Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2246

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-01-2008
Datum publicatie
21-01-2008
Zaaknummer
20-001891-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 245, 247 Sr.: betrouwbaarheid verklaringen/studioverhoren; verwerping scenario’s van ‘collaborative storytelling’ en mogelijke contaminatie van werkelijke en niet-werkelijke feiten; maximale proeftijd bij bijzondere voorwaarde (contactverbod ) niet drie jaren – zoals is gevorderd – maar twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001891-07

Uitspraak : 7 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 mei 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-825059-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, d.d. 1 oktober 2007 en 24 december 2007, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Op de terechtzitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- verdachte terzake het hem onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod van verdachte met betrekking tot [slachtoffer 2];

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 4.496,36 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd. Voorts constateert het hof dat de rechtbank heeft verzuimd te reageren op het verweer van de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, nu geen sprake zou zijn van een rechtsgeldige klacht van aangeefster [slachtoffer 2].

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 16 oktober 2006 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo en/of Nuenen, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren [in 1995]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het (onder de kleding) vastpakken en/of betasten van de buik en/of de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het kussen op de mond en/of het lichaam en/of de buik van die [slachtoffer 1] en/of

- het met zijn tong strijken langs de lippen van die [slachtoffer 1] en/of

- het (gedeeltelijk) uittrekken van de bikinibroek van die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) betasten van de vagina en/of borsten van die [slachtoffer 1] en/of

- het laten zien van zijn penis aan die [slachtoffer 1] en/of het tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] brengen en/of houden van zijn penis en/of het beetpakken van de hand van die [slachtoffer 1] en deze naar zijn penis brengen;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2001 tot en met

31 november 2001 te Geldrop, althans in Nederland, met M. ([slachtoffer 2]) [slachtoffer 2], geboren [in 1987], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte handboeien bij die [slachtoffer 2] omgedaan en/of die [slachtoffer 2] op bed geduwd en/of de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 2] (gedeeltelijk) uit gedaan/naar beneden getrokken/scheef getrokken en/of zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2001 tot en met

31 november 2001 in de gemeente Geldrop, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] (geboren [in 1987]), hebbende hij, verdachte,

- handboeien bij die [slachtoffer 2] omgedaan en/of

- die [slachtoffer 2] op bed geduwd en/of

- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 2] (gedeeltelijk) uitgedaan/naar beneden getrokken/scheef getrokken en/of

- (op) de vagina en/of clitoris van die [slachtoffer 2] geduwd en/of aangeraakt en/of gestreeld, althans (onder en/of over de onderbroek) de schaamstreek van die [slachtoffer 2] geaaid en/of gestreeld en/of aangeraakt.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 16 oktober 2006 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo en/of Nuenen, met [slachtoffer 1] (geboren [in 1995]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het (onder de kleding) vastpakken en/of betasten van de buik en/of de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het kussen op de mond en/of de buik van die [slachtoffer 1] en/of

- het met zijn tong strijken langs de lippen van die [slachtoffer 1] en/of

- het (gedeeltelijk) uittrekken van de bikinibroek van die [slachtoffer 1] en vervolgens betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het laten zien van zijn penis aan die [slachtoffer 1] en/of het tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] brengen van zijn penis en/of het beetpakken van de hand van die [slachtoffer 1] en deze naar zijn penis brengen.

2.

hij in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 31 november 2001 te Geldrop, met [slachtoffer 2], geboren [in 1987], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte handboeien bij die [slachtoffer 2] omgedaan en die [slachtoffer 2] op bed geduwd en de broek van die [slachtoffer 2] naar beneden getrokken en de onderbroek van die [slachtoffer 2] scheef getrokken en zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Feit 1

Ter terechtzitting in hoger beroep is door verdachte betoogd dat hij dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde, nu – kort gezegd – de verklaringen van de betrokken kinderen [slachtoffer 1], [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar en onjuist zijn en verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde niet heeft begaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 oktober 2007 heeft het hof de deskundige prof. Bullens opdracht gegeven nader onderzoek te verrichten naar de videobanden van de studioverhoren van [slachtoffer 1], [getuige 1] en [getuige 2] en naar de betrouwbaarheid van die verklaringen, waarbij het hof de deskundige Bullens een viertal onderzoeksvragen heeft gesteld.

Bij rapport van 6 december 2007 heeft de deskundige Bullens zijn bevindingen gerapporteerd. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen en de wijze waarop de studioverhoren met de kinderen zijn afgenomen, concludeert de deskundige Bullens onder meer – zakelijk weergegeven – het navolgende.

‘Zowel [slachtoffer 1], [getuige 1] als [getuige 2] vertellen veel spontaan. [slachtoffer 1] en [getuige 2] zijn bovendien beeldend in hun uitleg, ondersteunen hun verhalen met spontane gebaren. Voorts geven [slachtoffer 1] en [getuige 1] enkele keren aan iets niet (meer) te weten. De verklaringen zijn voorts niet volledig consistent. Deze inconsistenties betreffen echter perifere situaties, waarin het (vermeende) seksueel misbruik heeft plaatsgevonden en niet wat er de facto heeft plaatsgevonden (i.e. de kernaspecten van de [vermeende] seksueel misbruiksituatie). Alle drie de interviewers hebben voornamelijk open vragen gesteld en geen van de vijf instructies (hof: instructies krachtens het scenariomodel ‘Horen jonge getuigen’, zoals opgesteld door de Politieacademie) overtreden, waardoor de informatie die uit de studioverhoren naar voren komt, volledig afkomstig is van de kinderen zelf. [getuige 2] en [getuige 1] de facto (op begrijpelijke gronden: zij hebben immers niet alle [vermeende] misbruik meegemaakt) niet veel verklaren over het (vermeende) seksuele misbruik, ondersteunen ze de (uitgebreide) verklaring van [slachtoffer 1] voldoende, om – in combinatie met de andere overwegingen – te kunnen spreken van drie in voldoende mate betrouwbare verklaringen.’

Voorts constateert de deskundige Bullens dat niet is gebleken van duidelijk motieven voor het (laten) afleggen van een valse cq. onware verklaring door de betrokken kinderen, dat daarnaast weliswaar duidelijk is dat er tussen de kinderen onderling is gesproken over het (vermeende) misbruik, maar dat tegen het scenario van ‘collaborative storytelling’ pleit dat er inconsistenties bestaan tussen de verschillende verklaringen van de kinderen.

Tenslotte constateert de deskundige Bullens dat in de onderhavige zaak theoretisch gesproken de nodige ruimte is geweest voor het ontstaan van ‘ruis’ (i.e. mogelijke contaminatie van werkelijke en niet-werkelijke feiten), nu er door de ouders enkele malen met [slachtoffer 1] is gesproken over het (vermeende) seksuele misbruik, maar dat opnieuw tegen dit scenario pleit dat niet van enig motief blijkt om een ‘verhaal’ te creëren en voorts dat de aanleiding tot aangifte door de moeder van [slachtoffer 1] uiteindelijk was dat de moeder en vader van [slachtoffer 1] zelf de door verdachte aan [slachtoffer 1] gestuurde sms-berichten hebben gelezen.

Gelet op de analyse van prof. Bullens en ook overigens ziet het hof geen gronden voor twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen. Het hof constateert dat de verklaring van [slachtoffer 1] op belangrijke punten wordt gesteund door de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2].

Voorts constateert het hof dat de verklaringen van de betrokken kinderen deels overeenkomen met de verklaring van verdachte zelf, voorzover deze verklaard heeft dat hij bij een zwembadbezoek met [slachtoffer 1] een badhokje is ingegaan, dat hij haar in het zwembad heeft opgetild en met haar heeft gestoeid, dat [slachtoffer 1] in het zwembad op enig moment geen zwembroekje aan heeft gehad, dat hij haar bij andere gelegenheden op de mond heeft gezoend en dat [slachtoffer 1] op een zaterdagochtend bij hem is geweest en verdachte toen een badjas aanhad.

Daarnaast vindt de verklaring van [slachtoffer 1] steun in de verklaring van haar moeder, in zoverre dat die moeder bevestigt dat [slachtoffer 1] tegen haar heeft gezegd dat verdachte haar had gevraagd zich samen met hem in een kleedhokje om te kleden, dat verdachte haar de hele dag had vastgepakt en dat verdachte bij andere gelegenheden zijn blote buik tegen de hare duwde.

Het hof hecht derhalve geloof aan de verklaring van [slachtoffer 1], [getuige 1] en [getuige 2], en acht op grond van die verklaringen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor overwogen.

Feit 2

Ten aanzien van het verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde is door en namens verdachte betoogd dat – kort gezegd – de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] onbetrouwbaar is, nu zij pas vijf jaar na dato aangifte heeft gedaan van het misbruik, zij ook aanvankelijk door niemand is geloofd en de moeder van die [slachtoffer 2] heeft verklaard dat die [slachtoffer 2] ‘wel eens fantasieverhalen vertelde om zo de aandacht op zich te vestigen’.

De verklaring dient derhalve als onvoldoende betrouwbaar terzijde te worden geschoven en verdachte bij gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof heeft op de eerder genoemde terechtzitting van 1 oktober 2007 toegewezen het verzoek van de verdediging om aangeefster [slachtoffer 2] te horen. [slachtoffer 2] is vervolgens op

12 december 2007 gehoord bij de rechter-commissaris in de rechtbank ’s-Hertogenbosch, in het bijzijn van de raadsman van verdachte. [slachtoffer 2] heeft bij dit verhoor in grote lijnen haar verklaring bevestigd zoals is opgenomen in het proces-verbaal van aangifte van politie Brabant Zuid-Oost, mutatienr. PL2233/07-012972, d.d. 31 januari 2007.

Voorts bevindt zich in het dossier een politiemutatie met nr. 02-003259, d.d. 9 januari 2002, waarin wordt gerelateerd dat [slachtoffer 2] (hof: [slachtoffer 2]) de vriend van haar moeder (hof: verdachte) heeft beschuldigd dat hij haar gevingerd had.

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 2] voldoende betrouwbaar om die verklaring tot het bewijs te bezigen, op grond van het navolgende.

De verklaringen afgelegd door [slachtoffer 2] zijn afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien consistent en eenduidig, in het bijzonder waar het de aard en omvang van het seksueel misbruik door verdachte betreft. Dat die [slachtoffer 2] eerst in januari 2007 aangifte heeft gedaan van dit misbruik doet – anders dan de verdediging betoogt – niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaring. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat die [slachtoffer 2] blijkens voornoemde politiemutatie het seksueel misbruik reeds een paar maanden nadat het is voorgevallen naar buiten heeft gebracht.

Voorts vindt de verklaring van die [slachtoffer 2] ten dele steun in de verklaring van haar moeder [naam moeder] en de verklaring van [betrokkene 1], voorzover zij verklaren dat [slachtoffer 2] hen op 30 december 2001 heeft verteld dat verdachte haar handboeien om had gedaan en daarna had gevingerd, alsmede in de verklaring van verdachte zelf, voorzover deze heeft verklaard dat hij met die [slachtoffer 2] op bed heeft gestoeid en dat hij haar handboeien heeft omgedaan.

Het feit dat [slachtoffer 2] pas ruim vijf jaar na dato formeel aangifte heeft gedaan, doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van die aangifte. De algemene ervaring leert dat slachtoffers van seksueel misbruik vaak pas vele jaren nadien ertoe (kunnen) komen om aangifte te doen. De huidige regeling van de aanvang van de strafrechtelijke verjaringstermijn in art. 71, eerste lid, onder 3, Sr. (Wet van 7 juli 1994, Stb. 529) is gebaseerd op dit ervaringsgegeven.

Het hof is niet gebleken van serieuze aanwijzingen dat die [slachtoffer 2] welbewust een valse of onjuiste aangifte tegen verdachte heeft gedaan; evenmin is gebleken van enig motief van de zijde van die [slachtoffer 2] om valselijk jegens verdachte te verklaren.

Het hof constateert voorts – mede gelet op hetgeen onder 1 is bewezenverklaard – dat verdachte bij herhaling grensoverschrijdend gedrag vertoont wanneer het de omgang met (jeugdige) kinderen betreft. Naar verdachtes eigen verklaring schuwt hij het fysiek contact met kinderen niet, ook niet wanneer dit contact of gedrag naar objectieve maatstaven bezien als ongepast kan worden gekwalificeerd. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep meermalen aangegeven dat zijn gedrag in het licht van de aan hem geuite beschuldigingen een negatieve lading krijgt, waarmee verdachte eraan voorbij gaat dat die gedragingen in zichzelf reeds een ongepast en grensoverschrijdend karakter hebben of kunnen hebben.

Het hof acht zich op grond van het vorenoverwogene gesterkt in zijn overtuiging dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, en komt tot een bewezenverklaring daarvan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 245 juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezenverklaarde onder 2 primair is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de fysieke integriteit van zijn slachtoffers. Verdachte heeft niet geschroomd het in hem door de slachtoffers, alsook de ouders van de slachtoffers, gestelde vertrouwen te misbruiken door ontuchtige handelingen te plegen. Voorts constateert het hof dat de ingrijpende gevolgen die het onder 2 primair bewezenverklaarde voor het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft gehad – met welke gevolgen hij, als partner van de moeder van

[slachtoffer 2], (deels) bekend was – hem er niet van hebben weerhouden opnieuw en op ernstige wijze misbruik te maken van een minderjarig kind (feit 1).

Verdachte heeft daarnaast op geen enkele wijze blijk gegeven zich het door hem berokkende leed aan te trekken of rekenschap af te leggen van de emotionele en psychische schade die de door hem gepleegde ontuchtige handelingen bij zijn slachtoffers teweeg hebben gebracht of kunnen brengen.

Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

In de omstandigheid dat de verdachte door de sociale uitstoting in zijn woonplaats hard wordt getroffen en het feit dat hij de door de rechtbank opgelegde straf reeds heeft “uitgezeten” in voorarrest en het hof het niet noodzakelijk acht dat de verdachte nog terugmoet naar de gevangenis, vindt het hof aanleiding dezelfde vrijheidsstraf op te leggen als de rechtbank heeft gedaan.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof zal daarbij tevens als bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte zich gedurende een periode van na te noemen duur onthoudt van ieder contact met het slachtoffer [slachtoffer 2].

Het hof merkt hierbij op dat de aan een bijzondere voorwaarde te verbinden maximale proeftijd niet drie jaren bedraagt – zoals is gevorderd – maar twee jaren (zie HR 30 oktober 2007, LJN BB3999).

Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van EUR 25.844,95. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.500,--.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep deels opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering tot een totaalbedrag van EUR 10.206,36. Daarbij is de vordering ten aanzien van een aantal schadeposten verminderd, maar tevens in strijd met het bepaalde van artikel 421, derde lid van het Wetboek van Strafvordering verhoogd ten aanzien van de post psychologische behandeling. De vordering is ten aanzien van deze verhoging niet-ontvankelijk.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden ten aanzien van de volgende schadeposten. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering – met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen – tot na te noemen bedrag toewijsbaar is:

- Medische kosten psycholoog EUR 1.560,00

(tot en met de behandeling van de zaak in eerste aanleg)

- Telefoonkosten EUR 130,76

- Collegegeld EUR 1.139,25

- Smartengeld EUR 2.500,00

- Totaal: EUR 5.330,01

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep haar aanspraak op proceskosten ingetrokken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder

1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

2. Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende een periode van 2 (twee) jaren geen contact zal opnemen, zoeken of hebben - in welke vorm dan ook, ook niet via derden - met de in deze strafzaak genoemde en aan verdachte bekende, bij een algeheel contactverbod belang hebbende persoon [slachtoffer 2].

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een bedrag van EUR 5.330,01 (vijfduizend driehonderddertig euro en één cent) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 5.330,01 (vijfduizend driehonderddertig euro en één cent).

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 2], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 2], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 5.330,01 (vijfduizend driehonderddertig euro en één cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 57 (zevenenvijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. G.P.M.F. Mols,

in tegenwoordigheid van mr. D.J.H.M. Dieben, griffier,

en op 7 januari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.P.M.F. Mols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.