Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BD1267

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
C0500298-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leraar krijgt na ontdekking van een (vals) gerucht dat hij betrokken zou zijn bij seksuele intimiteiten met een leerling van de leiding van de school een verbod op straffe van ontslag om zelf nader onderzoek in te stellen naar de bron van dat gerucht.

Hij vordert een verklaring voor recht dat dit verbod onder meer in strijd is met goed werkgeverschap, terwijl werkgever zelf slechts een zeer beperkt onderzoek heeft ingesteld.

Kantonrechter wijst vordering af wegens onvoldoende belang.

Hof vernietigt nu het niet aangaat dat de werkgever zich onvoldoende inspant om zorgvuldig onderzoek te verrichten naar de bron van een dergelijk gerucht, maar tegelijkertijd de werknemer belet om zelf nader onderzoek in te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2008, 99
JAR 2008/144
AR-Updates.nl 2008-0308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JD

rolnr. C0500298/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 16 oktober 2007,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. R.J.H. van den Dungen,

tegen:

DE SAMENWERKINGSSTICHTING VOORTGEZET ONDERWIJS REGIO [regionaam],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 juli 2006 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo onder zaaknummer 125252/CV EXPL 04-1332 gewezen vonnis van 22 december 2004.

5. Het tussenarrest van 4 juli 2006

Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie van partijen bevolen en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

Voorafgaand aan de comparitie van partijen heeft [appellant] ingevolge de daartoe in het tussenarrest geboden gelegenheid nog enige producties in het geding gebracht. Op 20 oktober 2006 heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris een comparitie van partijen plaats-gevonden, die kort gezegd heeft geresulteerd in de afspraak tussen partijen over de verdere voortgang van de procedure hierin bestaande dat [appellant] in aanwezigheid van de vertrouwenspersoon van de Stichting een gesprek kon voeren met de leerlinge, die destijds [appellant] op de hoogte heeft gesteld van het gerucht dat [appellant] ontslagen zo zijn vanwege vermeende seksuele handelingen met leerlingen.

Daarna heeft [appellant] een akte genomen voorzien van zes producties, waarna door de Stichting een antwoordakte is genomen.

7. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. [appellant] vordert in deze procedure na vermeerdering van eis in hoger beroep een verklaring voor recht dat het hem opgelegd spreekverbod en onderzoeksverbod een deugdelijke juridische grondslag mist, althans strijdig is met goed werkgeversschap, althans jegens [appellant] onrechtmatig is, op grond waarvan dit verbod moet worden ingetrokken en dat overtreding van het onderzoeksverbod geen rechtvaardiging is om [appellant] te ontslaan. Voorts de Stichting te gebieden het spreekverbod in te trekken op straffe van een dwangsom en bij wege van vermeerdering van eis voor recht te verklaren dat het spreek- en onderzoeksverbod (met ontslagdreiging) vanaf 31 januari 2005 niet meer van kracht is, althans een verklaring voor recht te geven ten aanzien van het spreek- en onderzoeksverbod, die het hof juist acht.

8.2.1. De achtergrond van deze vorderingen is gelegen in de omstandigheid dat op 3 juli 2003 een leerlinge van een van de scholen die onder het beheer van de Stichting vallen, [appellant] heeft geconfronteerd met het gerucht dat [appellant] op het Valuascollege was ontslagen vanwege sexuele handelingen met leerlingen. [appellant] heeft hierover de Stichting geïnformeerd, waarna de Stichting op twee momenten medio 2003 onderzoek heeft gedaan naar de herkomst, de aard en de omvang van het gerucht. Daartoe heeft de voorzitter van de Stichting de betreffende leerlinge in aanwezigheid van [appellant] gehoord op 23 juli 2003, terwijl in november 2003 de heer [Y.], voorzitter van de ondernemingsraad en leerlingencounselor een nader onderzoek heeft ingesteld bij een aantal andere leerlingen. [Y.] heeft in het kader van zijn onderzoek niet kunnen vaststellen van wie het betreffende gerucht afkomstig was, tevens is hij er niet in geslaagd te spreken met de leerlinge die destijds [appellant] op de hoogte had gesteld van het betreffende gerucht, omdat kennelijk de moeder van de leerlinge zich tegen een gesprek heeft verzet. [appellant] heeft zich met deze uitkomst niet kunnen verenigen en heeft voorgesteld verdergaand onderzoek te laten plaatsvinden onder meer door (alsnog) te trachten een gesprek te entameren met de betreffende leerlinge in zijn aanwezigheid. [Y.] heeft dat verzoek kennelijk afgewezen. De stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat verder onderzoek niet wenselijk werd geacht.

8.2.2. Tussen partijen staat verder vast dat in de correspondentie tussen de Stichting en [appellant] over de (eventuele) verdere aanpak van de hele kwestie de raadsman van de Stichting op 10 september 2003 aan de raadsman van [appellant] heeft doen weten dat de Stichting aan [appellant] de verplichting oplegde zich te onthouden van het instellen van een onderzoek en dat negeren daarvan plichtsverzuim oplevert als bedoeld in artikel F10 sub 2 van de CAO Voortgezet Onderwijs Limburg met alle consequenties van dien. Voorts is in bedoelde brief aangegeven dat [appellant] werd gesommeerd de verspreiding van het gerucht te staken en gestaakt te houden en tenslotte heeft diezelfde raadsman in een brief aan de raadsman van [appellant] van 13 oktober 2003 doen weten dat indien [appellant] vasthield aan het door hem gewenste onderzoek, de Stichting zich het recht voorbehield een ontslagprocedure te starten. De Stichting heeft aan dit standpunt vastgehouden (ook) na het onderzoek door [Y.].

8.3. [appellant] heeft dit standpunt aangemerkt als een beslissing van de Stichting, waarbij hem werd verboden op straffe van de dreiging met ontslag de zaak nog nader te onderzoeken en verder over deze zaak nog mededelingen te doen of met anderen daarover te spreken. Het is om die reden dat hij zijn vorderingen heeft gesteld.

8.4. De Stichting heeft tegen deze vorderingen verweer gevoerd door erop te wijzen dat uit het onderzoek van [Z.], de directeur van de Stichting, is gebleken dat het betreffende gerucht slechts enkele weken aan het begin van het schooljaar 2002/2003 heeft gecirculeerd in een kleine groep leerlingen bij het cluster economie van het Valuascollege en dat er geen aanwijzingen zijn van wie het gerucht afkomstig is. Het onderzoek door [Y.] heeft daartoe geen nadere gegevens opgeleverd. Verder onderzoek heeft in de visie van de Stichting geen zin nu niet waarschijnlijk is dat de bron van het gerucht gevonden kan worden. Nieuw of nader onderzoek is alleen nog schadelijk voor [appellant] en voor de reputatie en de goede naam van de school. Aldus de Stichting.

8.5. De kantonrechter heeft allereerst vastgesteld dat beide partijen het erover eens zijn dat het betreffende gerucht niet op waarheid berust. Voorts heeft hij voorop gesteld dat het gelet op de aard van het gerucht de taak van de Stichting is om de schadelijke effecten ervan (verlies van vertrouwen van leerlingen en ouders in een veilige schoolomgeving en aantasting van het gezag van de leraar) zoveel mogelijk te beperken.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de Stichting door het verrichten van onderzoeken, terwijl die verder geen aanknopingspunten meer boden waardoor de bron van het gerucht kon worden achterhaald, zich in voldoende mate heeft ingespannen om de schadelijke gevolgen zoveel mogelijk te beperken en dat de beslissing van de Stichting om de zaak verder te laten rusten gezien deze uitkomst niet onredelijk was.

Met betrekking tot de opstelling van de Stichting om [appellant] te beletten verder onderzoek te doen oordeelde de kantonrechter dat weliswaar de Stichting niet officieel een dergelijk verbod heeft uitgevaardigd, maar dat de raadsman van de Stichting zich wel in die termen heeft uitgelaten. Daarbij heeft, zo oordeelde de kantonrechter, de Stichting de grens van wat van een goed werkgeefster mag worden verwacht niet overschreden. De Stichting koestert een gerechtvaardigde vrees dat verder onderzoek door [appellant], die zich van alle blaam gezuiverd wil zien, niet alleen op niets moet uitlopen nu er geen concrete aanknopingspunten zijn voor verder onderzoek, maar bovendien uiteindelijk meer schade aan de reputatie van [appellant] en de goede naam van de school zal aanrichten dan het hele voorval tot nu toe heeft gedaan. Omdat niet vaststaat dat [appellant] daadwerkelijk schade heeft ondervonden en/of nog zal ondervinden van het gerucht, terwijl bovendien het gerucht niet meer actueel is en [appellant] derhalve geen reden heeft om het gerucht om die reden te ontzenuwen, heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen.

Tegen dit oordeel komt [appellant] op.

8.6. De strekking van de grieven in onderling verband en samenhang bezien is dat [appellant] een integrale herbeoordeling door het hof wenst van zijn vorderingen. Daarbij staat centraal de opvatting van [appellant] dat de Stichting geen redelijk belang (meer) heeft om de aan hem opgelegde spreek- en onderzoeksverboden onder de dreiging van een ontslag te handhaven.

8.7.1. Bij memorie van antwoord heeft de Stichting zich op het standpunt gesteld dat [appellant] het betreffende verbod kennelijk aanmerkt als een disciplinaire maatregel, zodat [appellant] zich ingevolge de geldende CAO tot de Beroepscommissie als bedoeld in die CAO had dienen te wenden, die terzake een bindend advies kan uitbrengen. [appellant] heeft betoogd dat een dergelijke beroep tardief is te achten en bovendien geen houdt snijdt nu het hier geen disciplinaire maatregel betreft als bedoeld in die CAO. De Stichting heeft hierop niet meer willen reageren.

8.7.2. Het hof verwerpt het beroep van de Stichting op de niet ontvankelijkheid van [appellant]. Naar analogie van hetgeen de Hoge Raad reeds heeft overwogen en beslist in zijn arrest van 9 november 2001, NJ 2001, 692 inzake de CAO voor het hoger beroepsonderwijs, geldt dat ook de bepaling van artikel 52 Wet op het voortgezet onderwijs inzake het instellen van een Commissie van beroep, welke bepaling is overgenomen in artikel K1 CAO Voortgezet Onderwijs Limburg, slechts is aan te merken als een bekostigingsvoorwaarde. Artikel K1 van deze CAO kan niet gelden als een ondubbelzinnige overeenkomst tussen partijen zich aan een bindend advies te onderwerpen. [appellant] is derhalve niet verplicht een arbeidsgeschil te laten beslechten door een Commissie van Beroep alvorens zich tot de burgerlijke rechter te wenden.

8.8. Het hof stelt voorop dat voor de beoordeling van het geschil zal worden uitgegaan van de omstandigheid dat de Stichting bij monde van haar raadsman [appellant] heeft verboden om nog nadere onderzoekshandelingen te verrichten naar de aard en de afkomst van het gerucht alsmede daarover met anderen te spreken zulks onder dreiging van een entameren ontslagprocedure. Daaraan doet niet af dat de Stichting niet zelf rechtstreeks daarover met [appellant] (schriftelijk) in contact is getreden, omdat er immers geen misverstand over kan bestaan dat de raadsman van de Stichting uitdrukkelijk namens de Stichting een standpunt heeft ingenomen en de Stichting ook nimmer afstand van die mededelingen van haar raadsman heeft gedaan.

Daarbij neemt het hof verder als uitgangspunt dat de Stichting nog steeds de betreffende verboden wenst te handhaven nu zij niet inhoudelijk heeft gereageerd op de brief van [appellant] van 10 januari 2005 aan [Z.] waarin werd verzocht om nadere standpuntbepaling.

8.9.1. Door [appellant] zijn geen grieven aangevoerd tegen het door de kantonrechter gekozen uitgangspunt voor de toetsing van de gedragingen van de Stichting als goed werkgever van [appellant] ingeval zij wordt geconfronteerd met een dergelijk gerucht.

De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen:

“.. het schadelijk karakter van een dergelijk gerucht is evident. Ouders en opvoeders van leerlingen en toekomstige leerlingen moeten er zonder meer op kunnen vertrouwen dat de school een veilige leeromgeving biedt. Een gerucht als dit kan dat vertrouwen aantasten, zelfs al is het volstrekt onjuist. Verder is van belang dat een docent les kan geven en zijn werk kan doen zonder gehinderd te worden door op onwaarheid berustende verhalen van deze aard die zijn gezag bij de leerlingen ondermijnen. Het is aan de Stichting als verantwoordelijke voor het onderwijs en de organisatie binnen de onder haar beheer vallende scholen om dit soort schadelijke effecten van geruchten als hier aan de orde zoveel mogelijk te beperken.”.

8.9.2. Naar het oordeel van het hof ligt het daarbij voor de hand dat de Stichting als eerst verantwoordelijke nader onderzoek doet verrichten naar de aard en omvang en herkomst van het gerucht. Een dergelijk onderzoek dient zorgvuldig te geschieden en voor de betrokken docent in voldoende mate inzichtelijk te zijn voor wat betreft de daarbij te volgen procedure en de gegrondheid van de daaraan te verbinden conclusies.

In de onderhavige zaak valt vast te stellen dat nadat [appellant] de schoolleiding op de hoogte had gesteld van het bestaan van het voor hem diffamerende gerucht, de voorzitter van het college van bestuur ([Z.]) een gesprek is aangegaan met de betreffende leerlinge, haar moeder, [appellant], diens raadsman en de heer [A.] (directeur van het Valuascollege). Daarbij is aan de orde gekomen dat de betreffende leerlinge meende dat zij via een andere met name genoemde leerling van het gerucht had vernomen. Afgesproken is dat nog nader overleg zou plaatsvinden over eventueel verder onderzoek. Of en op welke wijze nadien onderzoek is verricht door de schoolleiding is niet vast te stellen, hoewel uit de thans bij akte overgelegde producties valt af te leiden dat de schoolleiding, kennelijk zonder daar [appellant] in te kennen, nog een gesprek heeft gehad met de betreffende leerlinge. Begin september 2003 heeft de Sichting aan [appellant] doen weten dat geen verder onderzoek zou plaatsvinden en is aan [appellant] via de raadsman van de Stichting te kennen gegeven dat hij zelf niet verder op onderzoek mocht. [appellant] heeft met deze uitkomst geen genoegen willen nemen met name omdat hij wilde achterhalen door wie het gerucht in de wereld was gekomen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een bemiddelingspoging van de zijde van de voorzitter van de ondernemingsraad, [Y.]. Deze was kennelijk bereid nader onderzoek te doen echter zonder dat hij daarbij een schriftelijk verslag zou dienen uit te brengen. Na overleg heeft [appellant] bij e-mail aan [Y.] een lijst met mogelijk te benaderen leerlingen ter beschikking gesteld. [Y.] heeft vervolgens mondeling verslag uitgebracht van zijn onderzoek aan ondermeer [appellant], waarbij hij heeft medegedeeld dat van de groep onderzochte personen kennelijk slechts twee van hen op de hoogte waren van het gerucht te weten de leerlinge en de door haar genoemde leerling, maar ook dat hij niet heeft kunnen vast stellen wie de bron van het gerucht is geweest. Daarbij heeft [Y.] aangegeven dat hij de betreffende leerlinge zelf niet heeft kunnen spreken. In het gesprek tussen [Y.] en [appellant] is in ieder geval ook de vraag aan de orde geweest of de betreffende leerlinge zelf de bron van het gerucht geweest zou kunnen zijn. Daarbij is door [Y.] de mogelijkheid geopperd dat de betreffende leerlinge de aandacht op zichzelf wilde vestigen, omdat zij verliefd op [appellant] was.

8.9.3. Naar het oordeel van het hof moet zowel ten aanzien van het onderzoek door de voorzitter van de Stichting in juli/augustus 2003 als het onderzoek in het kader van een bemiddeling door [Y.] worden vastgesteld dat deze onderzoeken de toets van de vereiste zorgvuldigheid niet kunnen doorstaan. Het onderzoek door de schoolleiding zelf niet omdat niet kan worden vastgesteld dat de schoolleiding, nadat in een gesprek met de leerlinge, die [appellant] op de hoogte had gesteld van het gerucht, was gebleken dat tenminste nog één andere leerling op de hoogte was van het gerucht, zij zich daarover (tenminste) met die leerling heeft verstaan en (eventueel) wat de uitkomst van dat gesprek is geweest en of die uitkomst mogelijk aanleiding zou kunnen vormen voor een nader gesprek met die leerlinge(n). Aldus heeft de Stichting zich onvoldoende ingespannen om de bron van het gerucht te achterhalen.

Het (min of meer door [appellant] afgedwongen) onderzoek door [Y.] mist zorgvuldigheid omdat een deugdelijk toetsbaar verslag van diens werkzaamheden ontbreekt en bovendien in het onderzoek niet is betrokken de leerlinge, die over het bestaan van het gerucht met [appellant] en de schoolleiding had gesproken. Daarbij komt nog dat [Y.] in feite met niet meer komt dan het opperen van een mogelijkheid (een verliefde leerlinge) die op geen enkele wijze door de feiten blijkt te kunnen worden gestaafd.

8.9.4. Aldus ontstaat het beeld van een schoolleiding, die op een weinig adequate en bovendien voor [appellant] beperkt inzichtelijke wijze onderzoek doet naar aard, omvang en bron van een voor [appellant] uiterst schadelijk gerucht, maar verder niettemin niet aarzelt [appellant] te verbieden eventueel verder onderzoek te doen verrichten dan wel de mogelijkheden te verkennen om nog verder en nader onderzoek te doen naar de bron van het gerucht. Natuurlijk staat het geenszins vast dat [appellant] er wel in zou/zal slagen de bron van het gerucht te traceren en daarmee een voor hem onbevredigende uitkomst zou kunnen voorkomen, maar het onder deze omstandigheden [appellant] te verbieden enig nader onderzoek te doen of zelfs daarover maar met derden te spreken onder dreiging van een procedure die kan leiden tot ontslag is in ieder geval in strijd met het beleid van een goed werkgever. Bijvoorbeeld valt niet goed in te zien waarom destijds [appellant] feitelijk verboden is contact op te nemen met de betreffende leerlinge naar aanleiding van de bevindingen van [Y.]. De omstandigheid dat de Stichting inmiddels heeft ingestemd met een gesprek met de betreffende leerlinge maakt dat niet anders en rechtvaardigt geenszins het handhaven van welk verbod dan ook.

Uiteraard mag en moet een schoolleiding oog hebben voor de reputatieschade ingeval van een onderzoek naar de achtergronden van dergelijke geruchten, doch zij dient daarbij als werkgever ook en in voldoende mate de belangen van de betreffende docent in het oog te houden, waarbij het zuiveren van alle blaam, indien daartoe aanleiding is, een van de doeleinden moet zijn. Daarbij dienen in ieder geval garanties te bestaan voor een zorgvuldig en inzichtelijk onderzoek bij voorkeur in overleg met de betreffende docent. Dat alles is, zo moet het hof vaststellen, in dit geval achterwege gebleven.

8.9.5. Hoewel ook het hof oog heeft voor de omstandigheid dat het gerucht uiteindelijk geen invloed lijkt te hebben gehad op het functioneren van [appellant] als docent waardoor dat belang minder zwaarwegend is geworden, kan niet gezegd worden dat [appellant] in het geheel geen belang meer heeft bij het oordeel dat het hem vrij staat nader onderzoek te verrichten naar de bron van het gerucht, nu dat voor hem hoe dan ook diffamerend is.

Dat leidt ertoe dat de grieven slagen en dat de gevraagde verklaring voor recht voor zover het betreft de strijdigheid van een onderzoeks- en spreekverbod met goed werkgeverschap kan worden gegeven. Tevens kan worden toegewezen het gebod aan de Stichting het spreek- en onderzoeksverbod in te trekken onder eventuele verbeurte van een dwangsom als gevorderd, nu tegen de hoogte daarvan geen verweer is gevoerd. Voor zover [appellant] nog enig nader onderzoek zou wensen te verrichten tekent het hof daarbij aan dat hij daarbij uiteraard de grenzen van goed werknemerschap in acht dient te nemen.

Niet zal worden toegewezen de verklaring voor recht dat het onderzoeksverbod is ingetrokken met ingang van 31 januari 2005, nu, gezien de toe te wijzen vorderingen, [appellant] daarbij geen belang meer heeft. Verder zal het hof de vordering om een verklaring voor recht dat overtreding van het onderzoeksverbod in dit geval geen rechtvaardiging is om [appellant] te ontslaan eveneens afwijzen, omdat [appellant] daarbij gezien het vorenstaande evenmin belang heeft. Voor zover [appellant] daarmee slechts beoogt een verbod voor het verleden te bewerkstelligen, moet worden geoordeeld dat het hof, bij gebrek aan wetenschap, geen oordeel kan geven over een eventueel reeds door [appellant] ingesteld onderzoek, doch slechts kan vast stellen overeenkomstig hetgeen hiervoor reeds is overwogen, dat het enkele overtreden van dat verbod door [appellant] in het verleden geen grond voor ontslag kan opleveren.

8.9.6. De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure

in de beide instanties.

9. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en doet opnieuw recht :

verklaart voor recht dat het door de Stichting aan [appellant] opgelegde spreek- en onderzoeksverbod in strijd is met goed werkgeverschap;

gebiedt de Stichting het spreek- en onderzoeksverbod jegens [appellant] in te trekken binnen twee dagen na betekening van dit arrest op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= voor iedere dag dat de Stichting in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure in beide instanties en tot op heden vastgesteld op € 83,78 aan dagvaardingskosten, € 192,= aan griffierechten en € 270,= aan salaris gemachtigde voor de eerste aanleg en op € 93,33 aan dagvaardingskosten, € 244,= aan griffierechten en € 2.235,= aan salaris procureur;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Spoor en Slootweg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 16 oktober 2007.