Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2177

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
20-001605-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

37a, 37b, 242 en 317 Sr.: Verminderd toerekeningsvatbare verdachte wordt veroordeeld ter zake van twee verkrachtingen, een afpersing, een poging tot verkrachting en twee pogingen tot afpersing. OM appel tegen strafhoogte. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten is het hof – anders dan de rechtbank – van oordeel dat het repressieve element van de op te leggen straf zwaarder dient te wegen dan de mogelijkheid om op korte termijn een aanvang te maken met een behandeling van verdachte. Veroordeling tot vier jaren gevangenisstraf. Het hof acht de uitgebrachte oorspronkelijke gedragskundige rapportages, mede bezien in het licht van de aanvullende rapportages, voldoende inzichtelijk en overtuigend. Het hof is derhalve van oordeel dat geen noodzaak bestaat voor een contra-expertise ten aanzien van het advies van de gedragsdeskundigen tot oplegging van TBS met dwangverpleging en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001605-07

Uitspraak: 2 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 april 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-845438-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de aan de appelakte gehechte schriftelijke opgave van bezwaren en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5 (eerste onderdeel) en 6 (eerste onderdeel) is ten laste gelegd. Het hoger beroep is derhalve niet gericht tegen de vrijspraak van de onder 5 en 6 telkens cumulatief ten laste gelegde pogingen tot diefstal met geweldpleging en pogingen tot verkrachting. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Bij vonnis, waarvan beroep, zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1],

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] geheel toegewezen. De vorderingen duren van rechtswege voort in hoger beroep. Laatstgenoemde benadeelde partij heeft zich voorts in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van haar oorspronkelijke vordering.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende:

- bewezen zal verklaren het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde;

- verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- zal gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en zal bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd;

- de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] geheel zal toewijzen, met telkens oplegging van de schadevergoedings-maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 september 2006 te 's-Hertogenbosch door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijk-he(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte meermalen die [slachtoffer 1], terwijl zij op een fiets reed, met een scooter/brommer heeft klemgereden en/of (vervolgens) ten overstaan van die [slachtoffer 1] zijn broek en/of onderbroek naar beneden heeft gedaan en/of dwingend/dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "Pijpen jij" en/of die [slachtoffer 1] (bij haar schouders) heeft vastgepakt en/of naar beneden/op haar knieën heeft geduwd en/of met haar hoofd in de richting van zijn penis heeft geduwd en/of zijn penis tegen de mond van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of heen en weer heeft bewogen en/of dwingend/dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze haar kleding moest uitdoen en/of dat ze op de grond op haar handen en voeten moest gaan zitten en/of op haar rug moest gaan liggen met haar benen wijd, en (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 11 november 2005 te 's-Hertogenbosch door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd en/of een vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die op een fiets rijdende [slachtoffer 2] een klap op de rug heeft gegeven en/of tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ga je mee neuken" en/of aan die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of ze daarvoor geld wilde hebben en/of die [slachtoffer 2] (vervolgens) met zijn scooter/brommer heeft klemgereden en/of die [slachtoffer 2] van haar fiets heeft getrokken en/of die [slachtoffer 2] heeft meegetrokken/-gesleurd naar een grasveld en/of die [slachtoffer 2] stevig heeft vastgehouden in een wurggreep en/of de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 2] naar beneden heeft getrokken en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

3.

hij op of omstreeks 1 december 2006 te 's-Hertogenbosch met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van 15,- euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- al rijdend op een bromfiets of scooter die [slachtoffer 3] (al rijdend op een fiets) inhaalde en/of

- zijn bromfiets of scooter keerde en vlak vóór die [slachtoffer 3] stopte, waardoor hij die

[slachtoffer 3] het fietsen belette en/of die [slachtoffer 3] moest stoppen en/of

- op luide en dwingende toon heeft gezegd "Je geld, pak je geld!" en/of

- vervolgens nog dwingender heeft gezegd "Je geld!!" en/of

- steeds dichter naar die [slachtoffer 3] toekwam;

4.

hij op of omstreeks 1 december 2006 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] te dwingen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3],

- die [slachtoffer 3] (al rijdend op een fiets) heeft ingehaald (al rijdend op een bromfiets of scooter) en heeft belet verder te fietsen door kort voor haar te stoppen en/of

- tegen die [slachtoffer 3] krachtig en dwingend heeft gezegd "Je moet me pijpen!" en/of

- vervolgens nog dwingender tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd "Je moet me pijpen" en/of

- vervolgens met zijn handen aan zijn broek heeft gerommeld,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

5.

hij op of omstreeks 1 december 2006 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van geld en/of enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft gehandeld als volgt:

verdachte

- is (al rijdend op een bromfiets of scooter) die [slachtoffer 4] (al rijdend op een fiets) gepasseerd en vervolgens gekeerd en/of

- is vervolgens naast die [slachtoffer 4] gaan rijden en/of

- heeft tegen (het voorwiel van) de fiets van die [slachtoffer 4] getrapt, waardoor die [slachtoffer 4] is gaan slingeren en in de berm is gekomen en/of

- heeft vervolgens, nadat die [slachtoffer 4] weer op haar fiets was gesprongen, nogmaals tegen (het voorwiel van) de fiets van [slachtoffer 4] getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij op of omstreeks 13 december 2006 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] te dwingen tot de afgifte van geld en/of enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft gehandeld als volgt:

verdachte

- is (al rijdend op een bromfiets of scooter waarvan het kenteken met plastic was afgeplakt) die [slachtoffer 5] (al rijdend op een fiets) gepasseerd en/of

- is vervolgens van zijn bromfiets of scooter afgestapt en/of

- is vervolgens naar die [slachtoffer 5] toegelopen, terwijl zijn gezicht was bedekt met een bivakmuts of een sjaal of een andersoortige bedekking, en heeft die [slachtoffer 5] (stevig) bij haar arm gepakt en/of

- heeft vervolgens meerdere malen, althans eenmaal, met een harde en/of dwingende stem tegen die [slachtoffer 5] gezegd “Stoppen” en/of “Afstappen”, waardoor die [slachtoffer 5] gedwongen werd om te stoppen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Naar het oordeel van het hof dient, overeenkomstig de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging, in het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde na “geweld” telkens “of” gelezen te worden als “en/of”. Het hof zal de tenlastelegging aldus verbeterd lezen, zodat deze komt te luiden zoals hiervoor weergegeven. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

Voor zover in de tenlastelegging overigens taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze eveneens verbeterd. De verdachte is daardoor evenmin geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6

ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 september 2006 te 's-Hertogenbosch door geweld en andere feitelijkheden

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn penis in de mond en vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte meermalen die [slachtoffer 1], terwijl zij op een fiets reed, met een scooter heeft klemgereden en ten overstaan van die [slachtoffer 1] zijn broek en onderbroek naar beneden heeft gedaan en dwingend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "Pijpen jij" en die [slachtoffer 1] bij haar schouders heeft vastgepakt en naar beneden heeft geduwd en met haar hoofd in de richting van zijn penis heeft geduwd en zijn penis tegen de mond van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en heen en weer heeft bewogen en dwingend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze haar kleding moest uitdoen en dat ze op de grond op haar handen en voeten moest gaan zitten en op haar rug moest gaan liggen met haar benen wijd;

2.

hij op 11 november 2005 te 's-Hertogenbosch door geweld en andere feitelijkheden

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd en een vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte die op een fiets rijdende [slachtoffer 2] een klap op de rug heeft gegeven en tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ga je mee neuken" en aan die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of ze daarvoor geld wilde hebben en die [slachtoffer 2] (vervolgens) met zijn scooter heeft klemgereden en die [slachtoffer 2] van haar fiets heeft getrokken en die [slachtoffer 2] heeft meegetrokken/-gesleurd naar een grasveld en die [slachtoffer 2] stevig heeft vastgehouden in een wurggreep en de broek en onderbroek van die [slachtoffer 2] naar beneden heeft getrokken;

3.

hij op 1 december 2006 te 's-Hertogenbosch met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van 15,- euro, toebehorende aan die [slachtoffer 3], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- al rijdend op een scooter die [slachtoffer 3] (al rijdend op een fiets) inhaalde en

- zijn scooter keerde en vlak vóór die [slachtoffer 3] stopte, waardoor hij die [slachtoffer 3] het fietsen belette en die [slachtoffer 3] moest stoppen en

- op luide en dwingende toon heeft gezegd "Je geld, pak je geld!" en

- vervolgens nog dwingender heeft gezegd "Je geld!!" en

- steeds dichter naar die [slachtoffer 3] toekwam;

4.

hij op 1 december 2006 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3],

- die [slachtoffer 3] (al rijdend op een fiets) heeft ingehaald (al rijdend op een scooter) en heeft belet verder te fietsen door kort voor haar te stoppen en

- tegen die [slachtoffer 3] krachtig en dwingend heeft gezegd "Je moet me pijpen!" en

- vervolgens nog dwingender tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd "Je moet me pijpen" en

- vervolgens met zijn handen aan zijn broek heeft gerommeld,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

5.

hij op 1 december 2006 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [slachtoffer 4], heeft gehandeld als volgt:

verdachte

- is (al rijdend op een scooter) die [slachtoffer 4] (al rijdend op een fiets) gepasseerd en vervolgens gekeerd en

- is vervolgens naast die [slachtoffer 4] gaan rijden en

- heeft tegen (het voorwiel van) de fiets van die [slachtoffer 4] getrapt, waardoor die [slachtoffer 4] is gaan slingeren en in de berm is gekomen en

- heeft vervolgens, nadat die [slachtoffer 4] weer op haar fiets was gesprongen, nogmaals tegen (het voorwiel van) de fiets van [slachtoffer 4] getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij op 13 december 2006 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 5] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [slachtoffer 5], heeft gehandeld als volgt:

verdachte

- is (al rijdend op een scooter waarvan het kenteken met plastic was afgeplakt) die [slachtoffer 5] (al rijdend op een fiets) gepasseerd en

- is vervolgens van zijn scooter afgestapt en

- is vervolgens naar die [slachtoffer 5] toegelopen, terwijl zijn gezicht was bedekt met een bivakmuts of een andersoortige bedekking, en heeft die [slachtoffer 5] (stevig) bij haar arm gepakt en

- heeft vervolgens met een dwingende stem tegen die [slachtoffer 5] gezegd “Stoppen”, waardoor die [slachtoffer 5] gedwongen werd om te stoppen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, voor zover ten laste is gelegd dat hij het slachtoffer een tongzoen heeft gegeven. Daartoe is aangevoerd dat verdachte een integraalhelm droeg, waardoor het geven van een tongzoen onmogelijk was.

Dienaangaande overweegt het hof dat het – met de advocaat-generaal en de eerste rechter – gelet op de duidelijke en gedetailleerde verklaring van het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer 2], – inhoudende dat verdachte met kracht zijn mond op haar mond duwde, zij zijn tong voelde die verdachte in haar mond stak, terwijl zij daarbij ook zijn tanden voelde – geen aanleiding ziet om aan de inhoud van de aangifte te twijfelen. Het dragen van een integraalhelm hoeft, gelet op de zich in het dossier bevindende foto’s van die helm (pagina 131 van het dossier van de regio-politie Brabant-Noord, nr. PL2116/06-020619, sluitingsdatum 19 januari 2007), geen beletsel te vormen voor het geven van een tongzoen.

De advocaat-generaal heeft met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde betoogd dat bewezen dient te worden verklaard dat verdachte het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen – kort gezegd: het tongzoenen en vingeren van het slachtoffer –

die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Daartoe is aangevoerd dat – in afwijking van het arrest van de Hoge Raad van 21 april 1998, NJ 1998/781, LJN ZD1026 – het geven van een tongzoen niet dient te worden beschouwd als seksueel binnendringen als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof ziet evenwel geen aanleiding om te dien aanzien anders te oordelen dan de Hoge Raad in genoemd arrest. Derhalve acht het hof bewezen dat de bewezen verklaarde handelingen bestonden (niet: mede bestonden) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 en 2 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 4 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in artikel 45 van dat wetboek.

Het bewezen verklaarde onder 5 en 6 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in artikel 45 van dat wetboek.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft voorts de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank heeft voorts overwogen dat genoemde straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en de behandeling van verdachte – die blijkens uitgebrachte gedragskundige rapportages zeer zwak begaafd is en langdurig klinisch behandeld zal moeten worden – voorop dient te staan.

De advocaat-generaal heeft – evenals de officier van justitie in eerste aanleg – oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging gevorderd. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat – ook wanneer gelet wordt op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het belang van een snelle behandeling – de door de rechtbank opgelegde straf niet passend is, omdat die straf in geen verhouding staat tot de ernst van de feiten.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is in de eerste plaats rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft voorts in het bijzonder acht geslagen op de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht, zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] en de bijlagen bij de formulieren waarmee [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zich als benadeelde partijen in het strafgeding hebben gevoegd.

Het slachtoffer van de onder 1 bewezen verklaarde verkrachting geeft aan dat zij tijdens het voorval in doodsangst verkeerde en dat de gebeurtenis haar leven veranderde in een nachtmerrie. Zij heeft bij de verkrachting een SOA opgelopen. Voorts heeft zij te kampen met concentratieproblemen. Dat het voorval een zeer grote weerslag heeft op haar persoonlijke leven blijkt uit het feit dat zij sinds de verkrachting moeite heeft met seksuele contacten met haar vriend. Het slachtoffer heeft bovendien haar gevoel van veiligheid verloren; zij is bang op straat en durft ’s avonds niet meer alleen op de fiets. De ernst van de gevolgen van de verkrachting blijkt vooral uit het feit dat zij zich onder behandeling van een psycholoog heeft moeten stellen.

Het slachtoffer van de onder 2 bewezen verklaarde verkrachting heeft aan het voorval slaap- en concentratieproblemen overgehouden en heeft voorts last van prikkelbaarheid, gevoelens van schaamte en herbelevingen. Ook dit slachtoffer heeft haar gevoel van veiligheid verloren. Ze was in de periode na het voorval bang om alleen thuis te zijn – ze heeft daarom twee maanden bij haar broer gewoond – en is ook thans nog bang om alleen naar buiten te gaan. Het slachtoffer voelt zich bedreigd wanneer zij een groepje jongens ziet en vlucht dan naar huis. Bovendien is zij door de verkrachting teruggevallen in een depressie waarin zij verkeerde na het overlijden van haar man. Zij stond in verband met die depressie onder behandeling bij een psycholoog, welke behandeling juist werd afgebouwd, maar als gevolg van de verkrachting weer moest worden geïntensiveerd.

Het slachtoffer van de onder 5 bewezen verklaarde poging tot afpersing heeft aan dat feit concentratie- en slaapproblemen overgehouden; zij geeft aan dat zij zeker twee keer in de week wakker schrikt en alles weer voor zich ziet. Ook zij heeft door het voorval haar gevoel van veiligheid verloren, zodanig dat zij haar woning heeft laten beveiligen met extra sloten.

Het hof rekent de verdachte met name aan dat hij een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde verkrachtingen en dat hij op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de voor hen nadelige gevolgen.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is. Dergelijke feiten hebben immers niet alleen gevolgen voor de slachtoffers, maar dragen ook bij aan algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Anderzijds heeft het hof in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten blijkens de conclusies van de gedragsdeskundigen in na te melden rapportages aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend, welke conclusies het hof overneemt en tot de zijne maakt.

Het hof merkt in het bijzonder op dat aannemelijk is dat zowel de hierna te vermelden gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte, als de ernstige mate van diens zwakbegaafdheid verdachtes gedragskeuzes ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde hebben beïnvloed.

Voorts heeft het hof in het voordeel van verdachte acht geslagen op het feit dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie niet eerder is veroordeeld voor zedendelicten.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten is het hof – anders dan de rechtbank – van oordeel dat het repressieve element van de op te leggen straf zwaarder dient te wegen dan de mogelijkheid om op korte termijn een aanvang te maken met een behandeling van verdachte. Het hof acht derhalve een gevangenisstraf van aanzienlijk langere duur dan door de rechtbank is opgelegd passend en geboden. Het hof zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt het hof als volgt.

Ten aanzien van verdachte is door dr. P.J.A. van Panhuis, psychiater en gerechtelijk deskundige, in samenwerking met drs. L. Berkens, psychiater in opleiding, een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte dat heeft geresulteerd in een rapportage van 8 maart 2007. Door drs. C. Clarijs, klinisch psycholoog en gerechtelijk deskundige, is eveneens een dergelijk onderzoek ingesteld, hetgeen heeft geleid tot een rapportage van 12 maart 2007.

De gedragsdeskundigen Van Panhuis en Berkens concluderen op pagina’s 13-15 van hun rapportage, zakelijk weergegeven:

"Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakzinnigheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Niet uit te sluiten is dat er op momenten sprake is van een psychische stoornis niet anderszins omschreven dan wel simulatie. De zwakbegaafdheid en de antisociale stoornis waren tijdens het plegen van het ten laste gelegde aanwezig. Het is niet uit te sluiten dat rondom de in het najaar van 2006 ten laste gelegde feiten psychotische overschrijdingen bestonden. Voor de feiten uit 2005 is dit onaannemelijk. Ook niet aan te nemen is dat juist vanuit die psychotische momenten er ook daadwerkelijk bevelende stemmen een rol speelden. De stemmen dienen veeleer te worden gezien als een vorm van (primitieve) simulatie. De gebrekkige ontwikkeling (psychopathie en zwakbegaafdheid) heeft betrokkenes gedragingen en gedragskeuzes ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde beïnvloed. Het voorkomen van psychotische momenten is niet uit te sluiten, maar het is onaannemelijk dat die in de vorm van stemmen invloed op betrokkenes gedrag hadden bij het plegen van het ten laste gelegde. Er is een verband tussen de stoornis en de ten laste gelegde feiten in die zin dat er sterke aanwijzingen zijn in de persoonlijkheid van de betrokkene voor het bestaan van psychopathie zoals een gebrek aan empathie, gebrek aan schuldgevoel, onbetrouwbaarheid en manipulerend gedrag bedoeld om anderen te vernederen. Deze factoren in samenhang met impulsiviteit hebben bij betrokkene geleid tot de ten laste gelegde delicten. Er is sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het gebrek aan empathie c.q. het onvermogen zich in te leven in de ander, het gebrek aan oprecht berouw, het geringe vermogen iets te leren als gevolg van de ernstige intellectuele beperkingen in combinatie met betrokkenes zwakbegaafdheid geven weinig hoop op een snelle verandering in het gedrag van betrokkene. De recidivekans is hierdoor groot. Een behandeling gericht op verandering van het gedrag zal langdurig klinisch moeten plaatsvinden in een instelling met expertise op het gebied van zwakzinnigheid en seksuele delicten, zoals Hoeve Boschoord te Vledder. Een ambulante behandeling of een maatregel met voorwaarden heeft weinig kans van slagen, gezien de uiterst magere motivatie van betrokkene voor behandeling en zijn onvermogen om "iets op te pikken". Een TBS met voorwaarden zou alleen een mogelijkheid zijn wanneer op hypofysair niveau aangrijpende farmacotherapie de bodem onder een dergelijke behandeling zou leggen. Betrokkene is echter nog te jong om daarvoor in aanmerking te komen. Om die reden rest niets anders dan te adviseren betrokkene TBS met verpleging op te leggen."

De gedragsdeskundige Clarijs concludeert op pagina’s 14-15 van zijn rapportage, zakelijk weergegeven:

"Er is bij betrokkene sprake van een stoornis in de impulsbeheersing en van een ernstige mate van zwakbegaafdheid. Daarbij zijn er enkele antisociale trekken. Ten tijde van het ten laste gelegde was een en ander onverminderd aanwezig en voornoemde stoornis en zwakbegaafdheid hebben betrokkenes gedragingen en gedragskeuzes in ernstige mate beïnvloed. De betrokkene weet ongedifferentieerde agressieve en seksuele impulsen niet te controleren, dit door een driftmatige aanleg gecombineerd met een intellectuele zwakbegaafdheid die zich onder andere manifesteert in een gebrekkige taalontwikkeling van waaruit hij niet in staat is tot mentaliseren en zo enige reflectie te ontwikkelen. Hij lijkt deze impulsen te vertalen in de vorm van het horen van een stem en gebruikt deze vervolgens om verantwoordelijkheid voor handelen buiten hemzelf te leggen. Er is sprake van een verminderde toerekeningsvatbaarheid. De kans dat betrokkene in de toekomst wederom tot een vergelijkbaar feit als het onderhavige zal komen wordt als aanzienlijk ingeschat doordat de cognitieve beperkingen de leerbaarheid van betrokkene beperkt maken en doordat het aanleren van controlemechanismen via conditionering zal moeten plaatsvinden. Betrokkene zal ongetwijfeld sterk geschrokken zijn van de gevolgen van zijn gedrag en heeft heimweegevoelens. Echter onduidelijk is in hoeverre deze negatieve consequentie in de toekomst zal voorkomen dat hij zijn driften beter in bedwang heeft. Afgaande op zijn ontwikkeling waarbij hij steeds meer blootgesteld zal worden aan meer verantwoordelijkheden, zal zijn frustratietolerantie meer op de proef gesteld worden. Betrokkene houdt vast aan de overtuiging dat hij handelt vanuit een stem; daarmee ligt de verantwoordelijkheid buiten hemzelf. In therapeutische zin zal hij moeilijk beïnvloedbaar zijn. Om het recidiverisico te verminderen zal een conditionering van betrokkenes driftmatige verlangens en frustraties dienen plaats te vinden aan stimuli die hem eraan herinneren dat het overgaan tot grensoverschrijdend gedrag leidt tot zeer negatieve consequenties voor hemzelf. Onderzoeker acht een klinische behandeling hiervoor noodzakelijk, gevolgd door een lange ambulante begeleiding. Betrokkene zal dit dienen te ondergaan in een (zeker aanvankelijk) gesloten setting daar hij alle verantwoordelijkheid buiten zichzelf legt. Geadviseerd wordt de behandeling te laten plaatsvinden binnen het kader van een TBS met dwangverpleging. "

Tijdens de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij bij gelegenheid van de gesprekken met de gedragsdeskundigen, die hebben geleid tot voornoemde rapportages, heeft voorgewend dat hij stemmen hoorde, in de hoop aldus strafvermindering te bewerkstelligen.

In hoger beroep is door de gedragsdeskundigen aanvullend onderzoek verricht, hetgeen heeft geleid tot aanvullende rapportages van Van Panhuis d.d. 1 december 2007 en van Clarijs d.d. 10 oktober en 23 november 2007.

De aanvullende rapportage van Van Panhuis houdt onder meer in:

“Bij betrokkene vervalt nu de zeer voorzichtig gestelde diagnose van een psychotische stoornis. Immers betrokkene heeft de stemmen waar in het oorspronkelijke onderzoek nog rekening mee gehouden moest worden, gesimuleerd.” (pagina 9)

“Paradoxaal is echter dat het feit dat betrokkene gelogen heeft over de stemmen verzwaring geeft van de andere gestelde diagnose, namelijk die van psychopathie. Deze diagnose blijft net als die van zwakbegaafdheid overeind.” (pagina 10)

“Aangegeven is reeds dat in de oorspronkelijke overwegingen, die identiek door de rechtbank zijn geïnterpreteerd, de rol van stemmen niet een centrale is geweest. De pathologie is vooral toegespitst op de defecten in emotionele make-up van betrokkene en ook de behandelindicatie en gevaarssetting, voor zover samenhangend met pathologie, zijn in dit licht beschouwd.” (pagina’s 16-17)

Zowel Van Panhuis als Clarijs geven in hun aanvullende rapportages aan dat het feit dat verdachte na het uitbrengen van de oorspronkelijke rapportages heeft verklaard dat hij het horen van stemmen had voorgewend, voor hen geen aanleiding vormt om te komen tot een ander advies of een andere conclusie dan in de oorspronkelijke rapportages.

Met betrekking tot de eventuele invloed van de zwakbegaafdheid van verdachte op de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten, geeft Van Panhuis aan dat die eventuele invloed alleen bestaat ten aanzien van één bepaald onderzoeksinstrument, te weten de PCL (Psychopathy Checklist), en dat, ook al is er enige onbetrouwbaarheid, dit de conclusies die uit de PCL getrokken worden niet beïnvloedt. Voorts geeft hij aan dat het recidiverisico vooral wordt bepaald op basis van een complex van historische, klinische en toekomstfactoren en dat de begaafdheid daarvan niet een te scoren onderdeel is, zodat de betrouwbaarheid van de inschatting van het recidiverisico daar niet onder lijdt (pagina’s 15-16 van zijn aanvullende rapportage).

Clarijs geeft in zijn tweede aanvullende rapportage voorts aan dat de omstandigheid dat bepaalde onderzoeken niet op verdachte konden worden toegepast geen invloed heeft gehad op de volledigheid en/of zorgvuldigheid van het onderzoek (pagina 5) en dat de onderzoeksresultaten naar zijn oordeel niet negatief zijn beïnvloed door de zwakbegaafdheid van verdachte (pagina 9).

Met betrekking tot de op te leggen maatregel geeft Van Panhuis in zijn aanvullende rapportage aan dat TBS met voorwaarden eigenlijk helemaal geen optie is bij verdachte. De ernst van de pathologie en de beperkingen maken dat dit onvoldoende beveiligend zal zijn. TBS met voorwaarden zou alleen mogelijk zijn geweest met de hypofyse aangrijpende hormonale farmacotherapie en aangezien die therapie niet kan worden aanbevolen – de deskundige onderbouwt dit met een verwijzing naar recente publicaties over de risico’s van die therapie – vervalt de mogelijkheid van TBS met voorwaarden als advies in zijn geheel (pagina 16).

Clarijs geeft voorts aan dat uit de bewoordingen van zijn oorspronkelijke rapportage niet kan worden afgeleid dat hij het recidiverisico niet apert onaanvaardbaar ernstig acht. Hij wijst er in dit verband op dat het feit dat de strafbare feiten zich over een lange periode hebben afgespeeld en pas zijn gestopt nadat verdachte was aangehouden, er blijkt van geeft dat, voor zover er spijtgevoelens waren, deze onvoldoende tegenwicht boden aan het beteugelen van de opkomende opgewondenheid waar verdachte tijdens het aanvullende onderzoek – in september 2007 – op wijst. Clarijs ervaart de recidivekans als groot (pagina 9 van zijn tweede aanvullende rapportage).

Gelet op het vorenoverwogene acht het hof – met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman – de uitgebrachte oorspronkelijke rapportages, mede bezien in het licht van de aanvullende rapportages, voldoende inzichtelijk en overtuigend. Het hof is derhalve van oordeel dat geen noodzaak bestaat voor een contra-expertise ten aanzien van het advies van de gedragsdeskundigen tot oplegging van TBS met dwangverpleging en verwerpt het daartoe strekkende verzoek van de raadsman.

Het hof neemt de conclusies uit voormelde rapportages over en maakt deze tot de zijne. Het hof komt derhalve, zoals hiervoor reeds werd overwogen, tot het oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, ten gevolge waarvan die feiten aan hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De door verdachte begane feiten zijn bovendien misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijvingen een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Gelet op het door het hof als hoog ingeschatte recidivegevaar, alsmede op de ernst van het bewezen verklaarde, is het hof – met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman –

van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en voorts dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd, zodat het hof dienovereenkomstig zal beslissen.

Met betrekking tot het beslag overweegt het hof nog dat de teruggave aan verdachte zal worden gelast van het in de beslissing te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 2.600,20. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen en is in hoger beroep niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof – evenals de advocaat-generaal en de eerste rechter – voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 2.525,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen en is in hoger beroep niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof – evenals de advocaat-generaal en de eerste rechter – voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 750,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof – evenals de advocaat-generaal en de eerste rechter – voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van verdachtes onder 5 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ten behoeve van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] telkens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 242 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het

onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

- ten aanzien van de feiten 1 en 2:

verkrachting;

- ten aanzien van feit 3:

afpersing;

- ten aanzien van feit 4:

poging tot verkrachting;

- ten aanzien van de feiten 5 en 6:

poging tot afpersing;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten: mobiele telefoon (kleur: zwart, merk: Samsung);

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1]

te betalen een bedrag van EUR 2.600,20 (tweeduizend zeshonderd euro en twintig cent);

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 1], wonende te [adres 1] [woonplaats 1], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.600,20 (tweeduizend zeshonderd euro en twintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

43 (drieënveertig) dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2]

te betalen een bedrag van EUR 2.525,00 (tweeduizend vijfhonderdvijfentwintig euro);

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 2], wonende te [adres 2] [woonplaats 2], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.525,00 (tweeduizend vijfhonderdvijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 (tweeënveertig) dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[slachtoffer 4] te betalen een bedrag van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro);

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij

[slachtoffer 4] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 4], wonende te [adres 3] [woonplaats 3], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. F. van Beuge,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 2 januari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.M.W.M. van den Elzen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.