Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2171

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
20-001476-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BK9221, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BK9221
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte voor het manipuleren van de stemmachine bij de gemeenteraadsverkiezingen (artikel 127 Wetboek van Strafrecht) tot een werkstraf van 240 uren en 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

De verdachte heeft als bedienaar van de stemmachine meermalen en op verschillende tijdstippen die stemcomputer niet vrijgegeven, als een stemmer zijn of haar stem wilde/ging uitbrengen. Hij heeft vervolgens in strijd met de werkelijkheid tegen die stemmers gezegd dat zij hadden gestemd en/of die stemmers zich laten verwijderen zonder hen erop te attenderen dat zij niet een rechtsgeldige stem hadden uitgebracht en hij heeft op (een) later(e) tijdstip(pen) telkens de stemcomputer alsnog vrijgegeven en telkens een stem op zichzelf uitgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 27 met annotatie van R.J.B. Schutgens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001476-07

Uitspraak : 18 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 april 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-849174-06 tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1947,

wonende te [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 ten laste is gelegd en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd:

- omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing;

- omdat het (kennelijk) is gewezen door onder anderen mr. H.F. van Kregten als rechter, terwijl het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 27 maart 2007, waarop deze strafzaak is behandeld, niet vermeldt dat mr. H.F. van Kregten aldaar tegenwoordig was. Aldus blijkt niet dat de rechters die het vonnis hebben gewezen, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting hebben beraadslaagd en beslist, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet is geschied en dus is gehandeld in strijd met de op straffe van nietigheid gegeven voorschriften van de artikelen 348, 349, 350 en 358 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op meerdere tijdstippen op 7 maart 2006 te Zeeland, gemeente Landerd, in

stembureau 6 bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift

uitgeschreven verkiezing, te weten de gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart

2006, (telkens) (een) bedrieglijke handeling(en) heeft gepleegd waardoor

(telkens) (een) stem(men) van onwaarde werd(en) en/of (telkens) een ander dan

de bij het uitbrengen van de stem(men) bedoelde persoon werd aangewezen,

immers heeft verdachte op die dag en plaats kort samengevat (en zakelijk

weergegeven) het volgende gedaan:

- verdachte heeft (gedurende de gehele dag) de stemcomputer (stemmachine)

bediend en/of

- verdachte heeft (in die hoedanigheid) meermalen en op verschillende

tijdstippen (in strijd met de voorschriften) die stemcomputer (telkens) niet

vrijgegeven (gereed gemaakt voor registratie van een stem) als een stemmer

zijn of haar stem wilde/ging uitbrengen (door op de knop van een kandidaat en

(vervolgens) de rode knop van de stemcomputer te drukken) en/of

- verdachte heeft (vervolgens) (in strijd met de werkelijkheid) (telkens)

tegen die stemmers gezegd (nadat die op één of meerdere knoppen van de

stemcomputer hadden gedrukt) dat zij hadden gestemd en/of die stemmers

(telkens) zich laten verwijderen zonder hen erop te attenderen dat zij niet

een rechtsgeldige stem hadden uitgebracht en/of

- verdachte heeft op (een) later(e) tijdstip(pen) (telkens) de stemcomputer

alsnog vrijgegeven en (telkens) meerdere malen (een) stem(men) op zichzelf

uitgebracht;

2.

op of omstreeks 13 maart 2006 te Zeeland, gemeente Landerd, een

schriftelijke verklaring - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft

verdachte valselijk en in strijd met de waarheid, een schriftelijke verklaring

ingevuld en ondertekend waarin hij, verdachte, verklaart dat hij op dinsdag 7

maart 2006 van 07.00 uur tot 21.00 uur in verband met de

gemeenteraadsverkiezingen zitting heeft gehad op stembureau 6 dat gevestigd is

in Stichting Zorgcentrum voor Ouderen Compostella te Zeeland (Franciscushof 1)

en dat hem tijdens de tijden dat hij zitting had op dit stembureau niets

gebleken is van onvolkomenheden of onrechtmatige handelingen hoe ook genaamd,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Het vals opmaken van een geschrift is alleen strafbaar wanneer dat geschrift bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Die bewijsbestemming is aanwezig, wanneer het gaat om een document waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit wordt toegekend.

Het hof is van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde schriftelijke verklaring niet kan worden aangemerkt als een geschrift waaraan voor het bewijs van het daarin gestelde regelmatige verloop van de betreffende verkiezingen in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat er sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Meer in het bijzonder acht het hof niet bewezen dat voormelde schriftelijke verklaring is opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, nu deze verklaring klaarblijkelijk slechts werd opgemaakt ter bevestiging van een eerdere mondelinge verklaring van de verdachte tegenover de burgemeester en gebruik ten opzichte van derden niet in de bedoeling lag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 maart 2006 te Zeeland, gemeente Landerd, in stembureau 6 bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, te weten de gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart 2006, bedrieglijke handelingen heeft gepleegd waardoor stemmen van onwaarde werden en een ander dan de bij het uitbrengen van de stemmen bedoelde persoon werd aangewezen,

immers heeft verdachte op die dag en plaats kort samengevat (en zakelijk

weergegeven) het volgende gedaan:

- verdachte heeft de stemcomputer (stemmachine) bediend en

- verdachte heeft (in die hoedanigheid) meermalen en op verschillende tijdstippen die stemcomputer niet vrijgegeven (gereed gemaakt voor registratie van een stem) als een stemmer zijn of haar stem wilde/ging uitbrengen en

- verdachte heeft vervolgens in strijd met de werkelijkheid tegen die stemmers gezegd dat zij hadden gestemd en/of die stemmers zich laten verwijderen zonder hen erop te attenderen dat zij niet een rechtsgeldige stem hadden uitgebracht en

- verdachte heeft op (een) later(e) tijdstip(pen) telkens de stemcomputer alsnog vrijgegeven en telkens een stem op zichzelf uitgebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Op de zitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Kort samengevat heeft de raadsman daartoe aangevoerd:

- een technisch mankement aan de stemmachine kan niet worden uitgesloten;

- een aantal getuigen heeft verklaard geen geldige stem te hebben uitgebracht. Bij de objectiviteit van deze verklaringen kunnen op zijn minst kanttekeningen worden geplaatst;

- er is geen bewijs voor de hypothese dat de verdachte in de loop van de dag voldoende gelegenheid heeft gehad om opgespaarde stemmen op zichzelf uit te brengen.

Het hof overweegt als volgt.

a.

Op 7 maart 2006 werden gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Vast is komen te staan dat de uitslag van die verkiezingen in het stemdistrict Compostella te Zeeland, gemeente Landerd, niet overeenkomt met het feitelijke stemgedrag van de 1073 kiezers die in dat stemdistrict op die dag hun stem hebben uitgebracht. Er is een onbegrijpelijk hoog aantal stemmen op de verdachte uitgebracht (te weten 181), dit mede bezien in het licht van de stemmen op de verdachte in de andere stemdistricten. Uit de uitslag van de in het kader van het onderzoek georganiseerde schaduwverkiezingen (rekening houdende met het hoge aantal ingezonden stembiljetten, te weten ongeveer 90 procent van alle stemmers) blijkt dat een veel lager aantal kiezers op de verdachte zou hebben gestemd. Bij die schaduwverkiezingen zijn immers slechts 13 voorkeurstemmen op de verdachte uitgebracht. Ook de verdachte heeft geen verklaring voor het grote aantal voorkeurstemmen dat op het stembureau Compostella op hem is uitgebracht.

b.

Naar aanleiding van de opmerkelijke verkiezingsuitslag is de stemmachine die op 7 maart 2006 in stemdistrict Compostela gebruikt is, onderzocht door de fabrikant van deze machines, de firma Nedap te Groenlo. Volgens de uitslag van dit onderzoek heeft de stemmachine goed gefunctioneerd. Het hof ziet geen reden voor twijfel aan de uitkomst van dit onderzoek. Er zijn geen aanwijzingen dat de stemmachine zou hebben gedisfunctioneerd en de fabrikant daarover in strijd met de waarheid zou hebben gezwegen.

Aan de door de raadsman geopperde mogelijkheid dat een groot aantal stemmen op de lijsttrekker van verdachtes partij door een technisch mankement bij de verdachte terecht is gekomen, gaat het hof dan ook voorbij, mede aangezien in dat scenario niet past dat bij vergelijking tussen de officiële verkiezingsuitslag en de uitslag van de schaduwverkiezingen van alle kandidaten pondspondsgewijs stemmen blijken te zijn afgeroomd en al deze stemmen bij slechts één persoon, te weten de verdachte, terecht zijn gekomen.

De raadsman heeft er nog op gewezen dat de serienummers van de door de firma Nedap onderzochte stemmachine en van de stemmachine die op een later tijdstip door de politie in beslag is genomen, niet overeenstemmen. Mede gelet op het feit dat de serienummers van het bij die stemmachine behorende stemgeheugen wel overeenstemmen, is naar het oordeel van het hof sprake van een kennelijke verschrijving.

Nu niet aannemelijk is geworden dat de stemmachine een technisch mankement vertoonde, wordt het verweer in zoverre verworpen.

c.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de stemmachine in genoemd stemdistrict op de dag van de verkiezingen uitsluitend of vrijwel uitsluitend door de verdachte is bediend. In het licht van de vaststelling dat de stemmachine die dag goed heeft gefunctioneerd, laat het vorenstaande geen andere conclusie toe dan dat de verdachte de werking van de stemmachine heeft gemanipuleerd.

Uit een aantal getuigenverklaringen komt naar voren dat de verdachte de stemmachine niet heeft vrijgegeven op het moment dat de kiezer zijn stem wilde uitbrengen. In sommige gevallen heeft de verdachte pas na herhaald en uitdrukkelijk protest van de kiezer de stemmachine vrijgegeven. In andere gevallen heeft de verdachte de kiezer zich laten verwijderen zonder te zeggen dat er geen rechtsgeldige stem was uitgebracht.

Zo heeft de getuige [naam getuige 1] verklaard dat de verdachte haar heeft gezegd dat zij kon stemmen, terwijl zij wist dat de stemmachine nog niet was vrijgegeven. De verdachte bleef aandringen dat zij kon stemmen. Volgens de getuige [naam getuige 2] heeft zij op de knop met daarop de naam van de kandidaat gedrukt, maar verscheen de naam van de kandidaat niet in de display van de stemmachine. De display bleef vermelden: "U heeft gestemd". De verdachte zei dat het goed was en dat ze gestemd had waarop [naam getuige 2] is weggegaan zonder ter bevestiging van haar stem op de rode knop te hebben gedrukt. De getuige [naam getuige 3] heeft verklaard dat hij alleen op een kandidatenknop heeft gedrukt en niet op de rode knop. De verdachte zei niettemin dat er gestemd was. Tegen de getuige [naam getuige 4] zei de verdachte nog voordat ze op een kandidatenknop had gedrukt, dat ze gestemd had. [naam getuige 4] voelde zich overdonderd, heeft op de rode knop gedrukt en is weggelopen.

Het hof heeft geen reden aan de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaringen te twijfelen. Dat er in overwegende mate sprake zou zijn geweest van beïnvloeding van deze getuigen door publicaties in de pers, acht het hof niet aannemelijk geworden.

Het verweer wordt ook in zoverre verworpen.

d.

Naar het oordeel van het hof staat genoegzaam vast dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om gedurende de verkiezingsdag stemmen op zichzelf uit te brengen. Zo heeft de getuige [naam getuige 5] op een vraag van de politie hoe vaak hij had gezien dat de verdachte achter de stemmachine stond waarbij hij mensen hielp met stemmen verklaard dat hij had gezien dat de verdachte meer achter de machine stond dan er naast, dat hij 's ochtends aan de verdachte had gevraagd wat deze toch steeds bij die machine deed en dat hij een aantal keren had gezien dat op het moment dat er geen kiezers waren, de verdachte achter de stemmachine stond. De getuige [naam getuige 6] heeft aangegeven dat zij het vreemd vond dat op het moment dat zij zich naar het stemhokje begaf, de verdachte daar juist uitkwam (van achter het scherm).

Mede gelet op het feit dat het aantal geldig uitgebrachte stemmen exact overeenkomt met het aantal stemmers, kan het niet anders dan dat het de verdachte is geweest die op een later tijdstip of op latere tijdstippen de niet rechtsgeldige stemmen op zichzelf heeft uitgebracht.

Ook dit onderdeel van het verweer wordt daarom verworpen.

Op grond van al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan het onder 1 ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 127 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft bij gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen op 7 maart 2006 in de gemeente Landerd de stemmachine gemanipuleerd, waardoor een ander - dan bij het uitbrengen van de stem bedoeld - werd gekozen, te weten de verdachte zelf.

Naar het oordeel van het hof is sprake van een ernstig feit. De democratie is een van de pijlers waarop onze huidige samenleving rust. Binnen dat democratisch bestel moet een ieder in vrijheid en op een eerlijke wijze zijn stemrecht uit kunnen uitoefenen. De handelwijze van de verdachte heeft het belang van eerlijke verkiezingen in gevaar gebracht.

Het hof heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met het feit dat deze zaak binnen de gemeente Landerd voor veel commotie heeft gezorgd en landelijk veel belangstelling vanuit de media heeft gekregen. Door de negatieve publiciteit rond zijn persoon is de verdachte reeds in aanzienlijke mate in zijn reputatie getroffen.

Het hof zal aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opleggen. Daarmee wordt de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht.

Voorts had oplegging van de bijkomende straf als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder 3, van het Wetboek van Strafrecht (ontzetting uit het passief kiesrecht) in de rede gelegen, maar, gelet op het bepaalde in artikel 130 van dat wetboek, biedt de huidige wetgeving daarvoor geen basis. Nu het hof niet de mogelijkheid heeft om de verdachte uit het passief kiesrecht te ontzetten, zal het aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 240 uren opleggen.

Ofschoon het hof komt tot een bewezenverklaring van minder dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, acht het hof toch een straf, gelijk aan die welke door de advocaat-generaal is gevorderd, geboden. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 127 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 bewezen verklaarde oplevert:

Bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing enige bedrieglijke handeling plegen waardoor een stem van onwaarde wordt of een ander dan de bij het uitbrengen van de stem bedoelde persoon wordt aangewezen, meermalen gepleegd.

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. A. de Lange en mr. J.M. Reijntjes,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.W. Looijmans, griffier,

en op 18 januari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.