Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BD6434

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
K06/1556
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klacht ex artikel 12 Sv., ontvankelijkheid.

Het hof is van oordeel dat het uitblijven van enige beslissing omtrent vervolging uiteindelijk kan leiden tot een situatie dat feitelijk sprake is van niet (verdere) vervolging in de zin van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof dient, gelet op het tijdsverloop sinds de gepleegde feiten, alsmede gelet op de brief van de officier van justitie van 14 juli 2006, ervan te worden uitgegaan dat sprake is van een situatie van niet (verdere) vervolging van beklaagden in de zin van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. In zoverre acht het hof klager ontvankelijk in zijn beklag.

Het hof is voorts van oordeel, dat klager belang zou kunnen hebben bij een met beklaagden gedeelde verantwoordelijkheid voor de BTW-carrouselfraude. In zoverre acht het hof voldoende belang aanwezig om klager aan te merken als rechtstreeks belanghebbende en hem in zijn beklag ontvankelijk te achten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K06/1556

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Tussenbeschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2007 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

(klager),

hierna te noemen: klager,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. H. Wansink, advocaat te Amsterdam,

over de beslissing van de officier van justitie te 's-Gravenhage tot het niet vervolgen van:

(beklaagden),

zijnde diverse (ex-)functionarissen bij het bedrijf (rechtspersoon),

hierna te noemen: beklaagden,

wegens (medeplichtigheid bij) BTW-carrouselfraude.

De feitelijke gang van zaken.

Ten aanzien van tussen 1 september 2000 en 1 april 2002 gepleegde strafbare feiten is klager vervolgd en veroordeeld voor zijn aandeel in een BTW-carrouselfraude, waarbij onder meer ook (rechtspersoon) betrokken was.

Op 4 april 2006 is door de officier van justitie aan klager bericht dat (rechtspersoon) zal worden vervolgd.

Hierop heeft klager bij schrijven van 19 april 2006 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 19 april 2006, met het verzoek de vervolging van de bovengenoemde natuurlijke personen te bevelen.

Op 14 juli 2006 is door de officier van justitie aan klager bericht dat (rechtspersoon) zal worden vervolgd en niet de natuurlijke personen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 18 augustus 2006 het hof geraden klager niet-ontvankelijk te verklaren.

Op 27 februari 2007 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klager en zijn advocaat.

De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

In een grootschalig onderzoek naar tussen 1 september 2000 en 1 april 2002 gepleegde BTW-carrouselfraude zijn klager en een drietal andere natuurlijke personen vervolgd en veroordeeld. Klager zelf is voor zijn aandeel, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4,5 jaar en een geldboete van EUR 1.000.000,-. Thans is door het openbaar ministerie besloten om ook het bedrijf (rechtspersoon) te vervolgen. Klager stelt dat beklaagden, in hun hoedanigheid van (ex-)directeur of (ex-)werknemer (en in het geval van (beklaagde), als commissaris) van (rechtspersoon) zeer waarschijnlijk betrokken zijn geweest bij de fraude en dat zij vervolgd dienen te worden.

Klager stelt dat beklaagden niet worden vervolgd en dat hij een redelijk belang heeft bij vervolging van beklaagden, nu bij een vervolging van beklaagden gegevens zouden kunnen worden gevonden die klager zouden kunnen ontlasten. Klager stelt voorts belang te hebben bij een gedeelde verantwoordelijkheid met beklaagden voor wat betreft onder meer de ontnemingsvordering.

Het hof is van oordeel dat het uitblijven van enige beslissing omtrent vervolging uiteindelijk kan leiden tot een situatie dat feitelijk sprake is van niet (verdere) vervolging in de zin van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof dient, gelet op het tijdsverloop sinds de gepleegde feiten, alsmede gelet op de brief van de officier van justitie van 14 juli 2006, ervan te worden uitgegaan dat sprake is van een situatie van niet (verdere) vervolging van beklaagden in de zin van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. In zoverre acht het hof klager ontvankelijk in zijn beklag.

Het hof is voorts van oordeel, dat klager belang zou kunnen hebben bij een met beklaagden gedeelde verantwoordelijkheid voor de BTW-carrouselfraude. In zoverre acht het hof voldoende belang aanwezig om klager aan te merken als rechtstreeks belanghebbende en hem in zijn beklag ontvankelijk te achten

Het hof verklaart klager ontvankelijk in zijn beklag.

Gelet op alle voorhanden stukken, alsmede op het verhandelde in raadkamer, acht het hof het raadzaam, alvorens te beslissen, de behandeling van het klaagschrift aan te houden, teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen het dossier te completeren.

Het hof verzoekt voorts de advocaat-generaal nader verslag te doen.

Het hof houdt daartoe de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd tot 22 mei 2007 aan.

Klager zal voor de zitting van 22 mei 2007 worden opgeroepen.

De beslissing.

Het hof verklaart klager ontvankelijk in zijn beklag.

Het hof houdt de behandeling van de zaak aan, één en ander zoals hierboven overwogen.

Aldus gegeven door

mr. P.A.M. Hendriks, als voorzitter,

mrs. C. Lo-Sin-Sjoe en F.J.M. Walstock, als raadsheer,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, als griffier.

op 27 maart 2007.