Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BD6475

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
K07/0339
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klacht ex artikel 12 Sv.; art. 261, 262, 285 Sr.

Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat enerzijds gelet op de inhoud van de brief en anderzijds gelet op de adressering van de brief aannemelijk is dat beklaagde niet de intentie heeft gehad om ruchtbaarheid aan het geschrevene te geven in de zin van artikel 261 en 262 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is het hof van oordeel dat, gelet op de hele tekst van de brief, het niet zonder meer aannemelijk is te achten dat beklaagde klager heeft willen bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht.

Het hof acht het aannemelijk dat de brief is geschreven uit onvrede en/of gevoelens van machteloosheid die zich niet zelden van slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven of hun nabestaanden meester maken, emoties waarvoor in de verwerkingsfase na dergelijke delicten tot op zekere hoogte plaats moet zijn.

Uit bovenstaande volgt dat, bij gebrek aan bewijs dat beklaagde de door klager bedoelde strafbare feiten heeft gepleegd, de klacht moet worden afgewezen. Op zich valt op voorhand niet uit te sluiten dat eventueel nader onderzoek zou kunnen leiden tot nader bewijs op grond waarvan een vervolging van beklaagde wel tot het door klager gewenste resultaat zou kunnen leiden. Het hof ziet echter geen reden om dergelijk nader onderzoek te gelasten, omdat de ernst van de beweerdelijk door beklaagde gepleegde feiten in geen enkele verhouding staat tot het leed dat haar door klager is toegebracht en vervolging van beklaagde op grond van een emotioneel geschreven brief in een relatief pril rouwproces, naar het oordeel van het hof evident niet opportuun is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K07/0339

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 21 december 2007 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

(klager),

thans gedetineerd te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: klager,

over de beslissing van de officier van justitie te Maastricht tot het niet vervolgen van:

(beklaagde),

wonende te Voerendaal,

hierna te noemen: beklaagde,

wegens smaad c.q. laster en/of bedreiging.

De feitelijke gang van zaken.

Op 6 april 2007 heeft klager aangifte gedaan van smaad c.q. laster en/of bedreiging, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagde.

Op 3 juli 2007 is door de officier van justitie aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er onvoldoende grond is voor verdenking.

Hierop heeft klager bij schrijven van 10 juli 2007 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 13 juli 2007, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 7 augustus 2007 het hof geraden het beklag als kennelijk ongegrond af te wijzen.

De beoordeling.

Klager is veroordeeld ter zake van een viervoudige moord. De slachtoffers betroffen vier leden van één familie. Beklaagde is een nabestaande van de overledenen. Zij heeft op 13 augustus 2006 een brief aan de minister van justitie geschreven waarin zij onder meer stelt:

- dat klager een psychopaat is en op een geraffineerde wijze te werk gaat, waarbij klager zich aan het gevangenisregime onttrekt door in de ziekenboeg te verblijven;

- dat klager zogenaamd in hongerstaking gaat;

- dat klager geen geweten heeft en gewetenloos is;

- “de Nederlandse politiek maakt van mij een moordenaar als u hieraan meewerkt.”

Deze brief is klager om procedurele reden via justitiële autoriteiten ter hand gesteld.

Klager stelt dat beklaagde met (onder meer en met name) de bovenstaande uitlatingen smaad en/of laster heeft gepleegd en dat de zinsnede “de Nederlandse politiek maakt van mij een moordenaar als u hieraan meewerkt” een bedreiging is.

Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat enerzijds gelet op de inhoud van de brief en anderzijds gelet op de adressering van de brief aannemelijk is dat beklaagde niet de intentie heeft gehad om ruchtbaarheid aan het geschrevene te geven in de zin van artikel 261 en 262 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is het hof van oordeel dat, gelet op de hele tekst van de brief, het niet zonder meer aannemelijk is te achten dat beklaagde klager heeft willen bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht.

Het hof acht het aannemelijk dat de brief is geschreven uit onvrede en/of gevoelens van machteloosheid die zich niet zelden van slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven of hun nabestaanden meester maken, emoties waarvoor in de verwerkingsfase na dergelijke delicten tot op zekere hoogte plaats moet zijn.

Uit bovenstaande volgt dat, bij gebrek aan bewijs dat beklaagde de door klager bedoelde strafbare feiten heeft gepleegd, de klacht moet worden afgewezen. Op zich valt op voorhand niet uit te sluiten dat eventueel nader onderzoek zou kunnen leiden tot nader bewijs op grond waarvan een vervolging van beklaagde wel tot het door klager gewenste resultaat zou kunnen leiden. Het hof ziet echter geen reden om dergelijk nader onderzoek te gelasten, omdat de ernst van de beweerdelijk door beklaagde gepleegde feiten in geen enkele verhouding staat tot het leed dat haar door klager is toegebracht en vervolging van beklaagde op grond van een emotioneel geschreven brief in een relatief pril rouwproces, naar het oordeel van het hof evident niet opportuun is.

Het beklag zal op die grond worden afgewezen.

Gelet op het vorenstaande kan overeenkomstig het bepaalde bij artikel 12c van het Wetboek van Strafvordering worden afgezien van het horen van klager in raadkamer.

De beslissing.

Het hof wijst het beklag als kennelijk ongegrond zijnde af.

Aldus gegeven door

mr. J.W. de Ruijter, als voorzitter,

mrs. B.F. de Poorter en F.J.M. Walstock, als raadsheer,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, als griffier.

op 21 december 2007.