Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BC3240

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
C200601431/HE & C200601405/HE T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Horen ná de ontbinding van het huwelijk toegekende varkensrechten tot de huwelijksgoederengemeenschap?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0601405/HE en C0601431/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 18 december 2007 (bij vervroeging)

gewezen in de zaak van:

[Appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 8 november 2006,

hierna te noemen: [de man],

procureur: mr. H.A. Pasveer,

tegen:

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij genoemd exploot,

hierna te noemen: [de vrouw],

procureur: mr. A.A.M. van Exsel,

en in de zaak van:

[Appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploit van dagvaarding van 14 november 2006,

hierna te noemen: [de zoon],

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna te noemen: [de vrouw],

procureur: mr. A.A.M. van Exsel,

op het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder nummer 134109/HA ZA 05-2437 gewezen vonnissen van 7 juni 2006 en 20 september 2006 tussen [de vrouw] als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en [de zoon] en [de man] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

In de zaak met rolnummer C0601405.

In zijn appeldagvaarding heeft [de man] zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [de vrouw] in conventie en, in reconventie, tot verklaring voor recht dat het door [de vrouw] gelegde beslag op de varkensrechten onrechtmatig is, tot opheffing van het beslag en tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat, een en ander met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord met producties heeft [de vrouw] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep met veroordeling van [de man] in de kosten van beide instanties.

[de man] heeft een akte uitlating producties genomen en [de vrouw] een antwoordakte met producties.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

In de zaak met rolnummer C0601431.

Bij memorie van grieven heeft [de zoon] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot het, kort gezegd, alsnog afwijzen van de vorderingen van [de vrouw], met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord met producties heeft [de vrouw] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep met veroordeling van [de zoon] in de kosten van beide instanties.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar respectievelijk de appeldagvaarding in de zaak met rolnummer C0601405 en de memorie van grieven in de zaak met rolnummer C0601431.

4. De beoordeling

In de zaken met rolnummers C0601405 en C0601431.

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [de vrouw] en [de zoon] zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest van 30 december 1961 tot 9 september 1994 (de datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand). [de man] is de zoon van [de vrouw] en [de man].

[de vrouw] en [de zoon] zijn er niet in geslaagd om tot een verdeling van de ontbonden huwelijks-goederengemeenschap te komen. Over die verdeling is een procedure in hoger beroep aanhangig bij dit hof onder de rolnummers C0301404 en C0400281.

Tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap hoorde een inmiddels beëindigd agrarisch bedrijf aan de [vestigingsadres A.] te [vestigingsplaats] (een varkensfok- en mestbedrijf). Na het uiteengaan van [de zoon] en [de vrouw] heeft [de zoon] dit bedrijf verder geëxploiteerd. [de man] exploiteert een varkenshouderij op het naastgelegen adres [vestigingsadres B.] te [vestigingsplaats].

Ingaande 5 augustus 1998 is tussen [de zoon] en [de man] een maatschapsovereenkomst gesloten waarbij, kort gezegd, beide vennoten het door hen geëxploiteerde bedrijf hebben ingebracht in een maatschap.

In artikel 4.1.2 van de maatschapsovereenkomst is bepaald dat door [de zoon] wordt ingebracht "het gebruik en genot van het vermogensrecht op de aan hem toekomende rechten op referentiehoeveelheden dierlijke meststoffen, zoals bedoeld in de meststoffenwet 1986 of varkensrechten zoals bedoeld in de herstructureringswet, zoals deze op naam van de vennoot sub 1 zijn geregistreerd".

Op 10 april 2004 is tussen [de zoon] en [de man] een "overeenkomst tot overdracht van varkens-rechten" gesloten waarbij zij, ter bevestiging van de overdracht door [de zoon] aan [de man] op 1 september 2003 van 304 varkenseenheden verhandelbare fokzeugenrechten en 573 varkenseenheden verhandelbare niet-fokzeugenrechten, zijn overeengekomen dat de economische eigendom van de voornoemde varkensrechten van [de zoon] op [de man] worden overgedragen tegen een koopprijs van € 65,- per varkenseenheid verhandelbare fokzeugenrechten en € 60,- per varkenseenheid verhandelbare niet-fokzeugenrechten, derhalve in totaal voor € 54.140,-.

Op 15 september 2004 is tussen dezelfde partijen een overeenkomst gesloten, waarbij de economische eigendom van 165 varkenseenheden niet-verhandelbare niet-fokzeugenrechten door [de zoon] zijn overgedragen aan [de man] voor een koopprijs van € 50,- per varkenseenheid, derhalve voor € 8.250,-.

4.1.2. In de onderhavige procedure stelt [de vrouw] zich op het standpunt dat de voormelde overdrachten van varkensrechten aan te merken zijn als een onverplichte rechtshandeling, waardoor zij in haar verhaalsmogelijkheden op [de zoon] in het kader van de boedelverdeling, is benadeeld, dit in de zin van artikel 3:45 BW.

Zij heeft buitengerechtelijk de nietigheid van deze overdrachten ingeroepen.

In haar inleidende dagvaarding vordert zij (samengevat) primair een verklaring voor recht dat de overdracht van varkensrechten vernietigbaar althans nietig is en te bepalen dat [de zoon] en [de man] ertoe dienen over te gaan de hier bedoelde varkensrechten weer te registreren op naam van [de zoon], dit op verbeurte van een dwangsom,

subsidiair te verklaren voor recht dat [de zoon] en [de man] door de overdracht van varkensrechten onrechtmatig jegens [de vrouw] hebben gehandeld.

Meer subsidiair vordert zij voor recht te verklaren dat [de man] door de overdracht ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [de vrouw]. Voorts vordert zij te bepalen dat [de zoon] en [de man] informatie over de overdracht aan haar dienen te verstrekken.

In haar akte houdende in geding brengen van stukken tevens houdende wijziging van eis d.d. 17 maart 2006 heeft [de vrouw] haar vordering vermeerderd in die zin dat zij tevens vordert (samengevat) dat voor recht zal worden verklaard dat de tussen [de zoon] en [de man] gesloten maatschapsovereenkomst nietig dan wel vernietigbaar is, althans voor recht te verklaren dat [de zoon] en [de man] door het sluiten van de maatschapsovereenkomst onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld.

Uit de toelichting van [de vrouw] op deze eisvermeerdering in haar conclusie van antwoord in reconventie d.d. 21 februari 2006 (punt 47) begrijpt het hof dat deze nadere vordering voorwaardelijk wordt ingesteld, namelijk voor het geval in rechte zou komen vast te staan dat uit de maatschapsovereenkomst een verplichting tot levering van varkensrechten tegen de agrarische waarde voortvloeit.

[de man] heeft in reconventie gevorderd (samengevat) voor recht te verklaren dat het door [de vrouw] gelegde beslag op de varkensrechten onrechtmatig is, alsmede dit beslag op te heffen en [de vrouw] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat.

4.1.3. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 7 juni 2006 overwogen:

- dat de voormelde varkensrechten deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap van [de zoon] en [de vrouw];

- dat in totaal 1042 eenheden varkensrechten zijn overgedragen;

- dat de verkoop als een onverplichte rechtshandeling als bedoeld in artikel 3:45 BW moet worden aangemerkt;

- dat voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een benadeling in de verhaalsmogelijkheden van [de vrouw] een deskundigenonderzoek noodzakelijk is;

- dat de beslissing op de reconventionele vordering dient te worden aangehouden in afwachting van de verdere beoordeling en beslissing in conventie.

In het tussenvonnis van 20 september 2006 heeft de rechtbank vervolgens een deskundigen-onderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de actuele marktwaarde/ vrije verkoopwaarde is van de onderhavige 1042 varkensrechten.

De rechtbank heeft verder bepaald dat van het tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

4.1.4. [de zoon] en [de man] hebben gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid. Zij zijn in hoger beroep gekomen en zij hebben grieven tegen de beide tussenvonnissen aangevoerd.

4.2. [de vrouw] gaat er in haar beide memories van antwoord van uit dat op een aantal punten (namelijk, dat de varkensrechten deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap en dat er sprake is van een onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 3:45 BW) al onherroepelijk is beslist door de rechtbank in het tussenvonnis van 7 juni 2006 en door dit hof in het tussenarrest van 17 oktober 2006 in de zaken met rolnummers C0301404 en C0400281.

Dit standpunt is onjuist. Het vonnis van de rechtbank d.d. 7 juni 2006 is een tussenvonnis waartegen hoger beroep openstond, tegelijk met tussenvonnis van 20 september 2006. Het arrest d.d. 17 oktober 2006 is een tussenarrest, waartegen cassatie openstaat, tegelijk met het eindarrest in de desbetreffende zaken.

4.3. Grief 1 van [de zoon] en grief 3 van [de man] richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de hier bedoelde varkensrechten deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap van [de zoon] en [de vrouw]. Zij stellen zich op het standpunt:

- dat ten tijde van de ontbinding van het huwelijk tot de Huwelijksgoederengemeenschap mestproductierechten hoor- den die bij de inwerkingtreding van de Wet herstructurering varkenshouderij d.d. 1 september 1998 zijn komen te vervallen. Op dat moment zijn aan [de zoon] varkens- rechten toegekend; het gaat hierbij om nieuwe rechten die niet in de huwelijksgoederengemeenschap vallen;

- van zaaksvervanging als bedoeld in artikel 3:167 BW is geen sprake omdat varkensrechten niet aan te merken zijn als "enig goed" in de zin van dat artikel.

4.4. Omtrent deze grieven overweegt het hof het volgende.

Door het hof is in het tussenarrest d.d. 17 oktober 2006 in de zaken met rolnummers C0301404 en C0400281 beslist dat de hier bedoelde varkensrechten wél tot de huwelijksgoederengemeenschap horen, althans hebben toebehoord. Ter motivering heeft het hof, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, overwogen dat de Wet herstructurering varkenshouderij ertoe strekt de destijds bestaande mestproductierechten te vervangen door varkensrechten. Het hof ziet geen aanleiding thans op dit oordeel terug te komen.

Het hof voegt hieraan nog toe dat de hierbedoelde varkensrechten aan te merken zijn als vermogensrechten in de zin van artikel 3:6 BW (en daarmee als goederen in de zin van artikel 3:1 BW). De varkensrechten moeten worden geacht in de plaats te zijn getreden van de mestproductierechten, dit in de zin van artikel 3:167 BW.

4.5. Het voorgaande betekent dat de eerste grief van [de zoon] en de derde grief van [de man] ongegrond zijn.

4.6. Grief 2 van [de zoon] en grief 4 van [de man] hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat er ten aanzien van de overdracht van varkensrechten in 2003/2004 sprake was van een onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 3:45 BW. Zij menen dat de maatschaps-overeenkomst tot overdracht verplichtte. Zij verwijzen in dit verband in het bijzonder naar de artikelen 15.3 en 13.3 van de maatschapsovereenkomst.

4.7. Naar het oordeel van het hof zijn ook deze grieven ongegrond. Noch de inhoud noch de strekking van de maatschapsovereenkomst rechtvaardigen de conclusie dat er sprake was van een verplichte rechtshandeling in de zin van artikel 3:45 BW. De door [de zoon] en [de man] genoemde artikelen 15.3 en 13.3 van de maatschapsovereenkomst hebben betrekking op de situatie ná de beëindiging van de maatschap. Niet gesteld of gebleken is dat ten tijde van de overdracht van de varkensrechten in 2003 en 2004 sprake was van beëindiging van de maatschap. Een gezamenlijke exploitatie in maatschapsverband heeft in ieder geval plaatsgevonden tot aan de verkoop van de gebouwen en landerijen, behorend tot het bedrijf aan de [vestigingsadres A.], in juli 2005.

Hieraan kan nog worden toegevoegd dat, in het licht van het hiervoor onder 4.4 overwogene, de varkensrechten niet aangemerkt kunnen worden als "in of door de bedrijfsuitoefening opgekomen productierechten" in de zin van artikel 15.3 van de maatschapsovereenkomst.

4.8. De grieven 3, 4 en 5 van [de zoon] en de grieven 1, 2 en 5 van [de man] hebben betrekking op de vraag of er sprake is van benadeling van [de vrouw] in haar verhaalsmogelijkheden en op de vraag of [de zoon] en [de man] dit wisten of behoorden te weten, alsmede op de vraag of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is.

4.9. Het hof overweegt hieromtrent dat de eerste grief van [de man] in zoverre terecht is aangevoerd dat de stelplicht en bewijslast terzake van de vraag of er sprake is van benadeling van [de vrouw] in haar verhaalsmogelijkheden, bij [de vrouw] ligt.

Anders dan [de man] meent, heeft [de vrouw] op dit punt aan haar stelplicht voldaan (prod. 17 bij haar akte houdende in het geding brengen van stukken d.d. 17 maart 2006). Of de door haar gestelde feiten al dan niet juist zijn, zal uit nader onderzoek moeten blijken.

4.10. Het hof is, mét de rechtbank van oordeel dat het ter beoordeling van de gestelde benadeling noodzakelijk is dat een deskundigenonderzoek plaatsvindt, waarbij in het bijzonder door (een) deskundige(n) dient te worden vastgesteld wat de waarde van de overgedragen varkensrechten is. In zoverre zijn de vijfde grief van [de zoon] en de vijfde grief van [de man] ongegrond.

Daarnaast is voor de beoordeling van de gestelde benadeling van belang wat de omvang is van de vordering van [de vrouw] op [de zoon] in het kader van de boedelverdelingsprocedure alsmede de omvang van de ten behoeve van de verdeling beschikbare boedelbestanddelen.

4.11. Deze kwesties zijn tevens aan de orde in de procedure bij het hof tussen [de zoon] en [de vrouw] met de rolnummers 0301404 en C0400281. In die zaken is bij tussenarrest een deskundigenonderzoek gelast naar de waarde van een tweetal tot de huwelijksgoederen-gemeenschap behorende percelen en naar de waarde van de overgedragen varkensrechten. Tevens dient onderzoek te worden verricht naar de bedrijfschuld bij de Rabobank, behorende tot de huwelijksgoederengemeenschap.

De deskundigenrapporten in de hier bedoelde zaken zijn inmiddels ter griffie van het hof gedeponeerd.

4.12. Gelet op de samenhang van de voormelde zaken met de onderhavige zaken die ter beslissing aan het hof zijn voorgelegd, overweegt het hof om alle zaken ambtshalve te voegen, dit in het belang van een doelmatige procesvoering.

Bovendien overweegt het hof toepassing te geven aan de artikelen 355 en 356 Rv.

Het hof zal de onderhavige zaken naar de rol verwijzen zodat partijen zich hieromtrent kunnen uitlaten.

4.13. Iedere verdere beslissing wordt door het hof aangehouden.

5. De uitspraak

In de zaken met rolnummers C0601405 en C0601431.

Het hof:

verwijst de zaken naar de rolzitting van 8 januari 2008 voor het nemen van een akte door de drie betrokken partijen ter uitvoering van hetgeen hiervoor onder 4.12 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 18 december 2007.