Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC1579

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
C0600338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van de stellingen van [appellant sub 1 c.s.] staat nog geenszins vast dat hij door verjaring eigendom van de toegangsweg heeft verkregen. De stellingen zijn door [geïntimeerde] gefundeerd bestreden. Wanneer iemand een weg gebruikt die voert naar een eigen terrein van de gebruiker, is dat in beginsel onvoldoende voor bezit. Ook is onduidelijk of ook de rechtsvoorganger van [appellant sub 1 c.s.], [persoon 4], ervan uitging dat, en zich (anders dan door van de weg gebruik te maken) gedroeg alsof, zij bezitter was van de toegangsweg. Als dat niet zo is dan is de verjaringstermijn op zijn vroegst begonnen in 1986, en was deze nog niet verstreken. Het hof zal [appellant sub 1 c.s.] toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de toegangsweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. YH

rolnr. C0600338/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 8 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

wonende te [plaats],

2. [APPELLANT SUB 2],

wonende te [plaats],

3. [APPELLANTE SUB 3],

wonende te [plaats],

appellanten,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. M.B.P. Geraedts,

op het bij exploot van dagvaarding d.d. 14 februari 2006 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Breda onder rolnummer 144338/HA ZA 05-597 op 25 januari 2006 uitgesproken tussen appellanten - nader in enkelvoud te noemen [appellant sub 1 c.s.] - als eisers en geïntimeerde - nader te noemen [geïntimeerde] - als gedaagde.

1. De procedure in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis welk vonnis zich bij de stukken bevindt. Aan het vonnis is een tussenvonnis voorafgegaan waarin een comparitie is gelast. Ook dit vonnis bevindt zich in het dossier.

2. De procedure in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [appellant sub 1 c.s.] onder overlegging van producties zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd als in die memorie nader omschreven.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd als in die memorie nader omschreven.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Bij de overgelegde stukken ontbreekt de kadastrale kaart die volgens het eindvonnis van de rechtbank aan dat vonnis gehecht zou zijn.

3. De grieven

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling van de grieven

4.1 De grieven richten zich niet tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 3.2 van het eindvonnis. Het hof zal de feiten hierna duidelijkheidshalve herhalen.

4.2 Het gaat in dit geschil om het volgende.

(a) [appellant sub 1 c.s.] is eigenaar van twee percelen te [plaats], kadastraal bekend [gemeente] , sectie H, nummers [kadasternummer] en [kadasternummer] (hierna aan te duiden als [perceel 1] respectievelijk [perceel 2]). [geïntimeerde] is eigenares van drie percelen te [plaats], kadastraal bekend [gemeente], sectie H, nummers [kadasternummer], [kadasternummer], en [kadasternummer] (hierna aan te duiden als [perceel 3], [perceel 4] respectievelijk [perceel 5]).

(b) De percelen [perceel 2] en [perceel 6] vormden tot 1956 het kadastrale perceel genummerd [perceel 7].

(c) Het gedeelte thans genummerd [perceel 6] is bij notariële akte van 4 december 1956 (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) door een zekere [persoon 1] verkocht en geleverd aan [persoon 2]; het perceel is door [persoon 2] in 1981 bij notariële akte (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) geleverd aan [persoon 3]. In beide notariële akten is opgenomen dat op dit perceel een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten behoeve van het andere deel van [perceel 7].

(d) Het resterende deel van [perceel 7] is in 1957 door [persoon 1] voornoemd verkocht en geleverd aan [persoon 4], die het op haar beurt in 1986 heeft verkocht en geleverd aan de moeder van appellanten.

(e) Vanaf de [straatnaam] loopt langs de zijkant van [perceel 4] (maar niet óp dat perceel) een pad dat uitkomt op [perceel 2]. Dit pad wordt hierna (in navolging van de rechtbank) "de toegangsweg" genoemd.

(f) Op verzoek van [appellant sub 1 c.s.] heeft het kadaster op 15 juli 1996 een kadastrale uitmeting verricht met betrekking tot [perceel 2] (productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg). Bij deze kadastrale uitmeting waren [persoon 3] voornoemd en de echtgenoot van [geïntimeerde] aanwezig. Geen van hen heeft bezwaar gemaakt tegen de aangewezen grenspunten.

4.3. In eerste aanleg heeft [appellant sub 1 c.s.] gevorderd voor recht te verklaren dat de grenzen van de percelen [perceel 4] en [perceel 2] lopen overeenkomstig de kadastrale meting van 15 juli 1996; voorts voor recht te verklaren dat ten behoeve van [perceel 1] en ten laste van de percelen [perceel 3], [perceel 4] en [perceel 5] een erfdienstbaarheid is gevestigd, inhoudende een recht van overpad, waardoor vanaf [perceel 1] via [perceel 3], [perceel 4] en [perceel 5] [straatnaam] te bereiken is; voorts [geïntimeerde] te veroordelen om de grenzen van de percelen overeenkomstig de kadastrale meting van 15 juli 1996 alsmede genoemde erfdienstbaarheid te eerbiedigen op straffe van een dwangsom, en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten.

[geïntimeerde] heeft de vordering weersproken, heeft gesteld dat de weg behoort tot perceel [perceel 6] (althans voor zover die langs haar [perceel 4] loopt), en heeft ook onweersproken gesteld dat zij van [persoon 3], de eigenaar van perceel [perceel 6], toestemming heeft van de weg gebruik te maken.

De rechtbank heeft de vordering van [appellant sub 1 c.s.] afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat de feitelijke omschrijving in de notariële akte van levering van [perceel 2] het uitgangspunt vormt bij de beantwoording van de vraag of de toegangsweg tot dat perceel behoort. Voorts is in de akte van levering van 4 december 1956 (waarbij perceel [perceel 6] werd geleverd) een recht van erfdienstbaarheid van weg gevestigd ten behoeve van [perceel 2]; daaruit leidt de rechtbank af dat - nu niet is gebleken dat die erfdienstbaarheid een andere weg kon betreffen dan de toegangsweg - de toegangsweg al bij de akte van 1956 is geleverd (aan [persoon 2]), zodat die door [persoon 1] niet nog eens in 1957 (aan [persoon 4]) kon worden geleverd.

Ook heeft de rechtbank de vordering inzake de erfdienstbaarheid van overpad ten gunste van [perceel 1] op de percelen [perceel 3], [perceel 4] en [perceel 5] afgewezen, nu het bestaan daarvan niet is gebleken uit het door [appellant sub 1 c.s.] gepresenteerde erfdienstbaarheidsonderzoek, terwijl ook door verjaring in dit geval geen dergelijk recht kan zijn ontstaan.

4.4. Grief I keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat de toegangsweg op 5 december 1956 als onderdeel van perceel [perceel 6] door [persoon 1] aan [persoon 2] is geleverd. [appellant sub 1 c.s.] stelt daartoe dat het geleverde gedeelte was afgepaald, en dat volgens de kadastrale kaarten de toegangsweg niet tot het oostelijk deel van het totale [perceel 7] behoorde.

De grief faalt. Bij de akte van 4 december 1956 zijn aan [persoon 2] "de percelen bouwland, weiland en weg" geleverd zoals daar nader omschreven. Vast staat dus dat tot [perceel 7] een weg behoorde (te weten: de in dit geding bedoelde toegangsweg). Dat de andere bij de akte geleverde percelen ook een weg bevatten waarop deze aanduiding zou kunnen slaan is gesteld noch gebleken. Bovendien wordt in de akte een erfdienstbaarheid van weg gevestigd op [perceel 6], hetgeen het - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - aannemelijk maakt dat die erfdienstbaarheid werd gevestigd op de daar reeds aanwezige weg. Uit de overgelegde kadastrale kaarten van 1941, 1942 en 1951 kan het hof niet afleiden dat toen sprake was van afpaling langs de weg als door [appellant sub 1 c.s.] gesteld. Dat is mogelijk anders voor de tekening van 1986, maar die stamt van na 1956, en kan dus niet beslissend zijn.

4.5. Grief II keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat de erfdienstbaarheid van weg een andere weg betreft dan de toegangsweg.

Ook deze grief faalt, mede gelet op hetgeen hiervoor inzake grief I reeds is overwogen. Het ligt immers voor de hand dat als een perceel dat wordt geleverd een weg bevat en er tevens een erfdienstbaarheid van weg wordt gevestigd, die erfdienstbaarheid betrekking heeft op de reeds aanwezige weg. [appellant sub 1 c.s.] heeft ook niet aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de in 1956 gevestigde erfdienstbaarheid op een ander deel van het toen geleverde perceel zou liggen.

4.6. Grief III keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat de akte van 1 maart 1957 (waarbij [perceel 2] aan [persoon 4] is verkocht) geen eigendomsoverdracht kan hebben ingehouden van dezelfde toegangsweg die eerder aan [persoon 2] was geleverd.

Nu de grieven I en II falen faalt ook deze grief. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, als de toegangsweg al bij de akte van 1956 was geleverd, die niet nogmaals kon worden geleverd bij de akte van 1957. Dat partijen bij die akte mogelijk wel de bedoeling hebben gehad de weg te leveren doet daar niet aan af.

Ook als - zoals in de grief wordt gedaan - wordt uitgegaan van de schetskaart gevoegd bij de akte van 1957 wordt dat niet anders. De beslissing van de rechtbank wordt daardoor immers niet aangetast. Uit de schetskaart kan mogelijk blijken dat het toen de bedoeling was ook de toegangsweg te leveren, maar nu die in 1956 al was geleverd kon dit niet nogmaals gebeuren, wat er ook op de schetskaart was aangegeven.

4.7. Grief IV keert zich tegen de interpretatie van de rechtbank van een gedeelte van de akte van 1957 in rechtsoverweging 3.7 van het eindvonnis.

Het hof hoeft hierop niet in te gaan omdat de beslissing van de rechtbank niet op deze overweging berust. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.8 immers "ongeacht op te dragen bewijs met betrekking tot hetgeen is overwogen onder 3.7" in rechtsoverweging 3.8 op andere gronden de vordering van [appellant sub 1 c.s.] al afgewezen.

4.8. Ook grief V keert zich tegen de overwegingen van de rechtbank in rechtsoverweging 3.7, zodat ook deze grief faalt.

4.9. Grief VI keert zich tegen de afwijzing (in rechtsoverweging 3.9 van het eindvonnis) van het beroep op verkrijging van de toegangsweg van [appellant sub 1 c.s.] door verjaring.

4.10. Het hof overweegt hierover als volgt.

4.10.1. Tussen partijen is niet in geding dat [geïntimeerde] geen eigenaar is van de toegangsweg; dat heeft zij al in eerste aanleg erkend. [geïntimeerde] stelt evenwel dat [persoon 2] eigenaar is, en dat zij van [persoon 3] toestemming heeft om van de weg gebruik te maken. Strikt genomen gaat het er tussen partijen dus kennelijk om of [appellant sub 1 c.s.] aan [geïntimeerde] het recht kan ontzeggen van de weg gebruik te maken. In verband daarmee heeft [geïntimeerde] dan ook - voor het geval de rechtbank wél zou oordelen dat [appellant sub 1 c.s.] eigenaar is van de toegangsweg - in voorwaardelijke reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat ten behoeve van haar perceel en ten laste van het perceel van [appellant sub 1 c.s.] een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd door verkrijgende verjaring, dan wel dat de toegangsweg is te kwalificeren als buurweg, dan wel dat [appellant sub 1 c.s.] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden is het gebruik van de weg door [geïntimeerde] te dulden.

De rechtbank heeft de voorwaardelijke vordering niet behoeven te behandelen omdat zij de totale vordering van [appellant sub 1 c.s.] wat dit betreft heeft afgewezen. Het hof wijst er echter op dat, wanneer het beroep van [appellant sub 1 c.s.] op verkrijgende verjaring zou slagen, de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld moet worden geacht te zijn vervuld, zodat het hof dan op deze verweren van [geïntimeerde] zal moeten ingaan.

4.10.2. In eerste aanleg heeft [appellant sub 1 c.s.] pas bij de conclusie van de repliek een beroep gedaan op eigendomsverkrijging door verjaring. [appellant sub 1 c.s.] heeft dat toen echter niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank terecht de vordering, voor zover gebaseerd op deze grond, heeft afgewezen.

In hoger beroep heeft [appellant sub 1 c.s.] zijn stellingen wat dit betreft nader onderbouwd. [appellant sub 1 c.s.] stelt thans dat zowel hij als zijn rechtsvoorgangers zich steeds als eigenaar van de toegangsweg hebben gedragen (door het afpalen en afsluiten van de toegangsweg), en dat het bezit ook te goede trouw was gelet op de notariële akte van 1 maart 1957.

De stelling van [geïntimeerde] dat [appellant sub 1 c.s.] te laat is met deze nadere onderbouwing wordt verworpen. Partijen kunnen immers in hoger beroep hun stellingen desgewenst aanvullen.

4.10.3. [geïntimeerde] betwist ook dat sprake is geweest van ondubbelzinnig bezit van de weg. Volgens [geïntimeerde] vroeg [persoon 4], de rechtsvoorgangster van [appellant sub 1 c.s.], toestemming aan [geïntimeerde] om haar auto in de berm te parkeren. Bovendien heeft de afsluiting van de weg mid-dels een hekwerk pas plaatsgehad medio 2001, en kan [geïntimeerde] ongestoord van de weg gebruikmaken. Voorts bestrijdt [geïntimeerde] dat het bezit te goede trouw is geweest.

4.10.4. Op grond van de stellingen van [appellant sub 1 c.s.] staat nog geenszins vast dat hij door verjaring eigendom van de toegangsweg heeft verkregen. De stellingen zijn door [geïntimeerde] gefundeerd bestreden.

Wanneer iemand een weg gebruikt die voert naar een eigen terrein van de gebruiker, is dat in beginsel onvoldoende voor bezit. Ook is onduidelijk of ook de rechtsvoorganger van [appellant sub 1 c.s.], [persoon 4], ervan uitging dat, en zich (anders dan door van de weg gebruik te maken) gedroeg alsof, zij bezitter was van de toegangsweg. Als dat niet zo is dan is de verjaringstermijn op zijn vroegst begonnen in 1986, en was deze nog niet verstreken.

4.10.5. Het hof zal [appellant sub 1 c.s.] toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de toegangsweg.

4.11. Grief VII heeft betrekking op de erfdienstbaarheid die [appellant sub 1 c.s.] pretendeert ten behoeve van [perceel 1] en ten laste van de percelen [perceel 3], [perceel 4] en [perceel 5].

De zaak is het hof wat dit betreft nog onvoldoende duidelijk. Vast staat dat volgens een onderzoek van het kadaster d.d. 19 augustus 2004 bij een akte van 26 juli 1940 het volgende zakelijk recht is gevestigd:

"5. Ten behoeve van het bij deze overgedragene en ten laste van een strook, breed 3 meter deel uitmakend van, en loopende langs de ongeveer oostgrens van het niet verkochte deel van gemeld [perceel 8], wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg van en naar den weg, die zich bevindt bij het ongeveer noord oostelijk hoekpunt van dit [perceel 8], deze erfdienstbaarheid wordt gevestigd onder bepaling dat spli[t]sing van het gekochte in meerdere percelen en bebouwing of verandering van aard of bestemming van het heersend erf of erven, niet als verzwaring van deze erfdienstbaarheid zal gelden."

Het kadaster merkt over deze tekst overigens op "dat in genoemde inschrijvingen de volgende tekst voorkomt die mogelijk de gevraagde erfdienstbaarheden betreft", en geeft dus geen uitsluitsel of de erfdienstbaarheid inhoudt wat [appellant sub 1 c.s.] stelt dat deze inhoudt.

De notariële akte van 27 juli 1940 (die door het kadaster kennelijk aan [appellant sub 1 c.s.] in afschrift is verstrekt) is door [appellant sub 1 c.s.] niet overgelegd. Dat zal alsnog moeten gebeuren.

Bovendien is het het hof (ondanks de grote hoeveelheid overgelegde tekeningen, die niet allemaal noordgericht zijn) nog niet duidelijk welke weg in het hiervoor genoemde citaat wordt bedoeld. Uit de tekeningen wordt in ieder geval duidelijk dat [straatnaam] ten noordwesten van het oorspronkelijke [perceel 8] bovenlangs dat perceel loopt (maar er waarschijnlijk niet aan grenst), terwijl de [straatnaam] pal ten oosten van dit perceel gelegen lijkt te zijn. De stelling van [geïntimeerde] dat in het hiervoor aangehaalde citaat uit de akte van 1940 met "den weg, die zich bevindt bij het ongeveer noord oostelijk hoekpunt" gedoeld wordt op de [straatnaam] is dan ook zeker niet minder waarschijnlijk dan de stelling van [appellant sub 1 c.s.] dat het om de [straatnaam] gaat.

4.12. Het hof verzoekt [appellant sub 1 c.s.] dan ook een noordgerichte tekening over te leggen die gebaseerd is op de kadastrale tekeningen, en waarin zowel de positie van het oorspronkelijke [perceel 8] wordt aangegeven, als de positie van de in de akte van 1940 genoemde "oostgrens van het toen niet verkochte deel" alsmede de posities en opeenvolgende nummers van de percelen die thans toebe-horen aan [appellant sub 1 c.s.] respectievelijk [geïntimeerde], terwijl ook beide wegen ([straatnaam] en de [straatnaam]) op de tekening moeten zijn aangegeven. [appellant sub 1 c.s.] zal deze bescheiden kunnen overleggen bij de memorie na enquête. [geïntimeerde] kan desgewenst haar versie van deze tekening overleggen bij haar antwoordmemorie na enquête.

5. De beslissing

Het hof:

laat [appellant sub 1 c.s.] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de in dit geding bedoelde toegangsweg tot [perceel 2];

bepaalt, voor het geval [appellant sub 1 c.s.] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Begheyn als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 22 januari 2008 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van [appellant sub 1 c.s.] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het proces-dossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [appellant sub 1 c.s.] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat [appellant sub 1 c.s.] bij memorie na enquête de tekening zal overleggen als bedoeld in rechtsoverweging 4.12.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Feddes en Hendriks-Jansen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 8 januari 2008.