeling in principaal en incidenteel appel

4.1. Partijen zijn op 18 december 1970 met elkaar gehuwd.

De tussen hen gewezen echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Breda van 6 februari 1998 is op 25 maart 1998 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. Bij beschikking van dit hof van 18 april 2001, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft het hof de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw - onder meer- vastgesteld op

fl. 1.580,-- (€ 716,97) per maand met ingang van 1 september 2000.

De bijdrage voor de vrouw beloopt ingevolge de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2006 € 841,62 per maand, met ingang van 1 januari 2007 € 856,77 per maand en met ingang van 1 januari 2008 € 875,62 per maand.

4.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voormelde beschikking van het hof gewijzigd aldus dat de daarin vastgestelde onderhoudsbijdrage voor de vrouw met ingang van 30 januari 2007 tot 1 juli 2007 nader is vastgesteld op

€ 444,-- per maand en met ingang van 1 juli 2007 nader is vastgesteld op € 168,-- per maand. De rechtbank heeft het verzoek van de man tot beëindiging van zijn onderhoudsverplichting afgewezen.

Van deze beschikking is de man in hoger beroep gekomen en heeft de vrouw incidenteel geappelleerd.

Ingangsdatum wijziging

4.4. De man stelt in zijn achtste grief dat de rechtbank ten onrechte de gewijzigde onderhoudsbijdrage in heeft laten gaan op de datum van de beschikking (30 januari 2007). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de man tot de datum van haar beschikking de oorspronkelijk verschuldigde bijdrage heeft voldaan en dat moet worden aangenomen dat de vrouw de door haar ontvangen gelden in de consumptieve sfeer heeft besteed. De man is het hier niet mee eens en is van mening dat de ingangsdatum 9 maart 2006, subsidiair de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg (3 juli 2006), dient te zijn omdat hij per 9 maart 2006 een hogere woonlast heeft gekregen (en gestegen ziektekosten) en hij de vrouw hiervan op de hoogte heeft gesteld bij brief van 22 maart 2006.

Het hof is van oordeel dat de ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdrage de (eerste dag van de maand van de) datum van indiening van het verzoekschrift dient te zijn, omdat de vrouw in ieder geval vanaf die datum rekening kon houden met een mogelijk lagere partneralimentatie. Dat zij de door haar ontvangen gelden geheel heeft opgesoupeerd, ligt in haar risicosfeer en mag naar het oordeel van het hof niet op de man worden afgewenteld.

Het hof zal derhalve de te wijzigen onderhoudsbijdrage in laten gaan op 1 juli 2006.

Behoefte vrouw

4.5. De man stelt - kort gezegd - in zijn eerste grief dat de vrouw (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien, in ieder geval met ingang van 30 januari 2008. Hij erkent dat de vrouw in 2001 ziek is geweest en geen arbeid kon verrichten, maar zij toont volgens de man niet aan wat zij voorafgaand en na haar ziekte heeft gedaan om arbeid te vinden en zichzelf aantrekkelijk te maken voor de arbeidsmarkt.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt als volgt.

De (huwelijksgerelateerde) behoefte van de vrouw bedraagt (onweersproken) € 2.100,-- bruto per maand.

Voor het hof staat vast dat er gedurende het huwelijk van partijen sprake was van een traditionele rolverdeling en dat de vrouw sinds 1973, het jaar van de geboorte van het oudste kind van partijen, geen arbeid meer heeft verricht. Zij is thans 58 jaar oud.

Uit de door de vrouw overgelegde brief van 26 november 2007 met bijlagen blijkt dat zij met ingang van 1 februari 2007 een (aanvullende) bijstanduitkering ontvangt en dat zij tot 1 februari 2008 is ontheven van de arbeidsverplichtingen op grond van haar leeftijd, arbeidsmarktperspectief en fysieke gronden. Voorts blijkt uit de diverse bijlagen van voornoemde brief van 26 november 2007, evenals uit de brief met bijlagen van 3 december 2007, dat de vrouw nog altijd medische klachten heeft die (deels) verband houden met de ziekte die zij ten tijde van de procedure bij dit hof in 2001 had en dat zij in de thuissituatie zowel huishoudelijke hulp als persoonlijke verzorging en verpleging ontvangt.

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat voldoende is gebleken dat de vrouw nu niet en ook niet binnen korte termijn door arbeid inkomsten kan verwerven, laat staan een inkomen van € 2.100,-- bruto per maand. Dit brengt mee dat de vrouw nog immer behoefte heeft aan de door haar verzochte bijdrage in haar levensonderhoud. De beschikking waarvan beroep zal in zoverre worden bekrachtigd.

Draagkracht man

4.6. De vrouw voert in haar tweede incidentele grief aan dat de man jegens de vrouw een onderhoudsverplichting heeft waarvoor hij zich zoveel als mogelijk dient in te spannen. Zij is van mening dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij pogingen heeft ondernomen om werk te vinden. Volgens haar dient de man arbeid te kunnen verrichten.

De man heeft dit gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt als volgt.

De man is 65 tot 80 % arbeidsongeschikt. Hij ontvangt een WAO-uitkering en aanvullend een WW-uitkering. Als laatste dienstbetrekking was de man docent Gezondheid en Welzijn op een lyceum. Dit betrof een tijdelijke dienstbetrekking omdat de voormalige docent zijn dienstverband had beëindigd en het vak na afloop van dat reeds lopende schooljaar zou worden afgeschaft. Op grond van de Werkloosheidswet heeft de man een sollicitatieverplichting. Hij stelt 1 à 2 maal per week te solliciteren op een aantal uren in het onderwijs, maar dat het tot op heden niet is gelukt om werk te vinden.

Gelet op zijn bijna volledige arbeidsongeschiktheid en zijn leeftijd (60 jaar) acht het hof het niet aannemelijk dat de man in staat is op korte termijn meer inkomsten dan die uit zijn WW-uitkering te genereren. Evenals de rechtbank zal het hof voor de bepaling van de draagkracht van de man dan ook uitgaan van de door de man ontvangen WAO-uitkering en de WW-(vervolg)uitkering.

4.7. De vrouw betwist in haar eerste incidentele grief de hoogte van de door de rechtbank meegenomen huurlast van de man. Zij is van mening dat de man, gelet op zijn onderhoudsverplichting, goedkopere huurruimte kon en kan vinden en zij verwijst naar de periode waarin de man bij een kennis woonde en twee kamers huurde tegen een huur van fl. 600,--/ € 272,23 per maand.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank meegenomen huurlast ten bedrage van € 468,83 per maand, al dan niet nog te verminderen met huurtoeslag waarover hierna onder r.o. 4.12 meer, redelijk is. Gelet op de leeftijd van de man (60 jaar) is het hof van oordeel dat hem een zelfstandige woonruimte toekomt en dat niet van hem kan worden verlangd dat hij, teneinde aan zijn onderhoudsverplichting te kunnen voldoen, wederom een kamer huurt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw een vergelijkbare huurlast heeft (€ 544,-- per maand, eventueel nog te verminderen met huurtoeslag). Dat de WW-uitkering en daarmee het inkomen van de man per 1 juli 2007 lager is geworden, mag naar het oordeel van het hof niet als gevolg hebben dat de man moet omzien naar andere woonruimte.

4.8. De rechtbank heeft in haar beschikking rekening gehouden met overige niet (volledig) vergoede ziektekosten, te weten € 26,-- per maand aan tandartskosten en € 34,-- per maand aan kosten voor psychotherapie.

De vrouw heeft in haar derde en vierde incidentele grieven aangevoerd dat met beide posten geen rekening dient te worden gehouden.

De man heeft in zijn vierde grief aangevoerd dat de kosten voor psychotherapie in werkelijkheid hoger zijn.

Wat betreft de tandartskosten constateert het hof dat deze kosten op zich niet zijn betwist. De man heeft uit geldgebrek getracht de behandeling voor nieuwe kronen zoveel mogelijk uit te stellen. Het hof is van oordeel dat het redelijk is om met een bedrag van € 26,-- per maand rekening te houden, te meer nu ter terechtzitting is gebleken dat ook de vrouw nieuwe kronen heeft laten zetten.

Wat betreft de kosten voor psychotherapie acht het hof het voldoende aannemelijk dat de man, gelet op de psychische beperkingen die tot zijn arbeidsongeschiktheid hebben geleid, psychotherapeutische behandeling nodig heeft. De man heeft echter nagelaten aan te tonen dat hij daadwerkelijk hogere kosten maakt dan de door de rechtbank meegenomen € 34,-- per maand, zodat het hof van dit bedrag uit zal gaan.

4.9. De man stelt in zijn zesde grief dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met herinrichtingskosten. Ten tijde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is de gehele inboedel aan de vrouw toegescheiden en kon de man goederen van zijn verhuurder lenen. Sinds 9 maart 2006 beschikt de man over andere woonruimte en heeft hij inboedelgoederen aan moeten schaffen ten bedrage van € 3.243,74. De man heeft een brief van de Postbank van 13 november 2006 overgelegd waaruit blijkt dat hij geen lening toegekend heeft gekregen omdat zijn besteedbare inkomen te laag was.

De vrouw stelt dat de man de uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vrijgekomen gelden had dienen te reserveren ten behoeve van de herinrichting. De man heeft dit standpunt van de vrouw gemotiveerd betwist.

Het hof acht het aannemelijk dat de man het geld dat hij uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft ontvangen reeds heeft opgemaakt aan advocaatkosten en de door hem teveel betaalde partneralimentatie.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat de man voor de herinrichting van zijn woning aan de [adres], waar hij na de echtscheiding een tijdje heeft gewoond, een bedrag van fl. 5.352,-- van de gezamenlijke rekening van partijen heeft opgenomen. Rekening houdend met dit bedrag (neerkomend op € 2.428,63) en de door de man voor zijn huidige woning aangeschafte goederen ter waarde van € 3.243,74, blijft de man nagenoeg binnen de richtlijn van de tremanormen

(€ 5.500,--). Het hof acht het derhalve redelijk om met een maandelijkse verplichting van € 125,-- ter zake van herinrichtingskosten rekening te houden.

4.10. De man voert in zijn vijfde grief aan dat de rechtbank onjuiste bedragen voor de inkomensafhankelijke zorgverzekeringspremie heeft gebruikt.

Het hof heeft geconstateerd dat de rechtbank inderdaad uit is gegaan van te lage bedragen en zal derhalve rekening houden met de inkomensafhankelijke zorgverzekeringspremies die uit de door de man overgelegde uitkeringsspecificaties blijken.

4.11. De zevende grief van de man betreft de lijfrentepremie ten bedrage van € 22,69 per maand, met welk bedrag de rechtbank volgens de man ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Hij stelt een pensioengat te hebben en heeft hiervoor een lijfrenteverzekering afgesloten.

Met de vrouw is het hof van oordeel dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw een hogere prioriteit verdient dan de lijfrenteverzekering en daarbij dat ook de vrouw geen (extra) pensioenvoorziening heeft. Het hof zal dus geen rekening houden met een lijfrentepremie.

4.12. In de tweede en derde grief stelt de man dat de door de rechtbank meegenomen huurtoeslag (€ 95,-- per maand) respectievelijk zorgtoeslag (€ 29,-- per maand) te hoog zijn, nu zijn belastbare inkomen door de verlaging van de onderhoudsbijdrage is gestegen en deze toeslagen op dit (gewijzigde) inkomen worden gebaseerd. De man heeft op basis van zijn huidige toetsingsinkomen becijferd dat hij geen huurtoeslag meer zal ontvangen en dat zijn zorgtoeslag € 3,-- per maand zal bedragen.

De vrouw erkent dat de door de rechtbank meegenomen bedragen te hoog zijn. Zij heeft de huurtoeslag van de man becijferd op € 72,-- per maand en de zorgtoeslag op € 25,-- per maand.

Het hof overweegt als volgt.

Nu de hoogte van het belastbare inkomen van de man bepalend is voor de hoogte van de huur- en de zorgtoeslag en de hoogte van de alimentatieverplichting van de man tegelijkertijd direct als fiscale aftrekpost van invloed is op de hoogte van het belastbare inkomen van de man, kan niet exact de hoogte van de toeslagen worden bepaald. Het hof zal deze dan ook bij benadering vaststellen.

Voor wat betreft de huurtoeslag overweegt het hof als volgt.

Voor 2006 becijfert het hof het belastbare inkomen van de man, uitgaande van de hierna onder r.o. 4.13 vermelde financiële gegevens, op € 29.508,--. Uitgaande van dit inkomen en na aftrek van de vaststaande (geïndexeerde) alimentatie van

€ 841,62 per maand voor de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 en de door de rechtbank vastgestelde (maximale) alimentatie van € 444,-- per maand voor de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007 (op basis van de voorgaande overwegingen en zoals hierna zal blijken zal het hof zeker niet hoger uitkomen), constateert het hof dat het toetsingsinkomen van de man (€ 21.794,--) hoger is dan het drempelbedrag voor huurtoeslag (€ 20.000,-- in 2006).

Voor 2007 becijfert het hof het belastbare inkomen van de man op € 26.909,-- , rekening houdend met de lagere WW-uitkering per 1 juli 2007 (uitgaande van de hierna onder r.o. 4.13 vermelde financiële gegevens). Na aftrek van een alimentatie van (maximaal) € 444, -- per maand voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 juli 2007 en (maximaal) € 168,-- per maand voor de periode van 1 juli 2007 tot 1 januari 2008 (€ 23.237,--), komt het hof tevens boven het drempelbedrag uit

(€ 20.300,-- in 2007).

Voor 2008 (uitgaande van de meest recente uitkeringsspecificatie van de WAO van juli 2007 en van de WW-gegevens conform beschikking) becijfert het hof het belastbare inkomen van de man op € 24.311,--. Na aftrek van een alimentatie van (maximaal) € 168,-- per maand (€ 22.295,--), komt het hof wederom boven het drempelbedrag uit (€ 20.600,-- in 2008).

Het voorgaande betekent dat het hof géén rekening zal houden met huurtoeslag.

Voor wat betreft de zorgtoeslag overweegt het hof als volgt.

Het drempelbedrag van de zorgtoeslag bedraagt € 26.071,-- in 2006 en 2007 en € 29.069,-- in 2008.

Uitgaande van het belastbare loon van € 29.508,-- in 2006, minus een alimentatie van € 841,62 per maand voor de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 en een alimentatie van € 444,-- per maand voor de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007 (komt neer op een toetsingsinkomen van € 21.794,--), zou de man in 2006 een zorgtoeslag van € 15,-- per maand ontvangen.

Rekening houdend met deze zorgtoeslag (€ 15,--) en verder conform de hierna onder r.o. 4.13 vermelde financiële gegevens, becijfert het hof voorts een partneralimentatie van € 155,-- per maand voor de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007. Nogmaals uitgaande van het belastbare inkomen van € 29.508,-- in 2006, minus een alimentatie van € 841,62 per maand voor de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 en een alimentatie van € 155,-- per maand voor de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007, zou de man in 2006 een zorgtoeslag ten bedrage van € 8,-- per maand ontvangen (toetsingsinkomen: € 23.528,--). Rekening houdend met deze zorgtoeslag (€ 8,--) en verder conform de hierna onder r.o. 4.13 vermelde financiële gegevens, becijfert het hof voorts een partneralimentatie van € 148,-- per maand voor de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007. Nogmaals uitgaande van het belastbare inkomen van € 29.508,-- in 2006, minus een alimentatie van € 841,62 per maand voor de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 en een alimentatie van € 148,-- per maand voor de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007, zou de man in 2006 ook een zorgtoeslag ten bedrage van € 8,-- per maand ontvangen (toetsingsinkomen:

€ 23.570,--).

Het hof acht het derhalve redelijk om voor 2006, meer specifiek voor de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007, uit te gaan van een zorgtoeslag van € 8,-- per maand.

Uitgaande van het belastbare inkomen van de man in 2007 van € 26.909,--, minus een alimentatie van € 159,-- per maand voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 juli 2007 en een alimentatie van € 0,-- (nihil) voor de periode van 1 juli 2007 tot 1 januari 2008 (beide alimentaties berekend op basis van de hierna onder r.o. 4.13 vermelde financiële gegevens, met dien verstande dat de zorgtoeslag op € 8,-- is gesteld), zou de man in 2007 een zorgtoeslag van € 2,-- per maand ontvangen (toetsingsinkomen: € 25.955,--). Rekening houdend met deze zorgtoeslag (€ 2,--) en verder conform de hierna onder r.o. 4.13 vermelde financiële gegevens becijfert het hof voorts een partneralimentatie van € 153,-- per maand voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 juli 2007. Bij deze alimentatie voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 juli 2007 zou de man ook een zorgtoeslag ten bedrage van € 2,-- per maand ontvangen (toetsingsinkomen: € 25.991,--). Het hof acht het derhalve redelijk om voor het jaar 2007 uit te gaan van een zorgtoeslag van € 2,-- per maand.

Uitgaande van het belastbare inkomen van de man in 2008 van € 24.311,-- en geen alimentatie (berekend op basis van de hierna onder r.o. 4.13 vermelde financiële gegevens, met dien verstande dat de zorgtoeslag op € 2,- is gesteld), zou de man in 2008 een zorgtoeslag van € 21,-- per maand ontvangen (toetsingsinkomen: € 24.311,--). Rekening houdend met deze zorgtoeslag (€ 21,--) en verder conform de hierna onder r.o. 4.13 vermelde financiële gegevens, becijfert het hof voorts (nog steeds) een partneralimentatie van € 0,-- (nihil) per maand met ingang van 1 januari 2008. Het hof zal derhalve voor 2008 rekening houden met een zorgtoeslag van € 21,-- per maand.

4.13. Met inachtneming van het voorgaande gaat het hof voor de bepaling van de draagkracht van de man uit van de navolgende gegevens:

a. Inkomen van de man

- met ingang van 1 juli 2006 tot 1 juli 2007: een WAO-uitkering van € 1.501,40 bruto per maand, nog te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag en een WW-uitkering van € 688,60 bruto per vier weken, inclusief vakantietoeslag;

- met ingang van 1 juli 2007: een WAO-uitkering van € 1.539,25 bruto per maand, nog te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag en een WW-vervolguitkering van € 245,56 bruto per vier weken, inclusief vakantietoeslag.

Het hof houdt voorts op jaarbasis rekening met:

- € 465,-- premie WW (5,2 % van € 688,60 per vier weken) tot 1 juli 2007;

- € 123,-- premie WW (3,85 % van € 245,56 per vier weken) met ingang van 1 juli 2007;

- € 150,-- premies SV tot 1 juli 2007;

- € 108,-- premies SV met ingang van 1 juli 2007;

- € 1.713,-- inkomensafhankelijke premie ziektekostenverzekering WAO en WW tot 1 juli 2007;

- € 1.401,-- inkomensafhankelijke premie ziektekostenverzekering WAO en WW met ingang van 1 juli 2007.

Daarnaast houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting (voor personen jonger dan 65 jaar).

Uitgaande van de bovenstaande gegevens becijfert het hof het besteedbaar inkomen van de man op (afgerond)

- € 1.709,-- netto per maand met ingang van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007,

- € 1.723,-- netto per maand met ingang van 1 januari 2007 tot 1 juli 2007,

- € 1.469,-- netto per maand met ingang van 1 juli 2007.

b. Maandelijkse lasten van de man

- het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande, exclusief de zogeheten woonkostencomponent;

- € 468,83 woninghuur;

- € 317,-- ziektekosten in 2006 (€ 96,78 premie zvw WAO plus € 45,93 premie zvw WW plus € 87,30 premie basisverzekering plus € 35,20 premie aanvullende ziektekostenverzekering(en) plus € 26,-- tandartskosten plus € 34,-- kosten psychotherapie minus € 8,-- zorgtoeslag);

- € 306,-- ziektekosten in 2007 (€ 99,46 premie zvw WAO plus € 17,29 premie zvw WW plus € 95,-- premie basisverzekering plus € 36,20 premie aanvullende ziektekostenverzekering(en) plus € 26,-- tandartskosten plus € 34,-- kosten psychotherapie minus € 2,-- zorgtoeslag);

- € 233,-- ziektekosten in 2008 (conform de ziektekostengegevens van 2007 met dien verstande dat de zorgtoeslag € 21,-- per maand bedraagt en minus het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie zvw ad € 54,--);

- € 4,72 premie begrafenisverzekering;

- € 125,-- herinrichtingskosten.

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscale voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel becijfert het hof de onderhoudsbijdrage voor de vrouw op

- € 148,-- per maand met ingang van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007;

- € 153,-- per maand met ingang van 1 januari 2007 tot 1 juli 2007;

- nihil met ingang van 1 juli 2007.

4.14. De beschikking waarvan beroep, dient dus te worden vernietigd uitsluitend met betrekking tot de daarin vastgestelde onderhoudsbijdrage voor de vrouw en voor het overige te worden bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 30 januari 2007, doch uitsluitend met betrekking tot de daarin vastgestelde onderhoudsbijdrage voor de vrouw;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2001 als volgt:

bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van

- € 148,-- per maand met ingang van 1 juli 2006 tot 1 januari 2007;

- € 153,-- per maand met ingang van 1 januari 2007 tot 1 juli 2007 en

- nihil met ingang van 1 juli 2007;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Draijer-Udo, Kranenburg en Philips en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.