Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2216

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
C200501609
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De werknemer (monteur, 31 jaar) is tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden, waarbij hij gebruik maakte van een slijptol, een ongeval overkomen. Daardoor heeft hij een beschadiging aan de pezen van zijn middelvinger opgelopen, in verband waarmee hij twee operaties heeft ondergaan.

Hij heeft de werkgever aansprakelijk gesteld en vordert vergoeding van materiële schade ad € 45.000,00 en immateriële schade ad € 20.000,00. De werknemer heeft onder meer aangevoerd dat, indien het ongeval hem niet was overkomen, hij rond zijn 35ste jaar een goed betaalde baan als professioneel trainer op het gebied van motorcrossen had kunnen verwerven..

De werkgever heeft de door de werknemer gestelde gevolgen van het ongeval gemotiveerd betwist.

Het hof oordeelt dat de werknemer vorenbedoelde gevolgen onvoldoende heeft onderbouwd. De vergoeding van materiele schade wordt afgewezen. Ter zake van immateriële schade wordt € 2.000,00 toegekend, mede gelet op hetgeen Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan smartengeld hebben toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnr. C0501609/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 8 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 18 november 2005,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen:

PARTY- EN KARTCENTRUM [Y.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellant in incidenteel appel,

procureur: mr. J.J.S. Bezemer,

op het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 28 oktober 2004 en 1 september 2005 tussen principaal appellant - [X.] - als eiser en principaal geïntimeerde - [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 329745 03- 422)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, voorzien van één productie, heeft [X.] zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis van 1 september 2005 en, kort gezegd, tot veroordeling van [Y.] tot het betalen van € 45.000,00 ter zake van vergoeding van materiële schade en € 20.000,00 ter zake van vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met 15% buitengerechtelijke kosten, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 12 maart 2001 tot de dag der voldoening, met veroordeling van [Y.] in de kosten van beide procedures.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden. Voorts heeft [Y.] incidenteel appel tegen voormelde vonnissen ingesteld, daarin drie grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot niet ontvankelijk verklaring van [X.] in zijn vordering, althans hem deze te ontzeggen, en, bij vernietiging van het eindvonnis, [X.] te veroordelen aan [Y.] terug te betalen het door haar uit hoofde van dat (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) vonnis betaalde totaalbedrag van € 4.173,91 te verhogen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2005 tot de dag der voldoening, met veroordeling van [X.] in de kosten van beide procedures.

2.3. [X.] heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst voor de gronden van het principaal en het incidenteel appel naar de desbetreffende memories.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [X.], geboren op 2 maart 1970, is op 1 januari 2001 in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) [Y.] in de functie van monteur voor 20 uren per week.

4.1.2. Op 12 maart 2001 is [X.] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden, waarbij hij gebruik maakte van een slijptol, een ongeval overkomen. Daardoor heeft hij letsel aan zijn linkerhand opgelopen, te weten een beschadiging aan de pezen van zijn middelvinger.

4.1.3. [X.] heeft in verband met dat letsel twee operaties ondergaan. Vanaf 9 mei 2001 tot 16 oktober 2001 is hij onder behandeling geweest van een fysiotherapeut. Blijkens een verklaring van bedoelde fysiotherapeut A. Calatz van 5 april 2004 (productie 2 bij conclusie van repliek) was op 16 oktober 2001 de status praesens: “passieve mobiliteit van de vinger goed, kracht van de flexie nog beperkt tot kracht

2-3”.

4.1.4. Met ingang van 31 mei 2002 is het dienstverband tussen partijen beëindigd.

4.1.5. Op 17 februari 2003 is [X.] in dienst getreden van Sporttrend B.V. te [vestigingsplaats] als parttime instructeur. Met ingang van 18 augustus 2003 is hij door Sporttrend aangesteld als fitnesscoördinator bij Sporttrend voor 36 uren per week. Dit dienstverband is door de kantonrechter ontbonden. Vanaf 3 mei 2004 ontving [X.] een WW-uitkering.

4.1.6. [X.] heeft bij aangetekende brief van 13 februari 2002 [Y.] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade als gevolg van voormeld bedrijfsongeval. [X.] maakt jegens [Y.] aanspraak op vergoeding van de materiële en immateriële schade ten bedrage van € 45.000,00 respectievelijk € 20.000,00, en op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad 15% van de hoofdsom. [X.] heeft [Y.] in verband met haar weigering enige vergoeding aan [X.] te betalen, in rechte betrokken.

4.1.7. De kantonrechter te ’s-Hertogenbosch heeft bij vonnis van 28 oktober 2004, kort gezegd, overwogen dat [Y.] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en [X.] toegelaten te bewijzen dat hij ten gevolge daarvan de door hem begrote materiële schade heeft geleden en voorts aan [X.] verzocht de door hem gestelde immateriële schade nader te onderbouwen en met relevante bescheiden te staven.

4.1.8. Nadat de kantonrechter op verzoek van [X.] drie getuigen (te weten [X.] zelf, zijn partner [A.] en zijn vader [B.]) had gehoord en [X.] nog stukken in het geding had gebracht, heeft de kantonrechter bij vonnis van 1 september 2005 een bedrag van € 1.589,02 vanwege materiële schade en een bedrag van € 2.000,00 vanwege immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente, toegewezen.

4.1.9. Van deze beslissingen zijn [X.] en [Y.] in hoger beroep gekomen.

4.2. [X.] heeft tegen het tussenvonnis van 28 oktober 2004 geen grieven geformuleerd. Hij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep van dat vonnis.

Finale kwijting

4.3. De eerste grief in het incidenteel appel is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis van 28 oktober 2004, inhoudende (kort gezegd) dat [X.] geen afstand heeft gedaan van zijn aanspraken op vergoeding van de schade ten gevolge van het ongeval.

4.3.1. [Y.] heeft daartoe het volgende aangevoerd. Partijen hebben, na geruime tijd te hebben onderhandeld, uiteindelijk overeenstemming bereikt. De advocaat van [Y.] heeft een overeenkomst opgesteld, waarin is vermeld dat partijen elkaar finale kwijting verlenen. Deze overeenkomst is door [Y.] ondertekend en eind november/begin december 2002 aan de advocaat van [X.] toegezonden. Bij brief van 12 december 2002 heeft de advocaat van [X.] de ook door [X.] ondertekende overeenkomst zowel per fax als per post naar de advocaat van [Y.] gestuurd. Nu partijen elkaar finale kwijting hadden verleend, dient [X.] in de onderhavige procedure niet ontvankelijk te worden verklaard, althans dient hem de vorderingen te worden ontzegd. Aldus [Y.].

4.3.2. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat partijen eind november/begin december 2002 een overeenkomst hebben gesloten waarbij zij elkaar finale kwijting ten aanzien van alle eventuele aanspraken hebben verleend. In de eerste plaats verdient opmerking dat de desbetreffende schriftelijke overeenkomst, waarop [Y.] zich beroept, noch in eerste aanleg noch in hoger beroep is overgelegd. Partijen zijn het erover eens dat in genoemde brief van de raadsman van [X.] van 12 december 2002 (die evenmin in het geding is gebracht) is vermeld dat [X.] ten aanzien van de loonaanspraken (onderstreping door hof) niets meer van [Y.] te vorderen heeft. Uit die vermelding kan worden afgeleid dat ten aanzien van andere geschilpunten, met name de door [X.] verlangde vergoeding van de schade als gevolg van het bedrijfsongeval, geen finale kwijting is verleend. Nu [Y.] niet heeft gereageerd op deze brief, mocht [X.] er redelijkerwijs op vertrouwen dat hij zijn aanspraken met betrekking tot vorenbedoelde schadevergoeding heeft behouden. Er zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken die tot een ander oordeel kunnen leiden. Het door [Y.] gedane (algemene) bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd. Daaruit volgt dat de eerste grief in incidenteel appel faalt.

Materiële schade

4.4. De grieven 2 en 6 in principaal appel en de derde grief in incidenteel appel hebben betrekking op het door de kantonrechter bij (eind)vonnis van 1 september 2005 vastgestelde bedrag van € 1.589,02 vanwege materiële schade. Dat bedrag is de optelsom van de kosten van het op verzoek van [X.] uitgebrachte expertiserapport (dat hierna aan de orde zal komen) ad € 1.471,32 en de kosten van de door [X.] opgevraagde medische informatie ad € 117,70.

4.4.1. [X.] heeft gesteld dat de door hem als gevolg van het bedrijfsongeval geleden en te lijden materiële schade een bedrag van € 45.000,00 beloopt. Ter staving van die stelling heeft hij medische stukken (producties 2 tot en met 7 bij conclusie van repliek) en een rapport van Groot Expertisebureau B.V., met bijlagen, van 21 april 2005 (hierna: het expertiserapport) inzake zijn verlies van arbeidsvermogen (productie 1 bij akte van 28 april 2005) in het geding gebracht.

[X.] heeft in dit verband onder meer het volgende aangevoerd. Sinds het ongeval heeft hij steeds last gehouden van zijn hand. Als gevolg van zijn handicap kan hij het precisie-monteurswerk niet meer verrichten en is zijn plan om samen met zijn vader een motorzaak te beginnen of de zaak die zijn vader al had uit te breiden, in duigen gevallen. Indien het ongeval hem niet was overkomen, zou hij, aldus [X.], rond zijn 35ste jaar een goede naam als motorcrosser opgebouwd hebben en zou een goed betaalde baan als professioneel trainer op het gebied van motorcrossen gemakkelijk voor hem te verwerven zijn geweest.

4.4.2. [Y.] heeft voormeld betoog van [X.] gemotiveerd betwist. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de toekomst- verwachtingen van [X.] voor het geval het ongeval hem niet zou zijn overkomen, surrealistisch zijn. [X.] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij loonderving heeft geleden. Het door [X.] in het geding gebrachte expertiserapport heeft niet geleid tot vaststelling van schade en ook niet tot vaststelling van aansprakelijkheid. Bovendien zijn deze kosten niet redelijk. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat [Y.] de kosten van dit rapport moet betalen. Aldus [Y.].

4.4.3. Het hof oordeelt als volgt.

4.4.4. De kern van het geschil is of en zo ja, in welke mate [X.] als gevolg van het ongeval beperkingen ondervindt en daardoor materiële (o.a. inkomens)schade lijdt.

4.4.5. Uit geen van de door [X.] overgelegde medische stukken kan worden afgeleid dat hij, als gevolg van het ongeval, medische beperkingen ten aanzien van zijn arbeidsvermogen (in de zin van verdiencapaciteit) heeft ondervonden (en nog steeds ondervindt), afgezien van de beginperiode waarin hij (zoals onder 4.1.3 vermeld) twee operaties in verband met het door hem (aan zijn linkerhand) opgelopen letsel heeft ondergaan en door een fysiotherapeut is behandeld.

Laatstbedoelde behandeling heeft geduurd tot 16 oktober 2001. Niet is gesteld of gebleken dat [X.] na 16 oktober 2001 nog een medische behandeling heeft ondergaan of dat nog een medische controle heeft plaatsgehad met betrekking tot zijn linkerhand.

De stelling van [X.] dat hij als gevolg van het letsel aan die hand geen precisie-monteurswerk meer kan doen, wordt niet door medische bescheiden gestaafd. Aan de verklaringen van de op verzoek van [X.] in eerste aanleg gehoorde getuigen (onder wie zijn vader) komt in dit ver-band onvoldoende gewicht toe.

Voorts is van belang dat [X.] (zoals hij als getuige heeft verklaard) na de beëindiging van het dienstverband met [Y.] een aantal sporttechnische diploma’s heeft gehaald om sportlessen te kunnen verzorgen bij een fitnesscentrum en dat hij daadwerkelijk bij diverse fitnesscentra, waaronder Sporttrend in Veghel, aan het werk is gegaan. Tijdens het dienstverband met Sporttrend, vanaf 17 februari 2003 als instructeur voor 20 uren per week respectievelijk per 18 augustus 2003 als fitnesscoördinator voor 36 uren per week, verwierf [X.] een hoger inkomen dan voorheen bij [Y.]. Dat aan het dienstverband tussen [X.] en Sporttrend (per 1 mei 2004) een einde is gekomen, is niet te wijten aan het door [X.] aan zijn hand opgelopen letsel, maar (blijkens het op dit punt niet bestreden eindvonnis van de kantonrechter) aan een arbeidsconflict tussen Sporttrend en [X.].

4.4.6. Evenmin kan uit de in het geding gebrachte medische bescheiden worden afgeleid dat [X.] door vorenbedoeld letsel (langdurig) is belemmerd in het beoefenen van zijn hobby, te weten motorcross.

Wel blijkt uit het medisch dossier van het Catharina-ziekenhuis (productie 7 bij conclusie van repliek) dat [X.] vóór het ongeval in kwestie meermalen is geopereerd (onder andere in verband met een verbrijzeld bovenbeen) na (motorcross-)ongelukken.

Na het bedrijfsongeval heeft [X.] deelgenomen aan de Nederlandse kampioenschappen motorcross 2003. In 2004 heeft hij meegedaan aan (zoals hij heeft erkend) tien motorcross wedstrijden. Het hof leidt hieruit af dat [X.] kennelijk geen hinder heeft ondervonden van het letsel aan zijn hand. Medische bescheiden die kunnen aantonen dat [X.] als gevolg van het bij het bedrijfsongeval opgelopen letsel op een lager niveau en minder frequent is gaan motorcrossen, zijn niet overgelegd.

De verwachting van [X.] dat hij, het bedrijfsongeval weggedacht, op zijn 35ste als professioneel trainer op het gebied van motorcross werkzaam zou zijn, wordt door niets ondersteund. Dit laatste geldt ook voor de verwachting van [X.] dat hij een motorzaak met zijn vader zou hebben gehad, waaruit hij zich een aanzienlijk inkomen had kunnen verwerven. Het hof verwerpt dan ook de desbetreffende stellingen van [X.].

4.4.7. In het door [X.] overgelegde expertiserapport is niet ingegaan op de medische situatie van [X.]. Deze wordt (zoals op blz. 4 is vermeld) “als bekend verondersteld”.

Voorts is in het expertiserapport vermeld dat bij de berekening van het verlies van arbeidsvermogen onder meer de volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:

[X.] was bij [Y.] werkzaam als chef werkplaats. Het aantal uren per week bedroeg in eerste instantie 20, maar zou uitgebreid worden naar 40;

[X.] kon zijn werkzaamheden voor Sporttrend niet continueren vanwege de ernstige pijnen in zijn hand. Het ongeval weggedacht, had [X.] gedurende 40 uren per week kunnen werken.

[X.] zou, het ongeval weggedacht, naast zijn werkzaamheden als amateur crosser in België zijn gaan rijden, waarmee per week, elk jaar van februari tot en met november, dus 10 maanden, circa € 500,- prijzengeld verdiend kon worden.

4.4.8. Zoals [Y.] terecht heeft aangevoerd, zijn deze uitgangspunten onvoldoende onderbouwd en voorts strijdig met de feiten. [X.] vervulde niet de functie van chef werkplaats (zoals in het expertiserapport vermeld), maar die van monteur. De urenuitbreiding bij [Y.] is in het geheel niet onderbouwd. Voorts kan, blijkens het hiervoor overwogene, niet ervan worden uitgegaan dat [X.] - als gevolg van het bij het bedrijfsongeval opgelopen letsel aan zijn hand - tijdens zijn werkzaamheden voor, onder andere, Sporttrend of tijdens het motorcrossen (medische) beperkingen heeft ondervonden.

Aan het door [X.] overgelegde expertiserapport komt daarom geen betekenis toe.

4.4.9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de grieven 2 en 6 in principaal appel falen.

4.4.10. Nu het expertiserapport niet heeft bijgedragen aan de oordeelsvorming van het hof in gunstige zin voor [X.], is er geen grond om [Y.] te veroordelen tot betaling van de kosten van het rapport. [X.] dient de kosten daarvan ad € 1.471,32 zelf te dragen.

Daaruit volgt dat de derde grief in incidenteel appel slaagt. Tevens volgt daaruit dat [X.] aan [Y.] voormeld bedrag van

€ 1.471,32 moet terugbetalen. De desbetreffende vordering van [Y.] is toewijsbaar, nu het een vordering betreft die ertoe strekt de gevolgen van de - thans onjuist bevonden – veroordeling die bij het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken, aanstonds ongedaan te maken. Genoemd bedrag dient vermeerderd te worden met de onweersproken wettelijke rente vanaf 20 september 2005 tot de dag van algehele voldoening.

4.4.11. Tegen de toewijzing van het bedrag van € 117,70 ter zake van de kosten van medische informatie is geen grief gericht.

Immateriële schade

4.5. De grieven 3, 4 en 5 in principaal appel richten zich tegen het door de kantonrechter bij eindvonnis vastgestelde bedrag van € 2.000,00 ter zake van immateriële schade. In de visie van [X.] dient dit bedrag verhoogd te worden tot € 20.000,00.

[X.] heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Hij is nog steeds niet in staat om zijn hobby (motorcrossen) op hetzelfde niveau te beoefenen als vóór het ongeval. Gezien zijn relatief jonge leeftijd (31 jaar) ten tijde van het ongeval, zijn lange ervaring en zijn zeer succesvolle carrière tot dan toe,lag het in de lijn der verwachting dat hij binnen de motorcrosswereld nog lang succesvol zou kunnen zijn. Het ongeval heeft psychische gevolgen voor hem gehad, zoals bijvoorbeeld depressiviteit, prikkelbaarheid en gedragsverandering. Ook ondervindt hij hinder bij allerlei gewone dagelijkse bezigheden,zoals het strikken van veters, het uitruimen van een vaatwasser en het krachtzetten met een boormachine. Volgens [X.] heeft de kantonrechter hiermee onvoldoende rekening gehouden.

4.5.1. Dit betoog, dat door [Y.] gemotiveerd is betwist, wordt verworpen. Zoals hiervoor is overwogen, gaat het hof ervan uit dat [X.] als gevolg van het bedrijfsongeval geen (medische) beperkingen ondervindt bij het motorcrossen. Voorts gaat het hof ervan uit dat het letsel aan zijn hand [X.] niet belemmert bij het verrichten van de gewone dagelijkse bezigheden. Immers, de desbetreffende stelling van [X.] is onvoldoende feitelijk onderbouwd; desbetreffende medische bescheiden ontbreken. Dat laatste geldt ook voor de door [X.] gestelde psychische gevolgen van het ongeval. De verklaringen van de op verzoek van [X.] in eerste aanleg gehoorde getuigen zijn in dit verband van onvoldoende betekenis.

4.5.2. Bij de vaststelling van de immateriële schade heeft de kantonrechter terecht rekening gehouden met het feit dat [X.] in verband met het onderhavige letsel twee operaties heeft ondergaan en gedurende enige maanden fysiotherapie heeft gehad. Voorts gaat het hof, evenals de kantonrechter, ervan uit dat [X.] nog gedurende langere tijd enige hinder van het letsel ondervindt en dat hij bij slecht weer nog steeds pijn in zijn vinger ervaart. Hiermee rekening houdende, en voorts met de aard van de aansprakelijkheid en met hetgeen Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan smartengeld hebben toegewezen, acht het hof de door de kantonrechter op een bedrag van € 2.000,00 vastgestelde immateriële schade passend.

4.5.3. Het door [X.] aangeboden bewijs wordt, als niet ter zake dienend, gepasseerd.

4.5.4. Daaruit volgt dat ook de grieven 3, 4 en 5 in principaal appel falen.

Buitengerechtelijke kosten

4.6.1. De eerste grief in principaal appel houdt in dat de kantonrechter ten onrechte [Y.] niet heeft veroordeeld tot vergoeding aan [X.] van de buitengerechtelijke kosten van € 648,55, terwijl de kantonrechter (op blz. 5 van het eindvonnis) wel heeft overwogen dat deze kosten toewijsbaar zijn.

4.6.2. Het gelijk in dezen is, zoals ook [Y.] heeft erkend, aan de zijde van [X.]. Het hof zal [Y.] alsnog veroordelen tot betaling van genoemde kosten.

Proceskosten

4.7.1. De tweede grief in incidenteel appel houdt in dat de kantonrechter in het eindvonnis ten onrechte heeft bepaald dat iedere partij de eigen kosten van de procedure dient te dragen.

4.7.2. Die grief wordt verworpen. In eerste aanleg is [X.] voor een deel in het gelijk gesteld wat de vergoeding van de materiele en de immateriële schade betreft. Dat zijn desbetreffende vorderingen aanzienlijk hoger waren dan de door de kantonrechter toegewezen bedragen doet daaraan niet af, te minder nu [Y.] niet bereid was enig bedrag ter zake vergoeding aan [X.] te voldoen. Partijen zijn door de kantonrechter terecht als over en weer als in het ongelijk beschouwd. De proceskosten zijn daarom in eerste aanleg terecht gecompenseerd.

4.7.3. In principaal appel zijn partijen eveneens als over en weer in het ongelijk gesteld te beschouwen. De proceskosten daarvan zullen daarom eveneens gecompenseerd worden.

4.7.4. Dit laatste geldt ook voor de proceskosten in incidenteel appel.

4.8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het tussenvonnis van 28 oktober 2004 dient te worden bekrachtigd. Het eindvonnis waarvan beroep (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) dient voor een deel (te weten: ter zake van de materiële schade) te worden vernie-tigd en voor het overige te worden bekrachtigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, [Y.] veroordelen tot betaling van voormelde buitengerechtelijke kosten. Ten slotte zal [X.] worden veroordeeld om het onder 4.4.10. genoemde bedrag van € 1.471,32 (te vermeerderen met de wettelijke rente) aan [Y.] terug te betalen.

Voor de duidelijkheid zal het eindvonnis in zijn geheel worden vernietigd. Het dictum zal opnieuw worden geformuleerd.

5. De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel

verklaart [X.] niet–ontvankelijk in het hoger beroep van het tussenvonnis van 28 oktober 2004;

bekrachtigt het tussenvonnis van 28 oktober 2004;

vernietigt het eindvonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [Y.] om aan [X.] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

- € 117,70 ter zake van materiële schade;

- € 2.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 12 maart 2001 tot aan de dag van algehele voldoening;

- € 648,55 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg, van het principaal appel en van het incidenteel appel aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [X.] om aan [Y.] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen: € 1.471,32, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2005 tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Spoor en Walsteijn en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 8 januari 2008.