Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:2358

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-10-2008
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
HD 103.005.546
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

stamrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JK

zaaknr. HD 103.005.546/01

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 28 oktober 2008,

gewezen in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats] , België,

appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 29 augustus 2007,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. C.C.C.A.M. Kuijken,

tegen:

ROYAL PHILIPS ELECTRONICS N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. S.A.J.M. Munnichs,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 15 augustus 2007 tussen principaal appellant - [appellant] , dan wel [appellant] - als eiser en principaal geïntimeerde - Philips N.V. - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 147638/HA ZA 06-1856)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder verwijzing naar de appeldagvaarding en onder overlegging van twee producties dertien grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, primair, tot veroordeling van Philips N.V. om op een door [appellant] aan te geven wijze en aan een door hem op te geven rechtspersoon te voldoen de actuele waarde van een oudedagsvoorziening, zijnde ƒ 235.000,--/ € 106.638,--, althans subsidiair, tot verklaring voor recht dat hij jegens Philips N.V. is gerechtigd tot een stamrecht naar een beginwaarde van € 106.638,-- per 23 september 1982, met veroordeling van Philips N.V. in de kosten van beide instanties.

2.2.

Bij memorie van antwoord heeft Philips N.V. de grieven bestreden en tevens, voor het geval in appel wordt geoordeeld dat de vordering van [appellant] jegens Philips N.V. niet is verjaard, incidenteel appel ingesteld, waarbij Philips N.V. tegen het in principaal appel bestreden vonnis zes grieven heeft aangevoerd en in het voorwaardelijk incidenteel appel heeft geconcludeerd tot vernietiging voorzover het betreft de punten waartegen Philips N.V. grieven heeft aangevoerd, met bekrachtiging van het vonnis voor het overige.

2.3.

Daarop heeft [appellant] onder overlegging van zeven producties een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen.

2.4.

Ten slotte hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memories van grieven.

4 De beoordeling

In het principaal en in het voorwaardelijk incidenteel appel:

4.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1.

[appellant] is in dienst geweest van de Philips-bedrijven en wel van 1 december 1951 tot en met 31 mei 1965 en van 1 januari 1978 tot en met 1 november 1984. Philips heette toen nog "N.V. Philips Gloeilampenfabriek" en combineerde tot 1982 de functie van houdstermaatschappij met de functie van werkmaatschappij in Nederland. Per 1 oktober 1982 zijn die functies gescheiden. Waar de rechtbank spreekt over 1 januari 1982 is er sprake van een kennelijke verschrijving. Per 1 oktober 1982 functioneerde N.V. Philips Gloeilampenfabrieken (thans geïntimeerde) als houdstermaatschappij en de vennootschap "Nederlandse Philipsbedrijven B.V."(hierna ook: NPB) als werkmaatschappij voor het bedrijf in Nederland. Omdat [appellant] werkzaam was voor het bedrijf in Nederland, is zijn arbeidsovereenkomst daarbij overgegaan op NPB. Formeel had [appellant] arbeidsovereenkomsten met:

01-12-1951 - 31-05-1965: N.V. Philips Gloeilampenfabrieken

01-01-1978 - 30-09-1982: N.V. Philips Gloeilampenfabrieken

01-10-1982 - 01-11-1984: Nederlandse Philipsbedrijven B.V. (zie de beschikking van de kantonrechter te Eindhoven d.d. 30 augustus 1984).

Het hof merkt in dit verband op dat de rechtbank weliswaar als vaststaand heeft aangenomen dat [appellant] tot en met 31 december 1981 een arbeidsovereenkomst had met Philips N.V. en vanaf 1 januari 1982 met NPB, maar met Philips N.V. in haar toelichting op de eerste grief in het voorwaardelijk incidenteel appel, neemt het hof aan dat ook hier sprake is van een kennelijke verschrijving.

4.1.2.

Op 1 januari 1978 is [appellant] in dienst getreden bij Philips N.V., om als schade-expert werkzaam te zijn bij "Taxatie- en Expertisebureau [taxatie- en expertisebureau] B.V." (hierna: [taxatie- en expertisebureau] B.V.). Kennelijk was deze vennootschap opgericht door familie van [appellant] en op enig moment overgenomen door Philips.

4.1.3.

Op 12 april 1979 heeft een gesprek plaatsgehad inzake [taxatie- en expertisebureau] B.V. Bij dit gesprek waren aanwezig: dr. [betrokkene 1] , de heer [betrokkene 2] , dr. [betrokkene 3] , drs. [appellant] en mr. [betrokkene 4] . Blijkens het verslag dat van dit gesprek is gemaakt (prod. 1 inleidende dagvaarding), is sedert 1970 de herstructurering van [taxatie- en expertisebureau] B.V. regelmatig ter discussie gesteld en doen de heren [appellant] het voorstel om de meerderheid van de aandelen in [taxatie- en expertisebureau] B.V. aan hen over te dragen, waarna de heer [betrokkene 1] van Philips N.V. zich in principe bereid verklaart om 49% van de aandelen over te dragen en in eerste instantie met de heer [betrokkene 2] een gesprek zal hebben over de overdrachtsprijs van de aandelen.

4.1.4.

In een notitie van 10 oktober 1980 van [appellant] aan drs. [betrokkene 5] (hierna ook: [betrokkene 5] ) van Philips N.V., betreffende de pensioensituatie van [appellant] staat dat het wegvallen van het perspectief om een deelneming te verwerven, de aanleiding vormt om dit onderwerp ter sprake te brengen en dat dit perspectief een doorslaggevend motief was om de aangeboden functie te aanvaarden. In de (getypte) notitie wordt onder verwijzing naar twee bijlagen een overzicht gegeven van de pensioenrechten van [appellant] elders en wordt verzocht alle dienstjaren na het 25ste levensjaar ten volle voor de pensioenrechten in aanmerking te nemen en over de ontbrekende dienstjaren de verhoging van de pensioengrondslag in aanmerking te nemen. Onderaan de notitie staat, naar vaststaat in het handschrift van [appellant] :

“minder kostbaar indien in eigen beheer!

Onderbrengen in eigen B.V.”

4.1.5.

Het stuk met als opschrift ‘Aanpassing pensioen Drs. [appellant] ’, gedagtekend 20 september 1982, luidt als volgt:

“De N.V. is bereid gevonden aan Drs. [appellant] vijf pensioenjaren extra toe te kennen. Op basis van de huidige pensioengrondslagen betekent dit een pensioen van:

  1. ouderdomspensioen nu ƒ 45.585,--

  2. . ,, verhoging door 5 extra pens.jaren 12.870,--

  3. . ,, uit halve premievrije polis 4.809,--

  4. . AOW ƒ 19.716,--

-----------

totaal ƒ 82.980,--

Het pensioen bedraagt dan 49,6% van de bruto-grondslag. Op 65-jarige leeftijd komt hier nominaal ƒ 15.000,-- bij aan pensioenrechten uit de periode dat Drs. [appellant] niet bij Philips werkte.”

4.1.6.

Op het briefpapier van de Nederlandse Philips Bedrijven B.V., Hoofddirectie, [betrokkene 6] , is een notitie d.d. 23 september 1982 gesteld. Deze notitie, die was bestemd voor de heer [betrokkene 7] , kennelijk van het Philips Pensioenfonds, en ondertekend door [betrokkene 6] (hierna ook: [betrokkene 6] ) en geaccordeerd door drs. [betrokkene 5] , luidt als volgt:

Hierdoor deel ik u mede dat de Raad van Bestuur heeft besloten dat voor de toepassing van de verklaring van de N.V. met betrekking tot Drs. [appellant] kan worden gerekend met vijf extra pensioenjaren.”

4.1.7.

Op briefpapier van de Stichting Philips Pensioenfonds is gesteld de brief van [betrokkene 7] aan [appellant] d.d. 4 oktober 1982. Deze brief luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

“Naar aanleiding van een notitie die ik ontving van de heer [betrokkene 6] , mede voor accoord getekend door de heer [betrokkene 5] , Raad van Bestuur, bevestig ik u hiermede gaarne, dat bij een verder ononderbroken lidmaatschap van ons Pensioenfonds, in het kader van de Verklaring van de N.V., bij de uiteindelijke vaststelling van uw pensioenaanspraken uit ons Fonds vijf pensioenjaren extra in aanmerking zullen worden genomen.”

4.1.8.

In de loop van 1983 ontstond een arbeidsconflict tussen NPB en [appellant] . Bij beschikking van 22 oktober 1984 heeft de kantonrechter te Eindhoven de arbeidsovereenkomst tussen NPB en [appellant] ontbonden per 1 november 1984, onder toekenning aan [appellant] van een vergoeding van ƒ 200.000,-- netto.

4.1.9.

Tussen [appellant] en NPB is een verschil van mening ontstaan over de vraag welk bruto-bedrag correspondeert met het voormelde schadevergoedingsbedrag ad ƒ 200.000,-- netto. NPB en [appellant] hebben daarover in december 1984 een dading getroffen, die voorzover hier van belang, als volgt luidt:

in aanmerking nemende

(…)

Dat [appellant] zich voorts op het standpunt stelt dat Philips aan hem over de periode 01.01.1978 tot 01.11.1984 toezeggingen heeft gedaan tot salarisverhoging, verhoging van de tantièmeregeling alsook tot extra pensioenvoorzieningen (door partijen aangeduid als “halve jaren regeling” en “5 extra pensioenjaren”), welke toezeggingen echter door Philips deels worden ontkend, deels zodanig worden uitgelegd dat [appellant] daarop geen recht heeft nu hij niet tot 60-jarige leeftijd bij Philips in dienst blijft;

(…)

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

(…)

5. Na realisering van het vorenstaande verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting terzake alle tussen hen bestaande, c.q. bestaan hebbende rechtsbetrekkingen.

(…)”

In deze akte wordt met het woord “Philips” uitdrukkelijk bedoeld: Nederlandse Philipsbedrijven B.V. (NPB). Philips N.V. (geïntimeerde) wordt daarin niet genoemd.

4.1.10.

[appellant] heeft tot tweemaal toe NPB in rechte betrokken terzake van pretense vorderingen van [appellant] op een overeengekomen aanvullende pensioentoezegging als compensatie wegens het niet doorgegaan zijn van hem bij aanvang van zijn tweede dienstverband op 01-01-1978 vermeend verboden uitzicht op overname van aandelen in de toenmalige volle Philipsdochter [taxatie- en expertisebureau] B.V. Beide keren zijn de vorderingen afgewezen.

4.2.

Bij exploot van dagvaarding van 31 augustus 2006 heeft [appellant] Philips N.V. in rechte betrokken en, kort gezegd, gevorderd Philips N.V. te veroordelen om op een door [appellant] aan te geven wijze en aan een door [appellant] op te geven rechtspersoon te voldoen de actuele waarde van ƒ 235.000,--/€ 106.638,--, vermeerderd met het rendement vanaf 23 september 1982, welk rendement wordt bepaald op de samengestelde wettelijke rente. Subsidiair vorderde [appellant] te verklaren voor recht dat hij jegens Philips N.V. is gerechtigd tot een stamrecht zulks naar een beginwaarde van € 106.638,-- per 23 september 1982. Tevens vorderde [appellant] om Philips N.V. te veroordelen in de proceskosten.

4.3.

Philips N.V. heeft zich tegen deze vordering verweerd en onder meer een beroep gedaan op verjaring.

4.4.

Bij vonnis van 15 augustus 2007, waarvan beroep, heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vordering van [appellant] , zo deze al bestond, is verjaard, zodat de vorderingen van [appellant] worden afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.5.

[appellant] is het met deze beslissing niet eens en is daarvan tijdig in beroep gekomen.

4.6.

Het hof stelt voorop dat tussen [appellant] , die zijn woonplaats in België heeft, en Philips N.V. niet ter discussie staat dat het Nederlandse recht de rechtsverhouding tussen hen beheerst. De Nederlandse rechter is bevoegd van de vorderingen van [appellant] kennis te nemen.

4.7.

Philips N.V. beroept zich in hoger beroep primair erop dat [appellant] in zijn beroep niet kan worden ontvangen, althans dat dit beroep ongegrond dient te worden verklaard, nu hij niet in de appeldagvaarding dan wel in de memorie van grieven de vernietiging heeft gevorderd van het vonnis van 15 augustus 2007, waarvan beroep. Subsidiair reageert Philips op hetgeen [appellant] bij memorie van grieven heeft aangevoerd.

4.8.

Blijkens de appeldagvaarding en de memorie van grieven komt [appellant] in beroep van het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 augustus 2007. [appellant] vordert voorts bij appeldagvaarding en memorie van grieven alsnog toewijzing van zijn vordering in eerste aanleg, welke bij voormeld vonnis was afgewezen. Daarmee is duidelijk dat [appellant] de vernietiging vordert van het voormelde vonnis, hetgeen hij overigens ook expliciet heeft verwoord in de memorie van antwoord in incidenteel appel, op pagina 11-12. [appellant] kan dus wel degelijk in zijn hoger beroep worden ontvangen.

4.9.1.

Naar aanleiding van het door Philips N.V. in eerste aanleg gevoerde verweer dat de vordering van [appellant] strekt tot nakoming van een beweerdelijk in 1982 gesloten overeenkomst, namelijk tot vestiging van een stamrecht, en dat die vordering ingevolge art. 68a en art. 73 Overgangswet NBW, juncto art. 3:307 BW is verjaard, heeft de rechtbank in het bestreden vonnis overwogen dat de strekking van de vordering van [appellant] is de vestiging van een stamrecht en afstorting bij een lijfrente-vennootschap, waarna de rechtbank vervolgens concludeert dat de vordering van [appellant] inderdaad is verjaard.

4.9.2.

De achtste grief in het principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [appellant] strekt tot vestiging van een stamrecht. Volgens [appellant] vordert hij de voorziening die Philips N.V. als goed beheerder wordt geacht te hebben geboekt.

4.9.3.

[appellant] legt aan zijn vordering blijkens zijn stellingen in eerste aanleg en in hoger beroep het volgende ten grondslag. Op 12 april 1979 is een overeenstemming tot stand gekomen met de N.V. Philipsgloeilampenfabrieken om 49% van de economische eigendom van de aandelen in [taxatie- en expertisebureau] B.V. over te dragen aan de juridische aandeelhouders. Deze overeenkomst is door toedoen van drs. [betrokkene 5] van Philips niet uitgevoerd, waarna [betrokkene 5] en [appellant] in september 1982 overeenstemming hebben bereikt over een compensatieregeling voor het niet doorgaan van de overdracht van de aandelen in [taxatie- en expertisebureau] B.V. Deze overeenkomst is tot stand gekomen vóór 23 september 1982 en is naar haar aard een finale compensatie of een schadevergoeding en bevat geen ontbindende voorwaarde(n). Het stuk d.d.

20 september 1982 (zie rechtsoverweging 4.1.5) is volgens [appellant] een actuarieel overzicht op neutraal papier en bevat volgens hem de vastlegging van hetgeen inhoudelijk was overeengekomen. Meer in het bijzonder heeft Philips N.V. aan [appellant] een stamrecht toegekend ter grootte van een bedrag van ƒ 235.000,--/€ 106.638,--, zulks naar de datum van 23 september 1982. De verplichting van Philips N.V. was om een adequate voorziening in haar boeken te treffen, specifiek of onder een gemeenschappelijke noemer. Philips N.V. gaf er de voorkeur aan om haar liquiditeiten niet aan te spreken. Als oplossing werd een pensioentoezegging gedaan zonder deze vast te leggen in een pensioenbrief, zoals de Pensioen- en Spaarfondsenwet voorschreef. Bij een schriftelijke pensioentoezegging dient afstorting van de koopsom bij een verzekeraar of een stamrecht B.V. plaats te vinden. In 1982 ging het om de keuze waar het beheer van het stamrecht te leggen: Aegon, NatNed, pensioenfonds, eigen lijfrentevennootschap, zelfstandige stichting, Philips N.V., NPB. Het maakte, zo stelt [appellant] , allemaal niets uit zolang, gezien de fiscale overwegingen, [appellant] maar niet rechtstreeks over het geld zou beschikken. Een rationele keuze was om de cashflow van Philips N.V. voorlopig te ontzien. Het beheer bleef dus tot nader order bij Philips N.V. en [appellant] heeft hierop geen zicht gehad. [appellant] vordert, zo stelt hij, niet de vestiging, maar slechts afstorting van het reeds gevestigde stamrecht.

4.9.4.

Philips N.V. heeft hierop als volgt gereageerd. Op enig moment is op verzoek van [appellant] wel over een eventuele participatie van [appellant] in [taxatie- en expertisebureau] B.V. gesproken, doch dit heeft nimmer geleid tot enige overeenstemming dan wel toezegging aan [appellant] .
Philips N.V. ontkent dat [betrokkene 5] en [appellant] in september 1982 overeenstemming zouden hebben bereikt over een compensatieregeling voor het niet doorgaan van de overdracht van de aandelen in [taxatie- en expertisebureau] B.V. Niet juist is dat [betrokkene 6] en [betrokkene 5] op 23 september 1982 het bestaan van de overeenkomst aan het Philips Pensioenfonds zouden hebben gemeld. Er is niet sprake van een overeenkomst, maar van een besluit tot een eenzijdige toezegging. NPB (niet Philips N.V.) heeft in het kader van de tweede arbeidsovereenkomst destijds aan [appellant] toegezegd dat hij wat betreft de berekening van zijn pensioen vijf extra dienstjaren zou krijgen, zulks onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat [appellant] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd (60 jaar) bij NPB in dienst zou blijven. Deze voorwaardelijke toezegging is vastgelegd in de brief van het Pensioenfonds aan [appellant] d.d. 4 oktober 1982. Blijkens het petitum van de dagvaarding vordert [appellant] wel degelijk de vestiging van een stamrecht, aldus Philips N.V.

4.10.

Het hof overweegt als volgt.

4.10.1.

In zijn algemeenheid wordt met de vestiging van een stamrecht beoogd het verkrijgen van periodieke lijfrente-uitkeringen, waarbij de fiscale afrekening eerst plaatsvindt op het moment dat de waarde van het uitstaande stamrecht periodiek tot uitkering komt. Vereist in dat verband is dat de werkgever de geldsom rechtstreeks stort aan de verzekeringsmaatschappij of een lijfrentevennootschap, waardoor er in fiscale zin voor de werknemer geen genietingsmoment kan worden aangewezen.

4.10.2.

[appellant] heeft, naar het hof met name uit diens toelichting op de vijfde en zesde grief in het principaal appel concludeert, ook deze constructie voor ogen als hij het over (de vestiging van) een stamrecht heeft.

4.10.3.

Blijkens het petitum van de dagvaarding vordert [appellant] de veroordeling van Philips N.V. om op een door hem ( [appellant] ) aan te geven wijze en aan een door hem op te geven rechtspersoon te voldoen de actuele waarde van ƒ 235.000,--/€ 106.638,--, vermeerderd met het rendement sedert 23 september 1982. Aldus geformuleerd, lijkt de vordering van [appellant] inderdaad betrekking te hebben op een (nog) te vestigen stamrecht.

4.10.4.

[appellant] stelt echter dat hij niet het alsnog vestigen van een stamrecht vordert, maar de afstorting van het reeds gevestigde stamrecht, te weten de voorziening die Philips N.V. als goed beheerder wordt geacht te hebben geboekt.

4.10.5.

De vordering van [appellant] is gericht tegen Philips N.V., met wie hij naar zijn zeggen de afspraken had gemaakt, waarop hij zijn vordering baseert. Het bedrag dat [appellant] vordert, is blijkens diens eigen stellingen de reservering die Philips N.V. in haar boeken had gemaakt of had dienen te maken in verband met de naar zeggen van [appellant] met hem gemaakte afspraken. [appellant] heeft in zijn toelichting op de twaalfde grief opgemerkt dat het in 1982 ging om de keuze waar het beheer van het stamrecht te leggen: Aegon, NatNed, Pensioenfonds, eigen lijfrentevennootschap, zelfstandige stichting, Philips N.V., NPB, en dat het allemaal niets uitmaakte zolang [appellant] , gezien de fiscale overwegingen, maar niet rechtstreeks over het geld zou beschikken. [appellant] lijkt hier te betogen dat het stamrecht reeds bij Philips N.V. is gevestigd door een voorziening in de boeken van Philips N.V. Dat dit niet juist is, volgt reeds uit de rechtsoverwegingen 4.10.1 en 4.10.2 en uit het juiste en in hoger beroep niet (gemotiveerd) bestreden oordeel van de rechtbank dat de vestiging van een stamrecht fiscaal aan tamelijk strikte regels is gebonden en daarom nauwkeurige vastlegging vergt, waarvan in elk geval niet is gebleken. Het hof concludeert dan ook dat de vordering van [appellant] wel degelijk strekt tot vestiging van een stamrecht en daarmee tot nakoming van een overeenkomst.

4.10.6.

Ingevolge het bepaalde in art. 68a en art. 73 Overgangswet NBW juncto art. 3:307 BW geldt daarvoor een verjaringstermijn van vijf jaren. Dat is in hoger beroep niet in discussie.

4.10.7.

[appellant] heeft geen gemotiveerde bezwaren aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van een dergelijke verjaringstermijn, deze termijn van vijf jaren is verstreken.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verweer van Philips N.V. dat de vordering van [appellant] is verjaard, slaagt. De grieven in het principaal appel falen dan ook, dan wel behoeven geen afzonderlijke bespreking. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt als niet ter zake dienend gepasseerd. Het incidenteel appel behoeft geen bespreking, nu de voorwaarde waaronder het was ingesteld, namelijk dat zou worden geoordeeld dat de vordering van [appellant] niet is verjaard, niet in vervulling is gegaan.

4.12.

Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [appellant] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 3.200,-- aan verschotten en € 2.632,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Venner-Lijten, Spoor en Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2008.

griffier rolraadsheer