Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BC1246

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
20-003420-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. vrijspraak artikel 249, 248a, 248ter Wetboek van Strafrecht

2. veroordeling artikel 247 Wetboek van Strafrecht

3. maximale proeftijd

4. geen grondslag voor oplegging bijkomende straf ontzetting van het beroep van leraar

Ad 1. Vrijspraak ten aanzien van het ten laste gelegde artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (ontucht met minderjarigen terwijl deze aan de zorg, opleiding en/of waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd) en ten aanzien van het ten laste gelegde artikel 248a/248ter (oud) van het Wetboek van Strafrecht (verleiding);

Ad 2. Veroordeling ten aanzien van twee slachtoffers wegens “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd”.

Ad 3. Ten aanzien van de door de advocaat-generaal gevorderde proeftijd voor de duur van drie jaar, overweegt het hof - onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2007 (LJN BB3999) – dat moet worden aangenomen dat artikel 14b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bij vergissing niet is aangepast aan de nieuwe nummering van artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en dat artikel 14b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht gelezen moet worden als inhoudend dat de proeftijd in geval van onder meer een gestelde bijzondere voorwaarde, het gedrag van de veroordeelde betreffende, ten hoogste 2 jaar bedraagt. Gelet hierop is het niet mogelijk om een langere proeftijd dan 2 jaar te bepalen.

Ad 4. Nu verdachte ook in hoger beroep wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde bestanddeel “aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige” van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht en hij het bewezen verklaarde feit niet in zijn beroep heeft begaan, bestaat er geen grondslag om de door de advocaat-generaal gevorderde bijkomende straf van ontzetting van het beroep van leraar op te leggen.

zie ook LJN: BC1239

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003420-06

Uitspraak : 2 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 september 2006 in de strafzaak met parketnummer 01-825213-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1949],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een gedeelte van EUR 500,00 toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort voor zover de vordering is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep -binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering en heeft de vordering in eerste aanleg gehandhaafd. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 5.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van plegen delict.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] tot een gedeelte van EUR 500,00 toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort voor zover de vordering is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep -binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering en heeft de vordering in eerste aanleg gehandhaafd. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van een bedrag van

EUR 3.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van plegen delict.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet

toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van

haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering en heeft de vordering in eerste aanleg gehandhaafd. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van een bedrag van EUR 3.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van plegen delict.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] niet

toegewezen. Blijkens het antwoordformulier heeft de benadeelde partij zich in hoger beroep

- binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd. Het hof verstaat de inhoud van het antwoordformulier aldus, gehoord de toelichting van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep, dat de benadeelde partij zich heeft willen voegen ter zake van de niet toegewezen vordering en de vordering in eerste aanleg voor de volle 100% heeft willen handhaven. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van een bedrag van EUR 2.554,90.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen ten aanzien van de feiten onder 1 primair, onder 2 primair, onder 3 primair, onder 4 primair en onder 5 primair tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan

12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. In tegenstelling tot hetgeen op de schriftelijke vordering is vermeld, heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep een proeftijd van 3 jaar gevorderd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte zal worden ontzet van het beroep van leraar.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, te weten [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3], heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vorderingen zal toewijzen tot een bedrag van telkens EUR 2.500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform het bepaalde van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform het bepaalde van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 september 1995 tot en met

18 september 2002 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] (geboren op [1984]), hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen op zijn schoot te gaan zitten en/of

- de penis en/of het kruis van voornoemde [slachtoffer 1] betast en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis te betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn kleding uit te trekken en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] afgetrokken en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 1] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 september 1995 tot en met

18 september 2000 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren op [1984]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen op zijn schoot te gaan zitten en/of

- de penis en/of het kruis van voornoemde [slachtoffer 1] betast en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis te betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn kleding uit te trekken en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] afgetrokken en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 1] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 september 1995 tot en met

30 september 2000 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, een minderjarige van onbesproken gedrag, te weten [slachtoffer 1], geboren op [1984], wiens minderjarigheid hij kende of redelijkerwijs moest vermoeden, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen met hem te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen op zijn schoot te gaan zitten en/of

- de penis en/of het kruis van voornoemde [slachtoffer 1] betast en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis te betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn kleding uit te trekken en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] afgetrokken en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 1] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt,

en welke giften of beloften hierin bestaan dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] (regelmatig) geld en cadeautjes gaf en welk misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, (aanmerkelijk) ouder was dan die [slachtoffer 1] en/of dat verdachte uit het feit, dat hij als leraar aan de school, waar de broer(s) van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] leerling was/waren geweest en/of uit het feit, dat hij, verdachte, als leraar aan een school die [slachtoffer 1] aldaar en/of bij hem verdachte thuis "klusjes" liet doen, overwicht ontleende, althans dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn geestelijk overwicht

en

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met

18 september 2002 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, een minderjarige, te weten [slachtoffer 1], geboren op [1984], wiens minderjarigheid hij kende of redelijkerwijs moest vermoeden, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen met hem te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen op zijn schoot te gaan zitten en/of

- de penis en/of het kruis van voornoemde [slachtoffer 1] betast en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis te betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn kleding uit te trekken en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] afgetrokken en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 1] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt,

en welke giften of beloften hierin bestaan dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] (regelmatig) geld en cadeautjes gaf en welk misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, (aanmerkelijk) ouder was dan die [slachtoffer 1] en/of dat verdachte uit het feit, dat hij als leraar aan de school, waar de broer(s) van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] leerling was/waren geweest en/of uit het feit, dat hij verdachte, als leraar aan een school die [slachtoffer 1] aldaar en/of bij hem verdachte thuis "klusjes" liet doen, overwicht ontleende, althans dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn geestelijk overwicht;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2005 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] (geboren op [1987]), hebbende hij, verdachte,

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 2] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] ertoe bewogen op hem, verdachte te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen” gemaakt;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2003 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, met [slachtoffer 2], geboren op [1987], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende hij, verdachte,

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 2] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met

30 september 2002 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, een minderjarige, te weten [slachtoffer 2], geboren op [1987], wiens minderjarigheid hij kende of redelijkerwijs moest vermoeden, opzettelijk heeft bewogen (telkens) ontuchtige handelingen met hem te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, hebbende hij, verdachte,

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 2] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt,

en welke giften of beloften hierin hebben bestaan, dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] (regelmatig) geld gaf en welk misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht hierin heeft bestaan, dat hij verdachte (aanmerkelijk) ouder was dan die [slachtoffer 2] en/of dat verdachte uit het feit, dat hij als leraar aan de school, waar de broer(s) van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] leerling was/waren en/of was/waren geweest en/of uit het feit, dat hij verdachte, als leraar aan een school die [slachtoffer 2] aldaar en/of bij verdachte thuis "klusjes" liet doen, overwicht ontleende, althans dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn geestelijke overwicht

en

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met

31 december 2004 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, een minderjarige, te weten [slachtoffer 2], geboren op [1987], wiens minderjarigheid hij kende of redelijkerwijs moest vermoeden, opzettelijk heeft bewogen (telkens) ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, hebbende hij, verdachte,

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 2] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt,

en welke giften of beloften hierin hebben bestaan, dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] (regelmatig) geld gaf en welk misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht hierin heeft bestaan, dat hij, verdachte, (aanmerkelijk) ouder was dan die [slachtoffer 2] en/of dat verdachte uit het feit, dat hij als leraar aan de school, waar de broer(s) van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] leerling was/waren en/of was/waren geweest en/of uit het feit, dat hij verdachte, als leraar aan een school die [slachtoffer 2] aldaar en/of bij verdachte thuis "klusjes" liet doen, overwicht ontleende, althans dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn geestelijke overwicht

en

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2005 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, iemand waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, te weten [slachtoffer 2], geboren op [1987], opzettelijk heeft bewogen (telkens) ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, hebbende hij, verdachte,

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 2] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt,

en welke giften of beloften hierin hebben bestaan, dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] (regelmatig) geld gaf en welk misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht hierin heeft bestaan, dat hij, verdachte, (aanmerkelijk) ouder was dan die [slachtoffer 2] en/of dat verdachte uit het feit, dat hij als leraar aan de school, waar de broer(s) van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] leerling was/waren en/of was/waren geweest en/of uit het feit, dat hij verdachte, als leraar aan een school die [slachtoffer 2] aldaar en/of bij verdachte thuis "klusjes" liet doen, overwicht ontleende, althans dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn geestelijke overwicht;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1994 tot en met 26 juni 2000 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 3], geboren op [1982], hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen op zijn schoot te gaan zitten en/of

- de penis en/of het kruis van voornoemde [slachtoffer 3] betast en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis te betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] afgetrokken en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 3] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1994 tot en met 26 juni 1998 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, met [slachtoffer 3], geboren op [1982], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen op zijn schoot te gaan zitten en/of

- de penis en/of het kruis van voornoemde [slachtoffer 3] betast en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis te betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] afgetrokken en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 3] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1994 tot en met 26 juni 2000 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, een minderjarige van onbesproken gedrag, te weten [slachtoffer 3], geboren op [1982], wiens minderjarigheid hij kende of redelijkerwijs moest vermoeden, opzettelijk heeft bewogen/heeft getracht te bewegen ontuchtige handelingen met hem te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen op zijn schoot te gaan zitten en/of

- de penis en/of het kruis van voornoemde [slachtoffer 3] betast en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis te betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] afgetrokken en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 3] gelegen en/of

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt,

en welke giften of beloften hierin hebben bestaan, dat hij, verdachte, die [slachtoffer 3] (regelmatig) geld en cadeautjes gaf en die [slachtoffer 3] mee nam op een uitstapje (naar Londen) en welk misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht hierin heeft bestaan, dat hij, verdachte, (aanmerkelijk) ouder was dan die [slachtoffer 3] en/of dat verdachte uit het feit, dat hij als leraar aan de school, waar de broer(s) van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 3] leerling was/waren en/of was/ waren geweest en/of uit het feit, dat hij verdachte, als leraar aan een school die [slachtoffer 3] aldaar en/of bij verdachte thuis "klusjes" liet doen, overwicht ontleende, althans dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn geestelijke overwicht;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 mei 1988 tot en met 7 mei 1996 in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 4], geboren op [1978], hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 4] ertoe bewogen hem, verdachte, over zijn, verdachtes, benen en/of kruis en/of penis te masseren/betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] afgetrokken en/of voornoemde [slachtoffer 4] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 4] gaan liggen en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen” te maken;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 mei 1988 tot en met

7 mei 1994 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 4], geboren op [1978], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 4] ertoe bewogen hem, verdachte, over zijn, verdachtes, benen en/of kruis en/of penis te masseren/betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] afgetrokken en/of voornoemde [slachtoffer 4] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 4] gaan liggen en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen” te maken;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 mei 1988 tot en met

7 mei 1996 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, een minderjarige van onbesproken gedrag, te weten [slachtoffer 4], geboren op [1978], wiens minderjarigheid hij kende of redelijkerwijs moest vermoeden, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen met hem te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 4] ertoe bewogen hem, verdachte, over zijn, verdachtes, benen en/of kruis en/of penis te masseren/betasten en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] afgetrokken en/of voornoemde [slachtoffer 4] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en/of

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 4] gaan liggen en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en/of

- (daarbij) zogenoemde "rijdende bewegingen” te maken,

en welke giften of beloften hierin hebben bestaan, dat hij, verdachte, die [slachtoffer 4] (regelmatig) geld gaf en die [slachtoffer 4] mee nam op een uitstapje (naar Londen) en welk misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht hierin heeft bestaan, dat hij, verdachte, (aanmerkelijk) ouder was dan die [slachtoffer 4] en/of dat verdachte uit het feit, dat hij als leraar aan de school, waar die [slachtoffer 4] leerling was en/of was geweest en/of uit het feit, dat hij, verdachte, als leraar aan een school die [slachtoffer 4] aldaar en/of bij verdachte thuis "klusjes" liet doen, overwicht ontleende, althans dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn geestelijke overwicht;

5.

hij in of omstreeks de periode 1 september 2004 tot en met 29 juni 2006 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 5] (geboren op [1995]), hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 5] ertoe bewogen op zijn (verdachte’s) schoot te gaan zitten en/of

- (vervolgens) op/tegen voornoemde [slachtoffer 5] op- en neergaande en/of zogenoemde "rijdende bewegingen” gemaakt;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 29 juni 2006 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 5], geboren op [1995], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 5] ertoe bewogen op zijn, verdachte’s, schoot te gaan zitten en/of

- (vervolgens) op/tegen voornoemde [slachtoffer 5] op- en neergaande en/of zogenoemde "rijdende bewegingen” gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair, onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair, onder 3 primair, onder 4 primair, subsidiair en meer subsidiair en onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

• Ten aanzien van de onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde ontucht met [slachtoffer 5] (geboren [1995]) overweegt het hof als volgt.

Verdachte heeft altijd ontkend dat hij met [slachtoffer 5] seksuele handelingen heeft gepleegd.

De moeder van [slachtoffer 5] heeft verklaard dat, nadat van de basisschool een brief was ontvangen inhoudende dat verdachte wegens ontucht was aangehouden, haar zoon haar heeft verteld dat hij bij verdachte op schoot had gezeten en dat verdachte toen “op-en-neer bewegingen” maakte met zijn heupen (pag. 154). [slachtoffer 5] is vervolgens in een speciale verhoorstudio uitgebreid daarover ondervraagd (pag. 162-179) en uit het verhoor volgt dat [slachtoffer 5] heeft verklaard dat als hij bij verdachte op schoot zat dat verdachte dan met zijn benen wiebelde. Naar het oordeel van het hof komt de “de auditu verklaring” van moeder derhalve niet overeen met de verklaring van [slachtoffer 5]. Nu deze verklaringen voorts geen steun vinden in enig ander bewijsmateriaal, is het hof van oordeel dat verdachte, bij gebreke van voldoende wettig en overtuigend bewijs, moet worden vrijgesproken van het onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde.

• Ten aanzien van het onder 1 primair, onder 2 primair, onder 3 primair en onder 4 primair ten laste gelegde ontucht met minderjarigen terwijl deze aan de zorg, opleiding en/of waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd (artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht) overweegt het hof het volgende.

Allereerst overweegt het hof dat in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van een geformaliseerde juridische relatie tussen verdachte en de aangevers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Anders dan de advocaat-generaal, is het hof voorts met de rechtbank van oordeel dat er evenmin sprake is geweest van “toevertrouwen” aan opleiding, zorg of waakzaamheid in de zin van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] waren leerling van een andere school dan die waar verdachte en zijn broer werkzaam waren en van [slachtoffer 4] is ter terechtzitting in hoger beroep komen vast te staan dat hij weliswaar leerling is geweest op de school waar verdachte en zijn broer als leraar werkzaam waren, maar dat hij nimmer bij verdachte of zijn broer in de klas heeft gezeten. Voor wat betreft [slachtoffer 3] staat vast dat verdachte ten tijde van de gewraakte handelingen niet de leerkracht is geweest van [slachtoffer 3].

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is voorts niet gebleken dat de ouders van de aangevers de feitelijke zorgplicht geheel of gedeeltelijk tijdelijk aan verdachte hadden toevertrouwd dan wel tijdelijk aan hem hadden overgedragen. De enkele omstandigheid dat de ouders van de aangevers zouden hebben geweten dat hun kind of kinderen regelmatig bij verdachte thuis op bezoek kwam/kwamen, brengt niet zonder meer mee dat zij daarmee hun kind of kinderen aan de zorg en waakzaamheid van verdachte hebben toevertrouwd.

Nu de ten laste gelegde bestanddelen van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, dient vrijspraak te volgen voor hetgeen onder 1 primair, onder 2 primair, onder 3 primair en onder 4 primair ten laste is gelegd.

• Ten aanzien van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde ontucht op grond van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht met [slachtoffer 2] (geboren [1987]) overweegt het hof als volgt.

Gelet op de verklaring van verdachte bij de politie in mei 2006 afgelegd en de verklaring van zijn broer zoals hij die in mei 2006 bij de politie heeft afgelegd, alsmede gelet op de bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 2], is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat [slachtoffer 2] ten tijde van de seksuele handelingen jonger dan 16 jaar is geweest, zodat verdachte van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Hoewel [slachtoffer 2] op 14 februari 2007 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij vanaf zijn veertiende tot aan zijn achttiende door onder meer verdachte is misbruikt, heeft hij destijds bij de politie verklaard dat hij het moeilijk vindt om aan te geven wanneer het eerste seksuele contact met verdachte heeft plaatsgevonden (pag. 137). Verdachte heeft daarover op 17 mei 2006 verklaard dat [slachtoffer 2] ongeveer drie jaar geleden voor het eerst bij hem thuis is geweest (pag. 97), hetgeen door de broer van verdachte in zijn verklaring bij de politie van 16 mei 2006 wordt bevestigd (pag. 109). Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte voorts verklaard dat het seksueel contact met [slachtoffer 2] begon toen hij 16 of 17 jaar was.

Uitgaande van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het seksueel misbruik door verdachte is begonnen in de periode dat [slachtoffer 2] 16, 17 of 18 was, in ieder geval [slachtoffer 2] ouder dan 16 jaar was. Hierbij neemt het hof tevens in aanmerking de verklaring van de broer van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], bij de rechter-commissaris op 14 februari 2007, inhoudende dat hij nooit het vermoeden heeft gehad dat verdachte met [slachtoffer 2] seksuele handelingen verrichtte.

Nu alleen [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de ontuchtige handelingen door verdachte zijn gepleegd toen hij jonger was dan 16 jaar en die verklaring door geen enkel ander bewijsmiddel wordt ondersteund, dient – bij gebreke van voldoende wettig en overtuigend bewijs - vrijspraak te volgen.

• Ten aanzien van de onder 4 subsidiair ten laste gelegde ontucht op grond van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht met [slachtoffer 4] (geboren [1978]) overweegt het hof als volgt.

[slachtoffer 4] heeft bij de politie verklaard dat de seksuele contacten met verdachte zijn gestopt in 1997. Toen was hij 18 jaar. Over het begin van deze contacten wordt door verdachte en door [slachtoffer 4] verschillend verklaard. Verdachte heeft op 23 april 2007 bij de rechter-commissaris verklaard dat het seksueel contact met [slachtoffer 4] is begonnen in maart/april 1996 en heeft geduurd tot februari/maart 1997. [slachtoffer 4] heeft daarentegen bij de rechter-commissaris op

13 februari 2007 verklaard dat het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden vóór zijn 16e jaar.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat de seksuele contacten in 1996 en 1997 hebben plaatsgevonden. Hij koppelt dat aan een uitstapje naar Londen dat hij met [slachtoffer 4] destijds heeft gemaakt. Verder kwam [slachtoffer 4] in die tijd met de brommer naar de woning van verdachte.

Uitgaande van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de ontucht met [slachtoffer 4] heeft plaatsgevonden in de periode dat [slachtoffer 4] in ieder geval 16 jaar of ouder was en dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de seksuele contacten ook hebben plaatsgevonden toen [slachtoffer 4] jonger dan 16 jaar was. Derhalve dient verdachte van het onder 4 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Het hof merkt daarbij op dat het de verklaring van [slachtoffer 4] zoals hij die bij de rechter-commissaris op 13 februari 2007 heeft afgelegd, niet overtuigend acht, nu deze op cruciale punten afwijkt van zijn eerder bij de politie afgelegde verklaringen (zoals het moment waarop de ontucht is gestopt) en deze voorts aantoonbaar onjuistheden bevat (zo is komen vast te staan dat [slachtoffer 4] nimmer bij verdachte dan wel bij diens broer in de klas heeft gezeten).

• Ten aanzien van de onder 2 meer subsidiair en onder 4 meer subsidiair ten laste gelegde verleiding (artikel 248a en 248ter van het Wetboek van Strafrecht) overweegt het hof als volgt.

Het hof is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat er sprake is geweest van giften/beloften van geld of goed, dan wel van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of van verleiding, waardoor [slachtoffer 2] of [slachtoffer 4] opzettelijk zijn bewogen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 1998 tot en met 18 september 2000 in de gemeente Eindhoven, met [slachtoffer 1], geboren op [1984], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende hij, verdachte,

- de penis en het kruis van voornoemde [slachtoffer 1] betast en

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis te betasten en

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn kleding uit te trekken en

- voornoemde [slachtoffer 1] afgetrokken en

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en

- op voornoemde [slachtoffer 1] gelegen en

- voornoemde [slachtoffer 1] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en

- daarbij zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt;

en

3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 1996 tot en met 26 juni 1998 in de gemeente Eindhoven, met [slachtoffer 3], geboren op [1982], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen op zijn schoot te gaan zitten en

- de penis en/of het kruis van voornoemde [slachtoffer 3] betast en

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis te betasten en

- voornoemde [slachtoffer 3] afgetrokken en

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen hem, verdachte, af te trekken en

- (naakt) op voornoemde [slachtoffer 3] gelegen en

- voornoemde [slachtoffer 3] ertoe bewogen op hem, verdachte, te gaan liggen en

- daarbij zogenoemde "rijdende bewegingen" gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof acht bewezen dat verdachte seksueel contact heeft gehad met [slachtoffer 3] in de periode van 1 juli 1996 tot en met 26 juni 1998, zijnde een periode dat [slachtoffer 3] de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt. Uit het dossier blijkt dat het seksueel contact met [slachtoffer 3] is geëindigd toen hij een jaar of 16 was, derhalve in 1998.

Voorts acht het hof bewezen dat verdachte vervolgens met de broer van [slachtoffer 3], [slachtoffer 1], seksuele contacten is aangegaan. Het hof overweegt dat uit de bewijsmiddelen genoegzaam volgt dat het seksueel contact met [slachtoffer 1] voor het eerst heeft plaatsgevonden toen hij ongeveer 13 à 14 jaar was, in ieder geval toen hij jonger was dan 16 jaar. [slachtoffer 1] heeft bij de rechter-commissaris op 14 februari 2007 verklaard dat hij 13 was toen hij voor het eerst bij verdachte thuis kwam en dat binnen een jaar de seksuele handelingen met verdachte plaatsvonden, maar nog niet de eerste vier maanden. Verdachte heeft bij de politie op 17 mei 2006 verklaard dat [slachtoffer 1] 14 of 15 jaar was toen het seksueel contact voor het eerst plaatsvond en dat [slachtoffer 1] het stokje van [slachtoffer 3] heeft overgenomen (pag. 94).

Het verweer van verdachte in hoger beroep dat na het beëindigen van het seksueel contact met [slachtoffer 3] in 1998 het enige jaren heeft geduurd voordat hij met [slachtoffer 1] seksueel contact aanging, te weten in 2001 en dat [slachtoffer 1] toen ouder dan 16 jaar was, wordt door het hof verworpen.

Deze stelling van verdachte is naar het oordeel van het hof, gelet op het feit dat verdachte hier niet eerder over heeft verklaard, alsmede gelet op diens eerdere verklaring dat [slachtoffer 1] het stokje van [slachtoffer 3] overnam, niet aannemelijk geworden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 subsidiair en onder 3 subsidiair is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 247, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 57, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze wetsartikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3].

Verdachte heeft gedurende geruime tijd met de slachtoffers voornoemd ontucht gepleegd. Hiermee heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van de jeugdige slachtoffers op ernstige wijze geschonden. Het is algemeen bekend dat jeugdige slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden.

Uit het schadeonderbouwingsformulier dat is gehecht aan het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, blijkt dat [slachtoffer 1] immer nog te kampen heeft met angstgevoelens en gevoelens van onzekerheid voor wat betreft de toekomst. [slachtoffer 1] is in therapie en de verwachting is dat hij nog lange tijd therapie nodig heeft om steviger in zijn schoenen te kunnen staan.

Voor wat betreft [slachtoffer 3] blijkt uit het schadeonderbouwingsformulier dat is gehecht aan zijn voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, dat hij te kampen heeft met een schaamtegevoel over het gebeuren en dat zijn vertrouwen in andere personen, voornamelijk mannen, ernstig is geschaad. Tevens heeft hij te kampen met schuldgevoelens en met gevoelens van boosheid.

Door zijn handelwijze heeft verdachte bovendien misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hem als volwassene mocht worden gesteld. Verdachte heeft aldus volledig miskend dat kinderen juist bescherming behoeven tegen seksuele benadering door volwassenen en moeten kunnen rekenen op die bescherming daartegen. Verdachte heeft zich daarvan geen enkele rekenschap gegeven en heeft zich kennelijk slechts laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. Het hof houdt daarbij eveneens rekening met het feit dat er sprake was van een groot leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer.

Dergelijke feiten brengen vaak groot persoonlijk leed toe aan de ouders/verzorgers van de slachtoffers en leiden bovendien tot grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de inhoud van een rapportage van C. Clarijs, klinisch psycholoog, d.d. 19 juli 2006, betreffende een psychologisch onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte, welke – kort en zakelijk weergegeven – inhoudt:

Betrokkene bezit een aantal persoonlijkheidstrekken (tendens tot vermijding, verlegenheid, lichte dwangmatigheid, sterke controlebehoefte) die toch zodanig aanwezig zijn dat er gesproken kan worden van een in lichte mate gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verder is er een ontwikkeling in de richting van pedofilie. Ten tijde van het ten laste gelegde was deze ontwikkeling eveneens aanwezig. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde de gedragskeuzes c.q. gedragingen van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde. Onderzoeker zou willen spreken van enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Onderzoeker acht de recidivekans bij betrokkene niet groot. Betrokkene is door de aangifte opgeschrikt uit een ontwikkeling. Zijn geweten lijkt dermate streng dat zijn voornemen om niet in herhaling te vallen oprecht klinkt. Wel geldt dat betrokkene behandeling nodig heeft om meer te leren stilstaan bij zijn gevoelens en verlangens en zo ook vroegtijdig zicht te krijgen op het opkomen van seksuele fantasieën en verlangens zodat deze op adequate wijze een uitweg kunnen vinden.

Onderzoeker adviseert op grond van het bovenstaande een gecombineerde straf met als bijzondere voorwaarde een onder toezicht stelling van de reclassering ook als dit inhoudt dat betrokkene zich laat behandelen op de polikliniek van het FPC van de GGzE te Eindhoven.

Het hof heeft tevens gelet op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 augustus 2007 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor enig feit is veroordeeld.

Het hof acht, gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, de door de eerste rechter opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, alleszins gerechtvaardigd.

Met oplegging van een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof acht, daarbij in het bijzonder gelet op voornoemde rapportage van C. Clarijs, termen aanwezig om aan de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Reclassering Nederland, regio 's-Hertogenbosch en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van verdachte, ook indien dit inhoudt dat verdachte zich laat behandelen op de polikliniek van het FPC van de GGzE te Eindhoven of een soortgelijke instelling.

De advocaat-generaal heeft gevorderd een proeftijd te bepalen voor de duur van drie jaar.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt, onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 30 oktober 2007 (LJN BB3999). De geschiedenis van de totstandkoming van de wet die leidde tot de wetswijziging met ingang van 1 april 1993 en waarbij onder meer artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht is gewijzigd en vernummerd, bevat niets waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld wijziging te brengen in de toen bestaande regeling van de duur van de proeftijd. Daarom moet worden aangenomen dat artikel 14b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bij vergissing niet is aangepast aan de nieuwe nummering van artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 14b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht moet naar het oordeel van het hof worden gelezen als inhoudend dat de proeftijd in geval van onder meer een gestelde bijzondere voorwaarde, het gedrag van de veroordeelde betreffende, ten hoogste 2 jaar bedraagt. Gelet hierop is het niet mogelijk om een langere proeftijd dan 2 jaren te bepalen. Het hof ziet aanleiding deze maximale proeftijd aan te houden.

Ten aanzien van de door de advocaat-generaal gevorderde ontzetting van verdachte van zijn beroep van leraar, overweegt het hof als volgt. Nu verdachte ook in hoger beroep wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde bestanddeel “aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige” van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht en hij het bewezen verklaarde feit niet in zijn beroep heeft begaan, bestaat er geen grondslag om de bijkomende straf van ontzetting van het beroep van leraar op te leggen.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.000,00, inclusief wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 3.500,00, inclusief wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van verdachtes onder 3 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 3.500,00, inclusief wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering niet worden ontvangen.

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 2.554,90. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde 4] in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair, onder 3 primair, onder 4 primair, subsidiair en meer subsidiair en onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair en onder 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 subsidiair en onder 3 subsidiair bewezen verklaarde telkens oplevert:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van Reclassering Nederland, regio 's-Hertogenbosch en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van verdachte, ook indien dit inhoudt dat verdachte zich laat behandelen op de polikliniek van het FPC van de GGzE te Eindhoven of een soortgelijke instelling.

Geeft voornoemde reclasseringsinstelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 1], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor een bedrag van

EUR 1.000,00 (duizend euro) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, zijnde 21 augustus 2006.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 3], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] voor een bedrag van

EUR 1.000,00 (duizend euro) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, zijnde 16 augustus 2006.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 3], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 2], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij, [benadeelde 2], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 4], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij, [benadeelde 4], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. F. van Beuge,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 2 januari 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.