Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BG6784

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
06/00376
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij belanghebbende, een tot 2,5 jaar gevangenisstraf veroordeelde drugscrimineel, wordt een bedrag aan contanten ad fl. 250.000,- aangetroffen. De inspecteur rekent dit bedrag tot belanghebbendes inkomen en legt een navorderingsaanslag op. Het Hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en handhaaft in hoger beroep de aanslag. De verklaring van belanghebbende dat het geld afkomstig is van een lening acht het Hof niet geloofwaardig; het Hof acht aannemelijk dat de betreffende contanten afkomstig zijn uit drugshandel. Aan de behandeling van de vraag of de Inspecteur terecht de bewijslast heeft omgekeerd komt het Hof niet meer toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00376

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 augustus 2006, nummer AWB 05/2079, in het geding tussen

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.H.77 over het jaar 1997 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 290.660,= met een verhoging (door de Inspecteur aangeduid als boete) van fl. 250,=.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij gezamenlijke uitspraak de navorderingsaanslag en de verhoging gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar alsmede de navorderingsaanslag vernietigd.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft – over de verhoging en het kwijtscheldingsbesluit is noch in eerste aanleg noch in hoger beroep gesproken - plaatsgehad op 3 mei 2007 te 's Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is met schriftelijk bericht niet verschenen.

1.5. Het hof heeft het beroep inzake de jaren 1997, 1998, 1999 en 2000 op eenzelfde zittingsdag en aanvangende op hetzelfde tijdstip behandeld, conform de oproeping voor de zitting aan partijen. Partijen hebben niet doen blijken bezwaar te hebben tegen een zodanige gezamenlijke behandeling, noch ook hebben zij verzocht om extra afschriften van stukken in een afzonderlijk beroep voor en ten behoeve van een ander beroep.

In samenhang met hetgeen de Hoge Raad beslist heeft in zijn arrest van 3 januari 1996, nr. 30.634, V-N 1996/375, heeft het hof dienovereenkomstig kennis genomen van en houdt voor de genoemde beroepen rekening met hetgeen in elk van die zaken meer specifiek te berde is gebracht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 1997 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 40.660,=.

Bij navorderingsaanslag van 5 november 2002 heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 290.660,=, zijnde fl. 250.000,= meer dan was aangegeven.

2.2. De vorenbedoelde fl. 250.000,= betreft, zoals de Rechtbank in haar uitspraak van 15 augustus 2006 in 2.1. tot en met 2.3. heeft gereleveerd, een als geldleningsschuld in de aangifte inkomstenbelasting/premieheffing over 1998 opgenomen bedrag, waarvan de Inspecteur op de door hem aangevoerde gronden meent dat de lening gefingeerd is.

In het terzake door de FIOD-ECD opgemaakt fiscaal rapport van 17 oktober 2002 heeft de opsporingsambtenaar aan de Inspecteur geadviseerd om het bedrag van de lening geheel aan te merken als inkomen over het jaar 1997. De Inspecteur heeft dat advies gevolgd.

2.3. Belanghebbende heeft deze visie van de Inspecteur bestreden.

2.4. De Inspecteur is verder van mening op de door hem daartoe aangevoerde gronden dat, doordat inkomsten zouden zijn genoten maar niet zijn aangegeven, geen juiste aangifte is gedaan, met als gevolg omkeren van de bewijslast.

2.5. Belanghebbende heeft ook deze visie van de Inspecteur bestreden.

2.6. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard.

2.7. Van de uitspraak van de Rechtbank heeft de Inspecteur tijdig hoger beroep ingesteld bij het hof.

2.8. In hoger beroep voert de Inspecteur nader aan, dat naar zijn mening sprake is van een gefingeerde lening.

In het beroepschrift in hoger beroep voert de Inspecteur daartoe, met referte aan het verweerschrift in eerste aanleg en het daarbij overgelegde proces-verbaal van de FIOD-ECD, het volgende aan.

Met betrekking tot het belang in A en B, dat het belang althans de economische eigendom van de aandelen in A, bij belanghebbende berust.

Met betrekking tot de lening, dat sprake is van een gefingeerde lening.

2.9. Daarenboven stelt de Inspecteur, dat ook in 1997 inkomsten zijn genoten die niet zijn aangegeven, waardoor de bewijslast is omgekeerd.

Voorts stelt de Inspecteur dat niet gebleken is dat en in hoeverre de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag zou zijn vastgesteld.

2.10. De Inspecteur stelt verder dat de fl. 250.000,= ontvangen en aanwezig zijn niet krachtens een lening, maar wegens (ontvangen en niet aangegeven) inkomsten, waarbij die ontvangsten dan, in de mening van de Inspecteur, tot het volle bedrag van fl. 250.000,= aan het jaar 1997 zijn toe te rekenen als in dat jaar genoten inkomsten.

2.11. Met betrekking tot de fl. 250.000,= behoort tot de gedingstukken het volgende document, gesteld op briefpapier van A, met datum 22 december 1997:

“Geachte Heer X,

Naar aanleiding van uw verzoek tot het verstrekken van een persoonlijke lening ad. ƒ 250.000,= (zegge: tweehonderdvijftig duizend gulden) kunnen wij U berichten bereid te zijn tot het verstrekken hiervan.

De maximale duur bedraagt 10 jaar, te rekenen vanaf 1 januari 1998. de rente is vast tegen een percentage van 9%.

Per 1 januari en 1 juli van elk jaar dient te worden voldaan aan aflossing en rente de somma van ƒ 23.750,= (zegge: drieëntwintigduizend en zevenhonderdenvijftig gulden).

Het te lenen bedrag zal na telefonische afspraak vanaf 5 januari aan U ter hand gesteld kunnen worden of worden overgeschreven aan een door U opgegeven bankrekeningnummer.

Voorzover U zich akkoord verklaart met het vorenstaande verzoek ik U dit schrijven ondertekend aan mij te retourneren.

Voor akkoord:

w.g. C w.g. X.”.

2.12. Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal van de FIOD-ECD van 25 april 2003, waarin te dezer zake is opgenomen, onder meer:

“Volgens de aangifte IB 1998 was sprake van een aftrekpost van NLG 7.500,00 van rente van schulden.

Volgens de aangifte IB 1999 was volgens de aangehechte specificatie sprake van een aftrekpost van NLG 22.500,00 van rente van schuld A.

Volgens de aangifte IB 2000 was volgens de aangehechte specificatie sprake van een aftrekpost van NLG 21.938,00 van rente van schuld A.

Betreffende deze lening is in het dossier van de Belastingdienst/Ondernemingen te Y een fotokopie van een brief d.d. 22-12-1997 aangetroffen van A aan verdachte X. Deze brief is reeds als bijlage D/19 bij dit proces-verbaal gevoegd.

De fotokopie van brief is opgemaakt op briefpapier van A, en voorzien van de naam C en een handtekening. Opvallend is dat uit bijlage 45 blijkt dat de naam van deze medewerker van D volgens bijklage 45 luidt mr. C, zonder het tussenvoegsel ‘van’.

Eveneens opvallend is dat de op dit bescheid D/19 geplaatste handtekening aanzienlijk verschilt van de originele handtekening op de bescheiden D/178, D/179, D/218 t/m D/223.”

alsmede, als door belanghebbende verklaard op 5 november 2002:

“U noemt mij de naam C en zegt mij dat die een functie had binnen een Luxemburgse onderneming. Neen, daar ben ik pertinent in, ik heb daar nog nooit van gehoord.

U noemt mij de naam E eveneens een functionaris van een Luxemburgse onderneming die werkzaamheden heeft verricht voor A, ook hier blijf ik het antwoord schuldig, zegt mij niets.”

en voorts, met als datum 6 november 2002:

“Na het tonen van bijlage D/19.

“Ik herken dit stuk, het is mijn handtekening. Het stuk heeft betrekking op een persoonlijke lening die ik heb afgesloten bij A van fl. 250.000,-. Dit bedrag heb ik gekregen van A, wanneer weet ik niet meer.

Welke zekerheid ik hiervoor gegeven heb, weet ik niet. Ik dacht dat ik dit geld contant ben gaan halen in Luxemburg. Ik weet het overigens niet meer. Ik weet ook niet meer waar ik het geld voor gebruikt heb, ik dacht nu bij nader inzien voor de verbouwing van de Cottage. Ik heb deze verbouwing in eigen beheer uitgevoerd. Ik heb voor dit bedrag te krijgen een mooi verhaal opgehangen. Wie de medeondertekenaar C is, weet ik niet.

Deze verklaring is bij dit proces-verbaal gevoegd als bijlage V.2.4.”

en voorts, met als datum 7 november 2002, naar aanleiding van en ten antwoord op de vraag hoe belanghebbende zijn rente en aflossing over zijn lening ad fl. 250.000,= circa fl. 23.000,= per halfjaar had terugbetaald aan A:

“Ik dacht dat ik de rente en aflossing contant heb terugbetaald, aan wie weet ik niet meer. Hoe het een en ander is gegaan kan ik mij niet herinneren.”

Deze verklaring is bij dit proces-verbaal gevoegd als bijlage V.2.5.”.

2.13. Tot de gedingstukken behoort mede het vonnis in hoger beroep van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 november 1999.

Blijkens dit arrest is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2,5 jaar onder aftrek van voorarrest, terzake van het bewezen verklaarde dat hij voor wat betreft sub 1 primair voor juni 1998, en voor wat betreft sub 2 en sub 3 in de periode van oktober 1997 tot en met 21 juni 1998 in de regio’s F en Y en G en Roemenie en de Bondsrepubliek Duitsland heeft gehandeld als volgt:

“sub 1 primair: “Medeplegen van: poging tot opzettelijk handelen met een in artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod”.

sub 2: “Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen:

- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”.

sub 3: “Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”.”.

2.14. Het in 2.13 bedoelde vonnis is ten aanzien van belanghebbende ten uitvoer gelegd in en gedurende het tijdvak 27 september 2000 tot 16 november 2001 in de P.I. H te J.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Hetgeen belanghebbende en de Inspecteur verdeeld houdt, is het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 1997, 1998 en 1999 niet de vereiste aangifte heeft gedaan door inkomsten niet in de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over die jaren te verantwoorden, waardoor de bewijslast omtrent de onjuistheid van de navorderingsaanslagen bij belanghebbende ligt (omkering bewijslast)?

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

II. Indien er sprake is van omkering van de bewijslast: heeft belanghebbende doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslagen te hoog zijn?

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

III. Indien er geen sprake is van omkering van de bewijslast, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de navorderingsaanslagen tot het juiste bedrag zijn vastgesteld?

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de Inspecteur – belanghebbende is niet ter zitting verschenen - hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende doet alles contant. Hij leeft op een boot, heeft twee cafés. Er is geen vermogensvergelijking gedaan. Het enige wat we kunnen zien is de leningen uit Luxemburg en het financieren van een drugslab in Roemenië in 1997. Dat is geld dat we niet in zijn aangifte hebben kunnen vinden.

De inkomsten van belanghebbende in 1997 stammen uit criminele activiteiten. We leggen een verband met de rol die belanghebbende in dat milieu heeft.

Hij staat hoog op die ladder. Of het nu inkomsten uit softdrughandel in het café zijn? Het is een reële mogelijkheid, maar het kan ook uit andere activiteiten zijn. Hij handelde eerst in harddrugs en dat is later omgeslagen in softdrugs.

We hebben gesteld dat je niet zomaar een café kunt beginnen. Als je in 1998 in dat milieu zit, gaat er een zekere inwerkperiode aan vooraf. De fl. 250.000,= is uit handel, criminele activiteit. Bij de rechtbank is al gezegd dat voor een XTC-lab geld nodig is. Belanghebbende heeft gefinancierd, hij was de spil.

We hadden op een gegeven moment het bedrag van fl.250.000,=. Daarom is het inkomen uit drugs daarop geschat. Het was contant aanwezig. We hebben toen een schatting van zijn inkomen gemaakt. Daarna is er een huiszoeking geweest. Toen zijn drugs gevonden. Naar aanleiding daarvan hebben we gezegd dat dan het inkomen toch hoger geweest moet zijn.

Ik stel dat het inkomen uit handel in soft- en harddrugs in 1997 is.

3.3. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift.

Belanghebbende concludeert naar het hof verstaat tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het hof stelt het volgende voorop.

Indien en voor zover de Inspecteur een al of niet voorwaardelijk bewijsaanbod heeft gedaan en zou willen of zou hebben willen handhaven, staat daar tegenover dat de Inspecteur ter zitting nader heeft verklaard “We hebben gewoon niet meer dan we hebben overgelegd.”.

Het hof leidt hieruit af, dat de Inspecteur al het hem ter beschikking zijnde heeft ingebracht in de procedure, en daar niets meer aan kan toevoegen. Om die reden gaat het hof aan bedoeld eventueel bewijsaanbod nu voorbij.

4.2. Niet in geschil is, dat belanghebbende uiterlijk in het begin van het jaar 1998 beschikte over een bedrag van

fl. 250.000,=.

4.3. Belanghebbende stelt, dat dit bedrag afkomstig is uit een ontvangen lening van A, als hiervoren beschreven in 2.11.

Het hof acht, gegeven de onder 2.12 vermelde feiten en omstandigheden – waaronder met name belanghebbendes verklaring “Dit bedrag heb ik gekregen van A, wanneer weet ik niet meer. Welke zekerheid ik hiervoor gegeven heb, weet ik niet. Ik dacht dat ik dit geld contant ben gaan halen in Luxemburg. Ik weet het overigens niet meer. Ik weet ook niet meer waar ik het geld voor gebruikt heb” en rekening houdend met de bestrijding door de Inspecteur - zulks niet geloofwaardig.

4.4. Niet is door belanghebbende gesteld en onderbouwd dat de bedoelde geldmiddelen zijn verkregen uit anderszins geleende bedragen dan wel zijn afgezonderd uit hem toebehorend eigen vermogen.

4.5. Uit hetgeen onder 2.13 is opgenomen, blijkt dat belanghebbende in de aldaar omschreven vormen en mate zich in de hier relevante tijdsperiode heeft bezig gehouden met of in verband met verdovende middelen als daar omschreven.

4.6. Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende uit dien hoofde aanzienlijke inkomsten zou hebben kunnen verwerven. Nu belanghebbende wel over fl. 250.000,= beschikt maar geen enkele of geloofwaardige verklaring heeft aangereikt over de herkomst van bedoelde geldmiddelen, acht het hof denkbaar dat deze geldmiddelen de financiële vrucht zijn van de hier bedoelde activiteiten van belanghebbende.

4.7. De Inspecteur heeft, blijkens de gedingstukken, een en andermaal het vermoeden geuit dat belanghebbende in het jaar 1997 een bedrag van fl. 250.000,= aan inkomsten uit activiteiten in of met verdovende middelen heeft genoten.

Belanghebbende heeft, tegenover hetgeen daaromtrent door de Inspecteur is aangevoerd, en hetgeen dienaangaande hiervoren is overwogen, dit wel ontkend, maar daaromtrent niets bijgebracht of onderbouwd wat tot een andersluidende uitkomst zou kunnen leiden, en heeft met name aldus het evenbedoelde vermoeden niet ontzenuwd. Het hof acht op deze grond aannemelijk dat belanghebbende tot dit bedrag en uit dezen hoofde inkomsten heeft genoten.

4.8. Niet in geschil is, dat met betrekking tot mogelijke inkomsten uit verdovende middelen geen bedrag begrepen is in het aangegeven belastbaar inkomen over 1997, en evenmin dat indien zodanige inkomsten aanwezig zouden zijn en die tot het belastbaar inkomen zouden behoren, geen sprake zou zijn van omstandigheden die een navordering zouden verhinderen.

4.9. Zoals hiervoren overwogen, acht het hof aannemelijk dat belanghebbende in het jaar 1997 een bedrag van (ten minste)

fl. 250.000,= heeft genoten uit activiteiten als boven omschreven. Voorts, dat deze inkomsten kwalificeren als winst uit onderneming of als inkomsten uit andere arbeid, en mitsdien behoren tot het belastbaar inkomen.

4.10. Nu op grond van het vorenstaande het bedrag van

fl. 250.000,= tot het belastbaar inkomen van belanghebbende van het jaar 1997 behoort en uit dien hoofde belastbaar is, behoeven de overige geschilpunten geen verdere behandeling meer.

4.11. Niet gebleken of aannemelijk is dat uit enigerlei anderen hoofde het door navordering belaste belastbare inkomen tot een bedrag van fl. 290.660,= tot een te hoog bedrag zou zijn vastgesteld.

4.12. Het gelijk in deze is aan de zijde van de Inspecteur.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur

ingestelde beroep ongegrond; en

bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan op 28 juni 2007 door T. Blokland, voorzitter, J.G. Verseput en M.C.G.J. van Well, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het

volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.