Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:142

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
C0600449-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnr. C0600449/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 15 januari 2008,

gewezen in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE OISTERWIJK,

zetelend te Oisterwijk,

appellante bij exploot van dagvaarding van 6 april 2006,

procureur: mr. J.P.F.W. van Eijck,

tegen:

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. C.E.M. Renckens,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 22 februari 2006 tussen appellante – gemeente Oisterwijk - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 145060/HA ZA 05-643)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij memorie van grieven heeft de gemeente Oisterwijk zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering in conventie van [geïntimeerde] en toewijzing van haar vordering in reconventie, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met de wettelijke rente over de proceskosten.

2.2.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3.

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, de gemeente Oisterwijk door mr. R.M. van Bemmel en [geïntimeerde] door mr. C.M.V.M. Ketelaars. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ter zitting heeft de gemeente twee producties overgelegd, die voorafgaand aan het pleidooi tijdig bij brief aan de wederpartij en de griffie van het hof zijn gezon

2.4.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar voormelde memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2.

In de overwegingen 2.1. tot en met 2.12. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal omwille van de leesbaarheid van dit arrest die feiten verkort weergeven.

4.3.

[geïntimeerde] heeft in 1983 een deel van een perceel grond met een daarop staande woning gekocht van [verkoper]. De gemeente Oisterwijk heeft het andere deel van dit perceel gekocht. Het door de gemeente gekochte perceelsgedeelte is inmiddels opgegaan in het perceel kadastraal bekend gemeente Oisterwijk, sectie [sectieletter], nr. [sectienummer].

4.4.

Bij brief van 20 mei 1985 heeft [geïntimeerde] de gemeente verzocht een deel van de braakliggende, door hem onderhouden, grond in bruikleen te mogen verkrijgen of eventueel te huren, waarbij hij zou zorg dragen voor het (verdere) onderhoud van het perceel.

4.5.

Bij brief van 5 augustus 1986 heeft de gemeente [geïntimeerde], evenals de eigenaren van de andere belendende percelen, aangeboden een deel van het braakliggende perceel te kopen.

4.6.

Bij brief van september 1986 hebben de eigenaren van de belendende percelen, waaronder [geïntimeerde], de gemeente meegedeeld dat de prijs van fl. 40,- excl. BTW per m2 voor hen niet acceptabel was. Zij hebben de gemeente verzocht een nieuw voorstel te doen met daarin opgenomen een symbolische prijs.

4.7.

De gemeente heeft bij brief van 19 november 1986 aan [geïntimeerde] medegedeeld niet bereid te zijn het perceel voor een symbolisch bedrag te verkopen.

4.8.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat hij op grond van artikel 3:105 BW eigenaar is geworden van het perceel grond gelegen te Oisterwijk, kadastraal bekend gemeente Oisterwijk sectie [sectieletter] nr. [sectienummer]. De gemeente heeft in reconventie gevorderd, kort gezegd, [geïntimeerde] te veroordelen tot ontruiming van voormeld perceel, met al het zijne en de zijnen en dit ter vrije beschikking van de gemeente te stellen.

4.9.

De rechtbank heeft de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen.

4.10.

De gemeente Oisterwijk heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de verjaring niet eerder dan op 13 juli 2005 is gestuit. Voor het overige strekken de grieven ertoe het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en lenen zij zich voor gezamenlijke behandeling.

4.11.

Het hof stelt voorop dat voor verkrijging door ex-tinctieve verjaring op grond van artikel 3:105 BW vereist is dat [geïntimeerde] het perceel grond bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid.

4.12.

Volgens artikel 3:314 lid 2 BW begint de termijn van verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindi-ging van het bezit van een niet-rechthebbende met de aanvang van de dag die volgt op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden. Nu niet is gesteld of gebleken dat een derde (niet-rechthebbende) partij bezitter is geworden, geldt dat voor aanvang van de verjaringstermijn vereist is dat [geïntimeerde] op enig moment bezitter van het perceel is geworden.

4.13.

Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (ar-tikel 3:107 lid 1 BW). Met de woorden ‘voor zichzelf’ wordt blijkens de parlementaire geschiedenis bedoeld dat de machtsuitoefening over het goed plaatsvindt op grond van de pretentie tegenover derden dat men rechthebbende is.

4.14.

Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] het perceel houdt (in ruime zin) nu hij dit perceel in gebruik heeft en daarover macht uitoefent.

4.15.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of [geïntimeerde] voor zichzelf houdt. Ingevolge artikel 3:108 BW wordt de vraag of iemand een goed voor zichzelf of voor een ander houdt, naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de wettelijke regels vastgelegd in de artikelen 3:109-117 BW en overigens op grond van uiterlijke feiten.

4.16.

Beslissend voor het zijn van bezitter zijn derhalve de uiterlijke feiten waaraan in het verkeer een erkenning van bezit wordt geknoopt. De interne wil van de houder is slechts relevant voor zover die in zulke feiten tot uiting komt.

4.17.

[geïntimeerde] stelt dat hij het bezit heeft verkregen door inbezitneming als bedoeld in artikel 3:112 BW. Het hof stelt voorop dat naar verkeersopvatting hogere eisen gelden voor inbezitneming van onroerende zaken dan voor inbezitneming van roerende zaken. Gedragingen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, zijn onvoldoende om te spreken van inbezitneming. De door [geïntimeerde] gestelde machtsuitoefeningen over het perceel – tijdelijke opslag van bouwmaterialen, tijdelijke plaatsing van een puincontainer en speeltoestellen, het spelen van zijn kinderen op het perceel, het verwijderen van de beukenhaag en het plaatsen van gaas met palen als afscheiding - zijn stuk voor stuk handelingen die ook een houder in enge zin zou kunnen verrichten en die niet hoeven te duiden op een eigendomspretentie van [geïntimeerde]. Ook naar het thans geldende recht dient dit bezit van [geïntimeerde] immers openbaar en ondubbelzinnig te zijn. Weliswaar is dat niet langer uitdrukkelijk in de wet vermeld, maar die vereisten liggen reeds in het hebben van bezit besloten (Parl. Gesch. Boek 3, p. 408).

4.18.

Uit het feit dat [geïntimeerde] bij brief van 20 mei 1985 uitdrukkelijk de eigendom van de gemeente heeft erkend en aan de gemeente heeft verzocht het perceel grond in bruikleen te mogen verkrijgen dan wel te mogen huren, volgt dat [geïntimeerde] (in ieder geval) jegens de gemeente niet pretendeerde eigenaar te zijn. Dit volgt voorts uit het feit dat [geïntimeerde] met de gemeente heeft onderhandeld over aankoop van het perceel, zoals blijkt uit de mede namens [geïntimeerde] aan de gemeente gezonden brief van september 1986 (zie hiervoor onder 4.5.). Uit de verklaring van [verkoper] (productie 9 bij dagvaarding) blijkt verder dat [geïntimeerde] de gemeente in 1990 nogmaals heeft verzocht de mogelijkheden te bezien om het gebruik door [geïntimeerde] te ‘legaliseren’.

4.19.

Uit de verklaringen die [geïntimeerde] en de gemeente in het geding hebben gebracht volgt voorts dat [geïntimeerde] ook jegens derden niet pretendeerde eigenaar te zijn. Het hof verwijst met name naar de verklaringen van de heer en mevrouw [getuige 1] en de heer en mevrouw [getuige 2] (productie 10 bij dagvaarding). De daarin vermelde feiten leveren een naar buiten toe blijkende erkenning van [geïntimeerde] van het eigendomsrecht van de gemeente op.

4.20.

Het hof is dan ook van oordeel dat [geïntimeerde] bij de ingebruikneming van het perceel niet voor zichzelf is gaan houden en derhalve geen bezitter is geworden.

4.21.

Daaraan doet niet af dat artikel 3:109 BW bepaalt dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden. Deze regel vormt immers slechts een aanvullend criterium naast de in artikel 3:108 BW bedoelde verkeers-opvatting. In het onderhavige geval waarin [geïntimeerde] het eigendomsrecht van de gemeente heeft erkend, komt aan de bewijsrechtelijke functie van het houderschap geen betekenis toe, nu uit die erkenning juist blijkt dat [geïntimeerde] niet voor zichzelf hield.

4.22.

Aangezien [geïntimeerde] niet voor zichzelf maar voor de gemeente is gaan houden, is hij daarmee - gelet op arti-kel 3:111 BW – op dezelfde wijze voortgegaan zodat hij ook na de ingebruikneming nimmer bezitter is geworden. Immers, gesteld noch gebleken is dat hierin verandering is gebracht hetzij ten gevolge van een handeling van de gemeente, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van het eigendomsrecht van de gemeente. Nu [geïntimeerde] geen bezitter is (geworden), is niet voldaan aan de voorwaarde voor verkrijging op grond van artikel 3:105 BW en is de gevor-derde verklaring voor recht niet toewijsbaar.

4.23.

De grieven I tot en met V en VII slagen derhalve. Aangezien [geïntimeerde] overigens geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot toewijzing van zijn vordering kunnen leiden, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen.

4.24.

Nu gezien het voorgaande vaststaat dat de gemeente eigenaar is, slaagt ook grief VI en zal het hof de recon-ventionele vordering van de gemeente op grond van artikel 5:2 BW alsnog toewijzen. Het hof zal daarbij echter niet (zoals gevorderd) bepalen dat het arrest gedurende twee jaar ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich op het perceel bevindt en telkens wanneer zich dit voordoet. Met het geding ligt enkel de rechtsbetrekking tussen de gemeente en [geïntimeerde] ter beoordeling voor, het-geen zich verzet tegen toewijzing van de vordering voor zover die zich richt tegen anderen dan [geïntimeerde] en de zijnen.

4.25.

Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

in conventie:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie, welke kosten aan de zijde van de gemeente Oisterwijk worden begroot op € 244,- aan verschotten en € 904,- aan salaris procureur;

in reconventie:

- beveelt [geïntimeerde] het perceel kadastraal bekend gemeente Oisterwijk sectie [sectieletter], nummer [sectienummer] binnen één week na be-tekening van dit arrest te verlaten en te ontruimen met al het zijne en al de zijnen en ter vrije beschikking van de gemeente Oisterwijk te stellen, met machtiging aan de gemeente Oisterwijk om bij nalatigheid van [geïntimeerde] om aan de bevolen ontruiming te voldoen, de ont-ruiming zelf te bewerkstelligen, zonodig met de sterke arm van politie en justitie;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg in reconventie, welke kosten aan de zijde van de gemeente Oisterwijk worden begroot op € 452,- aan salaris procureur;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

en voorts:

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger be-roep, welke kosten aan de zijde van de gemeente Oisterwijk worden begroot op € 367,32 aan verschotten en € 2.682,- aan salaris procureur, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Feddes, Hendriks-Jansen en Riemens en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 januari 2008.